Honderd jaar in twaalf tonen / City Life van Steve Reich

Het oor is behoudend. Muziekliefhebbers huiveren nog steeds van ontwikkelingen in de vorige eeuw zoals het vaarwel van Schönberg aan de tonale muziek. In een serie portretten probeert Trouw de angst voor moderne muziek weg te nemen. Vandaag het zestiende deel.

De grote kentering in het muzikale denken van Steve Reich (1936) moet het moment zijn geweest toen hij in 1964 de partituur 'In C' van zijn collega Terry Riley onder ogen kreeg. Na zijn studie compositie aan het vermaarde Juilliard conservatorium in New York, studeerde hij nog een tijdje bij Luciano Berio aan Mills College (Oakland). Alles in de beste traditie van het serialisme, de heersende stroming uit die tijd waarin de componist zijn materiaal klaarzette in schema's en voorraden om het daarna volgens strenge principes in de tijd te plaatsen.

Reich had een gezonde eetlust en combineerde zijn interesse voor de muziek van Béla Bartók met die van Igor Stravinsky, maar ook met die voor de naoorlogse jazz en Afrikaanse en Indiase ritmiek. Het was hem tijdens zijn studie bij Berio al opgevallen dat zijn medestudenten weliswaar zeer ingewikkelde en grootschalige muziek schreven, maar dat die nooit werd uitgevoerd bij gebrek aan een orkest. Toen hij op een avond John Coltrane in een jazzcafé zag optreden, besloot hij dat hij geen genoegen meer zou nemen met papieren muziek en richtte hij zijn eigen ensemble op. Reich probeerde er zijn eigen geluid in te ontdekken, dat in de vroege jaren zestig nog een beetje zweefde tussen streng serialisme, jazz en vrije improvisatie. Een onverenigbare driepoot, die Berio de vraag ontlokte: ,,Als je tonale muziek wilt schrijven, waarom doe je dat dan niet?'' En dat was ongeveer het moment dat Reich kennismaakte met Terry Riley.

Rileys 'In C' werkte als een schok. Het was niet atonaal, werkte niet met de constante rusteloze variaties die zo eigen waren aan het serialisme en was ritmisch niet asymetrisch. In plaats daarvan werkten componisten als Riley, La Monte Young en later Philip Glass met een vaste puls en lag de nadruk op tonale patronen die een zeer langzame metamorfose ondergingen over een lange strekke tijds. 'In C' was het bevestigende antwoord op Reichs vraag 'kan een tonale melodie revolutionair klinken?'.

Reich wilde die muziek van herhalende patronen naar zijn eigen hand zetten. Hij vond de oplossing van zijn probleem bij toeval, toen hij aan het werk was met zijn tape-stuk 'It's Gonna Rain' (1965). Gefascineerd door de bijna zangerige melodieën van spreekstemmen, nam hij voor dat werk een zwarte predikant op, knipte die toespraak (over de zondvloed) op in kleine woordpatronen en liet die in stereo door twee bandrecorders eindeloos herhalen. Een soort rap avant-la-lettre.

Omdat het ene apparaat net wat sneller liep dan het andere, begonnen de stempatronen langzaam ten opzichte van elkaar te verschuiven of uit fase te lopen. Eén stem die een soort elastieken canon met zichzelf voortbeweegt was de even simpele als geniale vondst die Reichs composities vanaf die tijd ging beheersen. Net zoals de zangstemmelodieën: in korte, herhalende patronen opgeknipte Amerikaanse spreekstemmen die Reich gebruikte als basismelodietjes.

Het is aardig te zien dat Reichs optreden in Nederland in 1972 een blikopener was voor Louis Andriessens, die daarna zijn eigen eenstemmige canons ging componeren in De Staat (1972). Andriessens beïnvloedde op zijn beurt in de loop der jaren Steve Reich weer. En dat is bijvoorbeeld te horen aan de akkoorden, de drive en de instrumentatie van Reichs meesterwerk 'City Life' (1995) voor ensemble.

In 'City Life' bezingt de componist niet de archaïsche natuur. Nee, het onderwerp van het vijfdelige werk is een metropool als New York met zijn autotoeters, dichtslaande portieren, sissende pneumatiek, metrobellen, heimachines, autoalarmen, hartslagen, bootshoorns, zeeboeien en brandweer- en politiesirenes. Allemaal verwerkt in samples die als basis dienen voor de popmuziek-achtige lijfelijkheid die Reichs werk zo eigen is.

Neem de opgenomen uitroep van de straatventer die met zijn ,,check it out'' de dansante looppas van hele eerste deel bepaalt. Of de hartslagen gecombineerd met bootsgeluiden, die het vierde deel zijn dromerig kabbelende karakter verlenen. Meer nog dan een lofzang is 'City Life' een muzikaal verslag te noemen. Dat blijkt wel uit het laatste deel 'Heavy Smoke'. Daarin hoor je een brandweerman waarschuwen voor zware rookontwikkeling, na de aanslag op het World Trade Center in 1993. Precies dat karakter is na 'City Life' de kern geworden van Reichs componeren. In werken zoals 'Three Tales' (1998-2002) herontdekte hij zijn joodse wortels en maakte hij samen met zijn vrouw (een videokunstenares) een nieuw soort muziektheater dat neigt naar een existentiële documentaire over technologie en ethiek. De geluiden van de straat lijken bij Reich langzaam te worden vervangen door de stem van het collectieve geweten.

In het voorjaar van 2004 zullen deze artikelen als boek plus cd verschijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden