Hollandse meesters

Ik weet ook niet wat een Nederlander is.

Daarom ging ik op onderzoek uit bij een van de voornaamste musea van dit land: het Mauritshuis in Den Haag. Daar hadden ze, anticiperend op de controverse die Máxima zou veroorzaken, een tentoonstelling voorbereid die de titel ’Hollanders in beeld’ droeg – een overzicht van de portretkunst in de Gouden Eeuw.

De Gouden Eeuw, daar moesten Hollanders op hun best te zien zijn en omdat we het hier over het Mauritshuis hebben, mochten we verwachten alleen het allermooiste schilderwerk aangeboden te krijgen.

Het museum stelde niet teleur. Vanaf de fraaie wanden van de bovenverdieping van het huis staren ons tientallen Hollanders aan, met die typische, wat gelige complexie in het gelaat en appelrode wangen en glimmende neuzen. Tot 1650 gaan ze bij voorkeur in zwarte kostuums en witte molensteenkragen gekleed, daarna wordt het modebeeld iets frivoler, kleurrijker, verfijnder en ook, zo lijkt het wel, minder Hollands. Neem het familieportret dat Nicolaes Maes in 1676 schilderde. We zien een gezin in een parkachtig landschap met een fontein. De gezinsleden gaan gehuld in merkwaardige omslagdoeken en fantasiekledij die vaag ’Romeins’ aandoen, kennelijk uit de behoefte om een tijdloze indruk te maken. Tijdloos lijkt me hier al bijna een afkorting van identiteitloos, van die internationale stijl die men later kosmopolitisch is gaan noemen.

Maar dat is uiterlijk, dat is wat men bij de schilder kon bestellen. Maar die gezichten, die blijven Hollands, bleekjes afstekend tegen die iets te dure kleding die ons in olie tegemoet glanst.

En wat zeggen ons die oer-Hollandse gezichten?

Ik hoor de conservator een paar karakteristieken noemen, passend bij de gloriedagen van de Republiek. Trots, strijdbaar, een tikje zelfvoldaan misschien. Waar men elders in Europa alleen edelen en leden van vorstenhuizen portretteerde, daar portretteerde men in de Noordelijke Nederlanden regenten, hoogleraren, artsen en kooplieden, kortom de gegoede burgerij. Hun welvaart was hen niet bij geboorte in de schoot geworpen, ze hadden ervoor gewerkt en dat is in die gezichten te lezen. Dat was ongetwijfeld typisch Hollands toen. Maar ik pijnig mijn hoofd over de vraag wat er nog van over is.

En dan zie ik het. De lijn, de genealogie.

In Rembrandts Portret van een Oude Man (1667) herken ik een Johan Derksen op leeftijd, in het dubbelportret dat Gerrit van Honthorst maakte van Frederik Hendrik en Amalia van Solms (1637) zie ik duidelijk Guus Hiddink in het gelaat van de stadhouder, en schilderde Jan Claesz in het portret van koopman Albert Sonck (1602) ook niet een beetje Arjen Robben mee?

Volg de aanwijzing van de meesters. Beter voetballen moeten we, dan komt die identiteit van zelf terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden