Review

Honing op het zadel

Laura Ingalls Wilder: 'Het kleine huis', 10 delen, ill. Garth Williams, vert. A.C. Tholema, Ploegsma, 11de druk, f 24,95 per deel, v.a. 8 jaar (deel 1 t/m 3), v.a. 10 jaar (deel 4 t/m 7, vanaf 12 jaar (deel 8 t/m 10); Colin Thiele: 'Vrij', ill. Erik Bosch, vert. Tjalling Bos, Ploegsma, 158 p, f 26,95, v.a. 10 jaar; Jan Hudson: 'Kleine Vos', vert. Anne Klein, Arion/Het Spectrum, f 24,90, v.a. 12 jaar.

Onvergetelijke klassiekers zijn er in dit genre. Bijvoorbeeld 'De kinderkaravaan'(1948), van An Rutgers van der Loeff, waarin zeven kinderen in het midden van de vorige eeuw lopend dwars door de Rocky Mountains trekken. Of de tiendelige reeks over 'Het kleine huis' (1932), die ook in het Amerika van de vorige eeuw speelt en onlangs terecht herdrukt is.

Schrijfster Laura Ingalls Wilder beschrijft daarin zuiver en gedetailleerd haar jeugd als kind uit een pioniersgezin dat leefde in de bossen en op de prairies van Wisconsin. Wolven en beren komen tot aan de palissade om het kleine huis, maar binnen is het veilig.

Ook eigentijdse auteurs wagen zich aan het genre. Het is veelal traditionele, degelijke jeugdliteratuur, met meer aandacht voor verhaalstructuur, spanningsopbouw en couleur locale dan voor schrijfstijl. De beste zijn niet uit nostalgie voortgekomen, maar uit eigen ervaring.

Veel Australische jeugdverhalen spelen zich af tegen het decor van een overweldigende natuur, zoals in 'Donderslag' van Libby Hathorn (dit jaar Vlag en Wimpel) en 'De loopvogel' van Colin Thiele.

Het nieuwe boek van Thiele, 'Vrij', is een pioniersverhaal over Duitse immigranten, die in Australie een boerenbedrijf opgezet hebben. Thiele, die zelf uit een immigrantengeslacht stamt, putte hiervoor uit zijn jeugdervaringen, waardoor hij allerlei details treffend realistisch weet uit te beelden. Het speelt in 1929 als door de wereldomspannende economische crisis de graanprijzen kelderen. Hoofdpersoon is de vrijgevochten twaalfjarige Emma, die graag naar de middelbare school wil, maar van haar vader, een Pruis van het autoritaire, vierkante soort, op de boerderij moet helpen. Een klassiek probleem, dat op de klassieke manier, namelijk door de inzet van Emma's onderwijzeres, en door op het eergevoel van vader te spelen, wordt opgelost. De onderwijzeres laat haar, zonder dat vader het weet, een examen afleggen waarmee ze een beurs wint, 'evenveel geld als de tarwe van de hele boerderij in een jaar opbrengt'. Voorts kan Emma volgens een progressieve dorpsgenoot vast wel dokter worden en voor de gedachte aan een dokter in de familie zwicht vader.

Superkind

Maar niet door deze overbekende problematiek is het boek interessant. Het is zelfs tamelijk vervelend dat Emma overal zo goed in is: ze is niet alleen intelligent, maar ook blust ze samen met haar zusje een brand in het korenveld, ze wint met een hardloopwedstrijd, speelt de hoofdrol in het schooltoneelstuk en verbindt een man die een schot hagel van een wraakzuchtige boer in zijn lijf krijgt. Zo'n superkind moet het wel ver schoppen, al komt ze uit een gemeenschap met een verstikkende moraal.

Nee, het verhaal boeit door de couleur locale: de fotografisch precieze beschrijving van het Australische platteland, de zinderende hitte van de zomer, de kleine cyclonen, het zuinig zijn met water, de geur van pasgemaaid hooi, graszaad en pompwater dat gemorst was in het stof, het zweet bij het hooien, de vijf soorten Duitse worst bij een picknick, de kippestront op de Ford van de dominee, de pasgemaakte inkt, de twee onderrokken, de afschuw van katholieke Ieren, het elkaar begluren in de kerk en het vrijers pesten door bijvoorbeeld een pot honing over het zadel van de motor van een ongewenste kandidaat te gooien. Bovendien weet Thiele rake beelden te gebruiken die goed in de boerensfeer passen, zoals 'zijn haar zag eruit als slecht gelucht hooi dat begon te schimmelen'.

Ook in 'Kleine Vos', van de vorig jaar op 33-jarige leeftijd plotseling overleden Canadese schrijfster Jan Hudson, is de natuur een imponerende achtergrond. Hudson heeft het verhaal geschreven op basis van documenten over het volk van de Zwartvoet-Indianen, die genoteerd zijn tussen 1730 en 1740, toen deze stam voor het eerst te maken kreeg met paarden en 'donderstokken'.

Het boek heeft nadrukkelijk positieve en negatieve kanten. Positief is dat terwijl de meeste Indianenverhalen over jongens gaan, de hoofdrol hier, net als in Hudson's vorige boek 'Sweetgrass', gespeeld wordt door een ondernemend meisje, dat als eerste van haar stam een paard, Vliegende Adelaar, weet te berijden. Maten en gewichten zijn aan de natuur en de eigen samenleving ontleend (een adelaar is vier handen lang) en ook de beeldspraak blijft consequent binnen het Indiaanse voorstellingsvermogen ('De buffels moeten als een snelstromende rivier achter me aankomen'; 'sneller dan een prairiebrand')

Positief is ook dat Karl May-achtig sentiment en moralisme ontbreekt; de stam is oorlogszuchtig en dat is normaal. Bloederige taferelen worden niet geschuwd. Als de stam een hele kudde bisons afslacht door ze in een afgrond te laten rennen is dat een feest waard, want dat levert vlees en huiden.

Culturele antropologie

Er komt echter een ander moralisme voor in de plaats: het is soms te duidelijk vanuit een 20ste eeuws feministisch perspectief geschreven. Zo wilde Kleine Vos 'iedereen bewijzen dat ze mannen- en vrouwentaken aankon' (hoewel zo'n gedachte niet helemaal onmogelijk is geweest bij de Zwartvoet-indianen, want deze stam kende een zekere mate van persoonlijke vrijheid). Jammer is ook dat Hudson teveel - op zich interessante - cultureel antropologische informatie kwijt wil, waardoor dialogen vaak onnatuurlijk klinken en de vaart uit de handeling gehaald wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden