Homoseksualiteit is onverenigbaar met identiteit van refo-school

De discussie is even hardnekkig als complex: kan het ’enkele feit’ dat een docent homo is, reden zijn om hem of haar niet aan te nemen op een reformatorische school?

Politici van vijf politieke partijen vinden (Podium, 29 oktober) dat de ’enkele feit’-constructie uit de Algemene Wet Gelijke Behandeling geschrapt moet worden. Want met die constructie zouden orthodox-christelijke scholen homoleraren weigeren. Dit is echter onjuist.

Het reformatorisch onderwijs heeft als orthodox-christelijke stroming een eigen identiteit, die is geworteld in de Bijbel. Deze identiteit wordt op zondag in de kerk beleden en gepraktiseerd in het dagelijks handelen thuis en op het werk.

Vanuit deze gedachte is ook de pedagogische visie van het reformatorisch onderwijs opgebouwd. De persoon van de leraar speelt daarin een belangrijke rol. De leraar is de drager van de identiteit en dient zich integer te gedragen. Hij is een persoon uit één stuk. De docent onderschrijft van harte de identiteit en dat krijgt vorm in het dagelijks handelen, dat dus niet in strijd kan zijn met de grondslag van de school en natuurlijk ook niet met zijn eigen, diepgewortelde overtuigingen.

De leraar deelt dus niet een aantal losse standpunten die de school ’toevallig’ heeft omtrent kleding of gedrag, maar is drager van één identiteit die in de grondslag van de school te vinden is. Docenten kiezen bewust voor reformatorisch onderwijs en willen niets liever dan de identiteit die daarbij hoort, overdragen aan leerlingen.

De pedagogische visie van het reformatorisch onderwijs houdt daarnaast in dat het gedrag en de keuzes van docenten niet in strijd mogen zijn met wat zij uitdragen aan de jongeren. Deze verbinding tussen ’leer en leven’ is belangrijk. Er moet eenheid zijn in spreken en handelen. Het alleen respecteren van de grondslag, wat volgens de vijf politici voldoende moet zijn, doet afbreuk aan de pedagogische relatie en brengt de leraar als identificatiefiguur in gewetensnood.

Daarom kunnen wij niet uit de voeten met de kritiek van de politici dat homoleraren worden geweigerd om het ’enkele feit’ dat zij homo zijn. Stel dat een sollicitant met een homoseksuele relatie zich meldt bij een reformatorische school. Dan gaat de school in gesprek. Het zal blijken dat de visie van de sollicitant op de Bijbel –en specifiek over de teksten die gaan over huwelijk en seksualiteit– zal verschillen van de grondslag van de school. Daarmee past hij niet bij de grondslag, die uitgaat van een bepaalde interpretatie van de Bijbel.

De keuze voor een homoseksuele relatie heeft implicaties voor de identiteit van de persoon. Het is dus onjuist dat met het ’enkele feit’ in de hand, leraren worden geweigerd op orthodoxe scholen. Het is veel breder.

De vijf partijen suggereerden in hun artikel dat binnen orthodoxe scholen verdeeld over homoseksualiteit wordt gedacht. Naast het feit dat de visies in de praktijk juist behoorlijk eenduidig zijn, is het onwenselijk dat politici zich hierover een oordeel vormen.

Onlangs twitterde Boris van der Ham dat bijzonder onderwijs ’onderscheid mag maken’ op geloof en kerkgenootschap. ’Maar niet meer dan dat’. Dat is precies wat de scholen doen: onderscheid maken op basis van geloof en kerkgenootschap. En dat geloof is een totaal van overtuigingen, geen voorraadje losse standpunten waarin men naar believen kunt shoppen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden