Honingzoete wraak

Tweede prijs

Lili de Ridder

Ze heeft wijn meegenomen en de kleine sigaartjes waar ik zo van hou. Attent dat ze het merk onthouden heeft, dat moet ik toegeven.

Vanuit het zolderraam heb ik haar het lange pad zien volgen dat door de weilanden naar mijn woning voert. Zelfs op afstand, toen ze nog een klein lichtgekleurd figuurtje was, zag ik dat zij het moest zijn: in onze familie hebben we allemaal de motoriek van een pinguïn. Voeten naar buiten, licht waggelende gang. Het zit zowel aan vaders- als moederskant, alsof die twee elkaar ooit op een eindeloze poolvlakte zijn tegengekomen en besloten hebben dat ze alles gemeen hebben wat in dit leven belangrijk is: geen enkele behoefte aan warmte en eenzelfde manier van door het leven gaan. Mijn broers en ik hebben van dat loopje nog iets nonchalant mannelijks weten te maken, maar bij Birgit en Anne is het altijd een weinig elegant schouwspel gebleven.

Ik heb, vanachter mijn verrekijker, gezien hoe Birgit halverwege het pad bleef staan om haar weekendtas aan een andere schouder te hangen en haar jas om haar middel te knopen. Na een paar honderd meter verhuisde de tas opnieuw. Normaal haal ik mijn gasten op van de boot, maar Birgit is al een aantal dagen op het eiland. ’Management-cursus’, meldde ze van de week telefonisch op zo’n irritant en aangeleerd zakelijk toontje.

Het zal wel. Doorgaans leiden dit soort cursussen vooral tot een overmaat aan stadse brallerigheid in de café’s hier in het dorp en groepsgedrag dat naar mijn mening om straffe leiding vraagt, maar dat schijnt nou juist weer niet binnen de opzet van de training te passen. ’Even uit de band springen’ is goed voor het moreel en de teambuilding, heet het. En dat moet dan hier, want in de eigen omgeving kan dat blijkbaar niet. Het leek Birgit in ieder geval een mooie gelegenheid om mij eindelijk eens te bezoeken. „Het leven gaat door, Maarten. Je kunt niet blijven weglopen voor de realiteit.” De arrogante trut.

Eigenlijk had ik het bezoek willen afwimpelen, een bezoek aan het vasteland voorwendend, totdat het ineens tot me doordrong dat hier de kans lag waar ik onbewust al een aantal jaren op heb gewacht. „Je woont hier prachtig.”

„Ja.”

Het huis is niet groot, maar ontleent een groot deel van zijn charme aan de bouw – voordeur in het midden, aan weerszijden grote ramen met luiken – en de ligging. Ik heb een weids uitzicht over de weilanden, totdat je blik stokt op de dijk langs de waddenzee. Daarboven de eindeloze luchten. Het ochtendlicht is altijd weer anders, maar steevast prachtig. Achter het huis, tegen de duinrand, ligt een beschutte tuin, waar in deze tijd van het jaar nog lang de avondzon binnenvalt. Vanmorgen heb ik er de tuinstoelen neergezet. Het lijkt bijna uitnodigend.

Ze is niet onmiddellijk gaan zitten. Terwijl ik koffie zet en de aardbeientaart in punten snijd, dwaalt ze wat door keuken en kamer. Raakt terloops wat spullen aan. Ik zie hoe ze blijft dralen bij de vleugel waar het groepje ingelijste foto’s staat.

„Goh, dat je die nog hebt...”

„Waarom zou ik ze wegdoen?” Het vervult me met woede hoe ze blijft proberen het verleden uit te wissen. Ze lijkt het te voelen en verlegt haar koers via de serre naar de openstaande tuindeuren.

Als we buiten zitten en zij in haar koffie roert, bekijk ik haar eens rustig. Het is wonderlijk hoe vreemd iemand je kan zijn, ook al heb je elkaar al bijna een levenlang meegemaakt. Maar wat is nabijheid? Het is een vraag die ik me de laatste tijd vaak stel. Een antwoord heb ik niet.

Ze vertelt wat over haar werk, we vermijden het verleden. Ze morst aardbeien op haar bloesje, maar ziet het niet. Vandaag werkt alles mee.

„Zal ik je de tuin laten zien?” Mijn stem klinkt me vreemd in de oren, maar ze lijkt het niet te merken. Dankbaar voor mijn plotselinge toeschietelijkheid staat ze op.

Ik wijs haar de bijzondere duinplanten, schets waar ik heb moeten ingrijpen om de bescheiden moestuin te creëren die ik nu heb. Dan lopen we richting de kasten. Ik loop achter haar, versper zodoende op voorhand een al te makkelijke terugweg.

„Je houdt bijen?”

„Ja. Terschellinger honing doet het goed bij toeristen...”

Ze deinst instinctief terug, ik ben erop bedacht en omklem liefdevol haar schouders. Samen naderen we de kasten waaruit een onafgebroken gezoem opklinkt. Ik trek haar wat dichter tegen me aan. Broederliefde tot het bittere eind. Ik voel de spanning in haar schouders, ze kijkt onzeker naar me op.

„Je weet toch dat ik allergisch ben?”

„Jazeker.” Met een handige beweging open ik de eerste bijenkast en er komt een zoemende zwerm naar buiten. Stuk voor stuk zijn ze betrekkelijk onschuldig, maar als groep vormen ze een hels wapen. De aardbeienvlek op haar kraagje heeft een duidelijke aantrekkingskracht.

In paniek deinst ze terug, maait wild met haar armen. Ze wil weglopen, maar ik houd haar stevig omklemd. Ze kijkt in paniek naar me op en haar blik verraadt dat de ontzagwekkende waarheid eindelijk tot haar doordringt. Ik open geroutineerd de tweede kast. Er zijn maar een paar steken nodig, de reacties in haar lichaam doen de rest. Het blijkt een kwestie van een paar, overigens toch nog eindeloze, minuten. Ze is sterker dan ik dacht, maar niet sterk genoeg. Dit is wat je noemt honingzoete wraak.

Straks, als het proces nagenoeg onomkeerbaar is en haar bloeddruk het gevaarlijke dieptepunt genaderd is, zal ik een ambulance bellen. Voordat die dan hier is zijn we ook weer een kwartier verder.

„Duidelijk geval van overmacht meneer. U heeft gedaan wat u kon.” Ik leg haar naast de tuinstoel en steek maar eens zo’n fijn sigaartje op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden