HOOFD INRICHTING Hier een plens licht, daar een schaduw

AMSTERDAM - Van zijn werk in het museum krijgt Klaas Cammelbeeck geen vuile handen. In het Amsterdamse Rijksmuseum heeft het hoofd inrichting een coordinerende functie. Voor het ontwerpen van inrichtingen voor speciale tentoonstellingen en voor het uitvoeren van het werk worden per klus externe krachten ingehuurd.

“Wij houden ons bezig met de vraag hoe we van dit museum een aangename plek om te verblijven kunnen maken,” zegt Cammelbeeck.

“Bezoekers ervaren hun verblijf hier positiever naarmate ze er iets van opsteken, en dat gebeurt wanneer ze in staat zijn om wat ze zien beter te ervaren. Voor een groot deel ligt dat aan de wijze van presenteren.”

Sinds 1989 zijn in het Rijksmuseum de taken die te maken hebben met het behoud en beheer van de collectie gescheiden van de werkzaamheden die betrekking hebben op de presentatie daarvan. Maar conserveren en presenteren zijn tegenstrijdige belangen; tussen de afdelingen is voortdurend sprake van een spanningsveld.

“Presenteren brengt in feite altijd alleen maar risico's met zich mee,” constateert Cammelbeeck. “De steeds terugkerende vraag voor ons is hoe verantwoord dat risico is. De laatste jaren zijn de normen voor wat wel en wat niet kan, enorm aangescherpt. De eisen van bruikleengevers gaan telkens verder omhoog, het British Museum in Londen eist bijvoorbeeld al monsters van de materialen waar we de tentoonstelling mee opbouwen, eer ze toestemmen in een bruikleen.”

Steeds meer materialen blijken zuren te bevatten en zijn daardoor onbruikbaar. MDF (een fijn soort spaanplaat), triplex, spaanplaat; alle houthoudende materialen en de meeste verfsoorten zijn volgens het hoofd inrichting eigenlijk verkeerd. Blijven over: glas en metaal. “Zo langzamerhand kan alleen vliegtuigaluminium nog.”

In een open ruimte waar continu de airconditioning aanstaat, zijn dampen nauwelijks meetbaar. De kunstwerken hebben er dus ook niet zo'n last van. “Maar wanneer een vitrine van MDF met een plexiglas kap wordt afgesloten, en hij daar vers staat te dampen. . . Laatst toonden mensen van het Getty Conservation Institute (een afdeling van de John Paul Getty Foundation in Malibu, Californie, red.), het wereldgezaghebbende instituut op het gebied van conservering en conditierapporten, hier aan wat er dan gebeurt. Als je die dia's zag! Overal schimmelachtige aantasting. In feite zou ieder materiaal dat je gebruikt, getest moeten worden voor je het toepast, ook omdat je bij veel materialen niet kunt rekenen op een constante kwaliteit.”

Boosdoener

Ook licht is een vijand waaraan elke presentatie het hoofd moet bieden.

Het museum werd eind vorige eeuw nog zo ontworpen dat een maximum aan daglicht kon binnenkomen om de schilderijen en kunstvoorwerpen goed te kunnen zien. Sinds bewezen is dat ultraviolette straling de grote boosdoener vormt bij het vergaan en verkleuren van stoffen en papier, zorgen Cammelbeeck en zijn dienst er juist weer voor dat het licht zoveel mogelijk gedempt en gefilterd wordt.

“In het verleden deden ze moeite om licht binnen te krijgen en wij proberen het weer weg te halen,” lacht hij. “Het prentenkabinet heeft bijvoorbeeld ramen, terwijl prenten en tekeningen maar een lichtsterkte van 50 lux mogen hebben. Die ramen zijn nu dus geblindeerd.”

Wanneer het museum ervoor kiest om verschillende voorwerpen in een keer tentoon te stellen, plaatst het zichzelf voor een ingewikkeld probleem.

Voor de grote expositie 'De dageraad der Gouden Eeuw' worden komende winter zo'n vierhonderd tekeningen, schilderijen, prenten, meubels en vormen van kunstnijverheid in zestien ruimtes door elkaar geplaatst.

Vergeleken bij een tentoonstelling die op materiaal geselecteerd wordt, is zo'n samenhang wel overzichtelijker en interessanter, maar wat het ene object aan licht kan hebben, verdraagt het andere beslist niet. Ook textiel mag slechts 50 lux hebben. Voor schilderijjen is de norm 150 tot 200 lux.

“De vraag is welk effect we willen bereiken,” zegt Cammelbeeck. “Zijn we uit op drama in licht en donker of geven we een egale plens licht van 50 lux met een paar meer gerichte spots om de samenhang tussen de tentoongestelde voorwerpen te tonen? En wat doen we in het eerste geval met het duistere tussengebied? Voor ons is het interessant om te zien wat voor psychologisch effect de belichting heeft. Hoe houdt het het publiek geanimeerd? De mensen begeven zich van ruimte naar ruimte. De stelregel luidt dat de afwisseling de moed erin houdt.”

Dramatisch uitlichten kan door een spel van licht en schaduw te creeeren met gerichte spots. Dat is bijvoorbeeld gedaan bij de huidige tijdelijke opstelling van glas. In een vitrine komt het licht in kleine cirkels van onder de voeten van de glazen, in een andere schijnt het schuin van boven tegen de objecten aan, zodat suggestieve schaduwen tegen de wand ontstaan.

Dramatisch effect

“Een paar jaar geleden riepen de conservatoren al bij het minste dramatische effect dat het hier net een galerie leek. De vaste opstelling moet er zo tijdloos mogelijk uitzien. Maar tegenwoordig hebben we zeker bij tentoonstellingen de neiging om de belichting iets extremer aan te pakken; daar mag best mee geexperimenteerd worden,” vindt Cammelbeck. “In ieder geval willen we niet langer een egale totaalverlichting, maar liefst meer differentiatie.”

Ook binnen dit gebied blijft de spanning tussen presenteren en conserveren bestaan. In zijn totaliteit wordt die spanning steeds groter, volgens Cammelbeeck.

“Momenteel bestaat de behoefte om internationale normen vast te stellen, daar voelt iedereen zich veilig bij. Het is aan ons om die normen te handhaven. Maar sommige musea stellen zulke hoge eisen, dat het naar mijn mening een grote barriere voor de kijker wordt. Het plaatsen van een schilderij in een klimaatbak vind ik een maatregel die de beleving van het werk in de weg kan staan. Natuurlijk ben je in een museum altijd bezig met het plaatsen van barrieres, want het liefst wil iedereen aan de spullen voelen en dat kan natuurlijk niet.”

“Gelukkig krijgen we steeds meer mogelijkheden om die belemmeringen visueel zoveel mogelijk op te heffen, zoals het plaatsen van ontspiegeld glas binnen de lijst van een schilderij als bescherming tegen vuil en schadelijke stoffen uit de lucht.”

“Puur vanuit de afdeling inrichting gedacht, vraag ik me echter wel eens af in hoeverre je soms moet afwegen om een voorwerp voor korte tijd aan iets bloot te stellen dat objectief gezien schadelijk is. Met 50 lux kun je een zaaltekst bijvoorbeeld slecht lezen. En het blijft nu eenmaal zo, dat een voorwerp met een plens licht erop een stuk beter te zien is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden