Hollywood in Urk

Dr. J. Theeuwes is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Leiden.

J. THEEUWES

Er is overcapaciteit in de visserij en bij de visbewerkers. Er moet ingekrompen worden. Visbewerken is ook om andere redenen een moeilijke bedrijfstak. De visaanvoer is zeer onregelmatig. Als het vangstquotum voor een kwartaal is gevangen, houdt het gewoon op. Bij stormweer is er nauwelijks aanvoer. Vroeger bestond er zelfs een stormweerregeling die voorzag in een uitkering aan bedrijven tijdens stilligperiodes. Er is veel nationale en internationale concurrentie. Visbewerken is met ruim 2 miljard omzet en circa 7000 personeelsleden geen grote bedrijfstak, maar ze hebben het moeilijk om het hoofd boven water te houden en dat weerspiegelt zich in de arbeidsomstandigheden.

In februari 1990 gingen de vrouwen die 's avonds de rolmopsen oprollen bij Ouwehand in Katwijk, in staking voor betere arbeidsvoorwaarden. Die kregen ze ook, maar de vakbond zag er toch aanleiding in om de Wetenschapswinkel van de Rijksuniversiteit in Leiden te vragen onderzoek te verrichten naar de arbeidsvoorwaarden in de visbewerkingssector. Twee onderzoeksters, E. te Brake en M. Duyvesteyn, publiceerden er in maart een dik rapport over.

In het rapport wordt verslag gedaan van een enquete onder 149 visbewerkers en -bewerksters. Ze doen vrijwel allemaal staand werk. Meer dan de helft klaagt over de temperatuur op het werk en heeft last van tocht en vocht. De vloeren zijn glad en vuil. Er is uitglijgevaar en fileersters werken met scherpe messen. Als we ooit een Nederlandse film maken over onze helden in de visbranche zijn dit natuurlijk ideale omstandigheden voor een adembenemende achtervolgingsscene. Maar het zijn geen ideale werkomstandigheden.

De verdiende lonen zijn niet onaardig. Een derde verdient op jaarbasis meer dan 2000 netto per maand, ongeveer het salaris van een beginnend jurist. Er wordt echter veel tegen prestatieloon gewerkt:in 28 procent van de gevallen, terwijl prestatieloon in de rest van de economie nognauwelijks voorkomt. Er is ook veel tijdelijk werk en werk op afroep. Zoals in de rest van de samenleving bestaat ook hier 'vrouwenwerk' en 'mannenwerk' en net als elders is mannenwerk ook hier leuker en wordt het beter betaald. Pensioen- en VUT-voorzieningen, aanvullingen bij ziekte, zwangerschapsverlof zijn niet altijd goed geregeld (daartegen gingen de vrouwen van Ouwehand in staking). Het is onregelmatig, zwaar, oninteressant, inhoudsloos werk. Gevolg is dan ook veel ziekteverzuim (13 procent tegenover 8 procent in de rest van de voedingsindustrie), groot verloop (drie kwart van de mensen werken minder dan vijf jaar bij hun baas) en werknemers die de grootste moeite hebben om mensen te vinden.

Waarom werken mensen nog in zo'n sector? Er zijn in onze economie toch zat goede banen met interessante sociale voorzieningen, dus waarom zou je in de vis blijven zitten? Als werknemers gemakkelijk van baan kunnen wisselen dan zullen ze altijd van slechte banen naar goede banen trekken. Om nog mensen te houden moeten slechte banen dan betere voorwaarden bieden. Uiteindelijk moeten alle banen even goed worden. Wisselen van baan kost tijd, de aanpassing zal niet flitsend gebeuren maar op het eind van de rit moeten we voor alle banen uitkomen op vergelijkbare arbeidsvoorwaarden. Uiteindelijk zit iedereen op een baan die hij niet meer met een ander zou willen ruilen. Dat was de visie van Adam Smith al twee eeuwen geleden.

Er waren al snel economen die het met die optimistische visie van Smith niet eens waren en erop wezen dat er twee soorten banen bestaan:goede banen, met prima arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden en slechte banen die in alle aspecten onaantrekkelijk zijn. Er zijn twee markten, zeiden deze kritische economen, een primaire arbeidsmarkt en een secundaire en daar zit een schot tussen waar men niet overheen kan. Bij een primaire arbeidsmarkt moet je denken aan een groot bedrijf waar het voor de wind gaat en waar de werknemers mee profiteren en dus hoge lonen krijgen, goede sociale bescherming, medezeggenschap etcetera. De secundaire arbeidsmarkt is daar de tegenpool van. Visbewerkers zitten op de secundaire markt.

Belangrijk in deze discussie tussen Smith en de anderen is hoe mobiel werknemers zijn, hoe vlot mensen van slechte naar goede banen kunnen doorstromen. Als mensen gebonden zijn aan hun werk, niet weg kunnen of willen dan kan het mechanisme van Smith niet werken en komt er geen gelijkschakeling tussen banen. Gebrek aan mobiliteit kan ontstaan omdat mensen zich gebonden voelen aan de plaats waar ze wonen. Visbewerkingsbedrijven zijn van oudsher sterk regionaal geconcentreerd:Urk en rondom het IJsselmeer, Katwijk en omgeving. Het zijn tegelijk sterk geloofsgebonden samenlevingen. Misschien verklaart dat ook het enigszins merkwaardige resultaat in de enquete dat ondanks de slechte arbeidsomstandigheden werknemers een vrij hoog arbeidsethos

itten en in grote meerderheid tevreden zijn met hun werk. Of zou dat toch de trots zijn om te behoren tot onze nationale visserijmythe?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden