Honderd voorwerpen

De honderd voorwerpen die in de Kunsthal zijn te bewonderen, vormen slechts een fractie van de overstelpende hoeveelheid materiaal die over de Tweede Wereldoorlog beschikbaar is. Gastcurator Ad van Liempt moest zichzelf soms geweld aandoen om niet meer dan honderd voorwerpen voor de tentoonstelling voor te dragen.

Dat oorlogsmusea en herdenkingscentra over zo'n gigantische hoeveelheid materiaal beschikken, laat zien dat Nederland grote waarde hecht aan oorlogserfgoed. Nog bijna dagelijks staan mensen bij musea - maar ook bij instellingen als het Niod - voor de deur met spullen die op zolder zijn gevonden. Zelfs een ruwe schatting van de totale omvang valt niet te maken.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei is blij met die grote hoeveelheid voorwerpen uit de oorlog, omdat die getuigt van een grote betrokkenheid. Volgens voorzitter Joan Leemhuis-Stout van het comité zijn er in ons land maar liefst 100 musea op oorlogsgebied, de vele particuliere collecties buiten beschouwing houdend.

Met de tentoonstelling 'De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen' wil het Nationaal Comité de bekendheid van oorlogsmusea vergroten. Leemhuis vindt dat veel oorlogsmusea de moeite van het bezoeken waard zijn. Uit het Nationale Vrijheidsonderzoek 2011 blijkt dat een groot deel van de Nederlandse bevolking geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog en in een bezoek aan een museum over dit onderwerp. Het is daarom volgens Leemhuis zo jammer dat een aanzienlijk deel van de musea niet bekend is bij het grote publiek. Deze tentoonstelling moet daar verandering in brengen.

Uiteraard is richting geven aan een zinvolle herdenking van de vijf oorlogsjaren en viering van de bevrijding de belangrijkste taak van het comité. Maar vlak achter die doelstelling ligt volgens Leemhuis een goede kennisoverdracht van de oorlogsgeschiedenis in Nederland. "De vraag die ons op dit moment bezighoudt, is: hoe houden wij in dit land deze kennis voorradig? We moeten constateren dat het aan een duidelijke infrastructuur ontbreekt om dat hele complexe verhaal van oorlog en bevrijding in één verhaal te vertellen.

"Dat elk regionaal museum met een regionale insteek het verhaal vertelt, is mooi", zegt Leemhuis. "Daar liggen de wortels van het museum, dat koestert men en iedereen wil dat voor het nageslacht bewaren. Daar willen we zeker niet aankomen. Wel hopen we dat na deze gezamenlijke tentoonstelling door de musea meer zal worden samengewerkt en dat er meer samenhang ontstaat zodat het complete verhaal van de Tweede Wereldoorlog wordt verteld."

Niod-onderzoeker Kees Ribbens, die als lid van de stuurgroep betrokken is bij de tentoonstelling in de Kunsthal, is het met het Nationaal Comité 4 en 5 mei eens dat nauwere samenwerking verstandig is. Hij vindt de nu gestimuleerde herbezinning door de oorlogsmusea en herinneringscentra een goede gedachte: hoe willen zij in de toekomst de Tweede Wereldoorlog verbeelden en presenteren?

Ribbens deed enkele jaren geleden onderzoek naar de wijze waarop musea in Nederland die oorlog presenteren. Daaruit bleek dat er een behoorlijk verschil in kwaliteit en professionaliteit is tussen de verschillende musea. "De meeste musea die hebben bijgedragen aan 'Honderd voorwerpen' werken behoorlijk professioneel, maar bij diverse kleinere instellingen ontbreekt een volledige registratie. Ook staat de conditie van veel kwetsbare spullen, zoals papier, textiel en films, onder druk."

Ribbens vindt het opmerkelijk dat de oorlog in veel presentaties wordt voorgesteld als een voornamelijk binnenlandse aangelegenheid, hoewel de oorlog bijna geen land in de wereld onberoerd liet.

In zijn onderzoek constateerde Ribbens dat de collecties van oorlogsmusea wat eenzijdig waren samengesteld. Dat komt deels doordat van oudsher het militaire aspect van de Tweede Wereldoorlog in de collectieve herinnering centraal heeft gestaan. Daarnaast was er een soort natuurlijke identificatie met de overwinnaars en slachtoffers. Dat sloot aan bij de heersende traditie om erfgoed vooral op te vatten als het positieve dat men verkiest te eren en te erven van voorgaande generaties.

"Aandacht voor de daders paste daarbij niet, en de drang om de gemaakte politieke keuzes van bijvoorbeeld NSB'ers beter te begrijpen al helemaal niet. Dat beheerders lange tijd minder belangstelling hebben gehad voor objecten uit de 'foute' wereld is jammer", zegt Ribbens. "Onderwerpen als accommodatie en collaboratie vormden, of we het nu leuk vinden of niet, essentiële onderdelen van het dagelijks leven in die bezettingsjaren."

Expliciete onwil is het niet geweest van museummensen, zo geeft Ribbens toe. "Er werd niet actief naar gezocht, maar het werd natuurlijk ook minder aangeboden. Nabestaanden van collaborateurs lopen niet te koop met die spullen. Tegenwoordig wordt er makkelijker over gesproken, maar dat is wel eens anders geweest. En als iets werd ingeleverd, gebeurde dat vaak anoniem. Dan ontbreekt de context, terwijl het juist draait om de verhalen die aan een voorwerp vastzitten. De 'foute' kant in musea blijft, kortom, vaak abstract."

In 'Honderd voorwerpen' is volgens Ribbens nadrukkelijk naar dat element gezocht om een zo evenwichtig mogelijk beeld van de bezettingsjaren te tonen.

Ribbens zou willen dat er naast het Verzetsmuseum ook een Dadermuseum of een Collaboratiemuseum zou verrijzen. "Denk bijvoorbeeld aan een expositie over het dagelijks leven van een zwarthandelaar of aan een expositie over de Atlantikwall gezien door de Nederlandse bunkerbouwers. Ik weet dat dit omstreden is en dat mensen hier boos over worden. Het besteden van aandacht hieraan betekent echter niet dat we de door die mensen gemaakte keuzen rechtvaardigen. We moeten van die koudwatervrees af. Het gaat om het bieden van een integraal beeld."

De Niod-onderzoeker pleit ervoor om vaker het perspectief te kantelen om zo bezoekers te laten nadenken over de diepere betekenis van de oorlog. "Nu lijken collecties soms een beetje op nostalgische stijlkamers die mikken op herkenning. Ik zou de lat voor de bezoeker hoger willen leggen."

Een andere discussie die volgens Ribbens van belang is voor musea gaat over de vraag wat wel en wat niet bewaard moet worden. "Ik heb het gevoel dat op dit moment alle spullen die mensen aanbieden een plek in het depot krijgen en dat niets wordt weggegooid. Feit is dat voor een afgewogen presentatie niet alles even waardevol is. Getuigt het van wetenschappelijke arrogantie om in spullen een scheiding aan te brengen? Misschien, maar je moet op een gegeven moment selecteren. Ik begrijp dat dat niet meevalt, omdat musea een direct contact met de gevers hebben die het heel waardevol vinden."

In dat kader stelt Ribbens voor dat musea ook eens zouden moeten nadenken over 'ontzamelen'. "Er zijn particuliere verzamelingen en daar hebben we niets over te zeggen. Maar er zijn ook musea die subsidie ontvangen. Musea met een serieuze taakopvatting mogen gerust eens met een stofkam door hun collecties gaan."

Ribbens vindt het niet vanzelfsprekend dat over dertig of veertig jaar de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog net zo groot is als nu. "Het is daarom verstandig om tijdig na te denken over een meer samenhangende presentatie. Zeker nu getuigen van de oorlogsgeneratie aan het uitsterven zijn."

Conservator Hans Groeneweg van het Fries Verzetsmuseum is positiever over de toekomst van de belangstelling voor de oorlog.

"De oorlog lijkt meer te leven dan ooit. De interesse is ongekend, terwijl het volgend jaar zeventig jaar geleden is dat de oorlog afliep. Er verschijnen over het onderwerp nog steeds boeken en speelfilms. Onlangs is 'Soldaat van Oranje' uitgeroepen tot de best lopende Nederlandse theaterproductie ooit."

Voor de langere termijn voelt Groeneweg zich gesterkt door de recente ontwikkelingen in buurlanden ten aanzien van de Eerste Wereldoorlog. "De start van die oorlog is dit jaar honderd jaar geleden, zonder dat het ook maar iets aan relevantie heeft ingeboet. In België en Frankrijk kun je na zo'n lange tijd nog prima terecht voor het complete verhaal van die oorlog."

Groeneweg geeft toe dat naast de professionele musea met vaste medewerkers er andere organisaties met collecties zijn. "Dat zijn verzamelaars en vrijwilligers die nog vol zijn van de Tweede Wereldoorlog en met veel passie hun museum draaiende houden. Ik weet dat zij moeilijk kunnen samenwerken en dat zij er moeite mee hebben om dingen weg te doen. Oorlog is emotie en dat zie je bij die mensen goed."

Met de kritiek van Ribbens dat collecties in veel gevallen eenzijdig zijn, is Groeneweg het eens. Professionele musea staan volgens hem dan ook voor de opgave om, al dan niet met regionale invalshoek, het volledige verhaal te presenteren. Het Fries Verzetsmuseum komt vanaf september dit jaar met een nieuwe opstelling van de collectie die pijnlijke thema's als collaboratie niet uit de weg gaat. De noodzaak van meer samenwerking ziet Groeneweg ook in en hij is blij dat zijn museum drie voorwerpen voor de tentoonstelling in de Kunsthal mag leveren.

De expositie 'De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen' is voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei niet de laatste actie om de samenwerking van museaal Nederland te vergroten. "Wat we precies gaan doen weten we nog niet", zegt voorzitter Leemhuis, "we wachten nog even de evaluatie af. We willen weten wat het ons heeft gebracht. Maar het is zeker dat we willen blijven investeren in de toekomstige infrastructuur voor die kennisoverdracht."

Bij het op peil houden van de kennis over de Tweede Wereldoorlog moet volgens Leemhuis ook de geschiedenisdocent op de middelbare school betrokken worden. Op 11 maart komen leraren geschiedenis en maatschappijleer naar de expositie om over dit onderwerp te praten. "We willen graag met hen filosoferen over de vraag hoe je dat het beste kunt doen, wat zij daarbij nodig denken te hebben. Laten we die discussie maar voeren, ik ben erg benieuwd."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden