Hollandse kunst in Amerikaanse musea

Steeds vaker komen museale presentaties van oude Nederlandse meesters uit de Verenigde Staten. Voorbeelden zijn Vermeer in het Mauritshuis, Jan Steen in het Rijksmuseum en de Utrechtse Caravaggisten in de Londense National Gallery. Al die exposities waren door Amerikaanse specialisten samengesteld, vaak op basis van werken die zij in eigen land aantroffen. Nederlandse kunst is zeer in trek in Amerika. Dat verhaal kent een voorgeschiedenis: de populariteit dateert van minstens een eeuw geleden toen particuliere verzamelaars de fundamenten legden voor musea die nu fabelachtige kunstschatten bevatten. Het verhaal over hoe die musea tot stand kwamen in meer afleveringen. Vandaag deel 1: Boston en Isabella Stewart Gardner.

Luchthavens lijken allemaal op elkaar. Hun architecten kennen slechts één enkel probleem om op te lossen: hoe krijg je zoveel mogelijk mensen in en tegelijk uit het vliegtuig. Aan- en afvoerwegen spelen daarin geen grote rol, laat staan dat de reizigers langer dan noodzakelijk ter plekke worden vastgehouden.

Bostons Logan International Airport, een schiereilandje in de (marine)haven dat als een appendix aan de stad hangt, vormt op die regel geen uitzondering. Weinig moeite is gedaan om het noodgedwongen verblijf hier ook maar enigszins aangenaam te maken. De aankomende reiziger merkt dat er alles aan gedaan wordt om hem zo snel mogelijk de deur uit te werken, afgezien van het in de VS altijd zo lastige onderhoud bij de immigratiedienst. Eenmaal op weg naar de uitgang passeer je alleen nog maar de bekende autoverhuurkantoortjes. Daar blijkt de dienstdoende dame weinig fiducie in haar eigen product te hebben. De auto die ze aanbiedt, blijkt volgens haar zeggen een veel te kleine Japanner te zijn die de Europeaan op zijn lange reis door de Verenigde Staten snel zal opbreken. Bij aankomst op de verhuurterminal blijkt het beloofde Japannertje een potente Amerikaan te zijn, een sneeuwwitte Pontiac Sunfire met een lage, gladde snuit.

Het blijkt al snel een vergissing te zijn om de hoofdstad van Massachusetts met de auto te bezoeken. Doorgaans levert dat in een op eigen vervoer ingesteld land als de Verenigde Staten geen probleem op: parkinglots everywhere is een slagzin waar menige Amerikaanse stad bezoekers naar downtown lokt. Maar Boston is geen Amerikaanse stad en wil liever geen auto's in de binnenstad. De luchthaven ligt tegen het stadshart aangeklikt, maar door slecht geplande toegangswegen duurt het een half uur voordat je uit de vliegsfeer bent geraakt. Om er vervolgens achter te komen dat Boston een stad is waar de mensen net als in Europa gewoon op straat lopen. Dat klinkt banaal, maar in Amerika is op straat lopen een hoogst ongebruikelijke activiteit. Behalve in Boston zie je alleen in Chicago, New York, New Orleans en Washington mensen een langere wandeling dan een blokje verderop maken. Naast de typisch op Engeland georiënteerde architectuur bezorgt het voetgangersverkeer Boston zo'n Europees karakter.

Van Europese sfeer is de stad doordrenkt. Daar was al honderd jaar geleden van sprake, toen hier golven emigranten neerstreken uit wat toen zo mooi de Oude Wereld werd genoemd. De wat stijve Britten bepaalden de leefsfeer in de stad, die al snel het intellectuele centrum van het land werd. Met enkele universiteiten in de buurt (Harvard in het naburige Cambridge) trok de stad vooral wetenschappers en denkers aan, maar in hun kielzog ook handels- en zakenlieden. Tot die laatste categorie behoorde het echtpaar David en Adelia Smith Stewart die rijk werden van de handel in Iers linnen en in de mijnbouw. Stewarts naam had geen grote klank gekregen als ze niet een dochter hadden gekregen die op vroege leeftijd roem met haar intellectuele inzichten verwierf. Isabella Stewart, die later de naam van haar man Gardner achter haar eigen naam voegde, werd een van de aanzienlijkste vrouwen in het laat-negentiende eeuwse Boston. Met haar door en door Europese smaak had ze niet alleen grote invloed op de cultuur van haar tijd, ze werd ook een voorbeeld dat decennia lang zou worden nagevolgd. In het Victoriaanse Amerika deed Isabella Stewart Gardner namelijk iets dat tot dan toe ongewoon was: ze verhief haar stem als vrouw, maar gedroeg zich als man. Robert Hughes schreef over haar in zijn briljante studie 'Amerika's visioenen': “Ze dronk bier, ze rookte sigaretten, ze nodigde eens een bokser in zijn sportbroekje uit om haar vriendinnen zijn uiterlijk te laten bewonderen.”

Haar naam is voorgoed verbonden aan het kunstmuseum dat in een parkachtige buitenwijk van Boston staat. Maar veel meer nog echoot haar naam door in vrijwel elk groot museum in Amerika dat zijn wortels heeft in het einde van de vorige eeuw, toen particulieren hun collecties omzetten in openbaar toegankelijke musea. De meesten van hen hadden doorgaans grote fondsen die zij voor het verwerven van kunst konden aanwenden, maar velen ontbrak het aan smaak en kennis om hun collectie op een hoog niveau te brengen.

Isabella Stewart Gardner (1840-1924) kreeg de Europese cultuur met de paplepel ingegoten. Al op 16-jarige leeftijd werd ze door haar ouders naar Parijs en Italië meegenomen. In Milaan zag ze bij een particulier zulke prachtige schilderijen aan de wand dat ze besloot om ze zelf te gaan verzamelen. Die Milanees was Gian Giacomo Poldi Pezzoli die in zijn collectie behalve keramiek, bronzen en tapijten een groep Italiaanse renaissance-schilderijen had. Het waren deze meesters die een onvergetelijke indruk op de jonge vrouw maakten.

Toen ze in 1860 met Jack Gardner trouwde en ze daarmee in een van de rijkste families van dat moment terechtkwam, besloot ze haar leven aan de interesse voor (Italiaanse) kunst te wijden. Met haar man ondernam ze avontuurlijke reizen die hen naar de Noordkaap, Sint Petersburg, Moskou en Novgorod brachten om via Wenen en Parijs weer naar huis terug te keren. Binnen enkele jaren reisden de Gardners ook naar plekken buiten Europa, met Egypte, Nubië en Palestina en later zelfs ook China, Japan, Cambodja en Indonesië op het programma. In de laatste jaren van de vorige eeuwen waren dat nog niet echt toegankelijke landen, maar Isabella Stewart slaagde er in om overal contacten te leggen die haar inlevingsvermogen op scherp stelden. In menig land slaagde ze er in vriendschappen te sluiten, met kunstenaars die speciaal voor haar werk zouden maken. Zo ontmoette ze in Engeland de toen al bekende schilder James McNeill Whistler die haar later heel flatteus zou portretteren. Navenant was haar band met die andere populaire portrettist John Singer Sargent, van wie ze op een zeker moment ruim zestig werken in huis had.

Gaandeweg begon ze zich als een beschermvrouwe van de kunsten te gedragen. Kunst die vooral uit de renaissance dateerde, want dat bleef haar favoriete tijd. Ze baseerde zich voor haar keuzes op Jakob Burckhardts boek 'Kultur der Renaissance in Italien', dat tot ver in deze eeuw door kunsthistorici als dé leidraad voor renaissance-kunst werd beschouwd. Tegelijk identificeerde ze zich met een andere roemruchte vrouw uit de Italiaanse geschiedenis, Isabella d'Este, de markiezin van Mantua. Deze dame had een collectie schilderijen met namen als Mantegna, Bellini, Perugino en Coreggio. Dat was een kleine verzameling en Isabella Stewart Gardner wilde vooral een grote collectie. Dus werd er stevig aangekocht. Uit haar salon van kunstliefhebbers en kunstenaars (een salon die gefrequenteerd werd door illustere lieden als de zangeres Nellie Melba, de cellist Pablo Casals en de kunsthistoricus Bernard Berenson) recruteerde ze de kunstexpert Charles Eliot Norton wiens lezingen aan de Harvard University ze met grote aandacht volgde. Norton werd haar raadgever waar het om aankopen van boeken en manuscripten ging, terwijl Berenson haar bij het verwerven van schilderijen adviseerde.

Toen haar vader in 1891 overleed, erfde Isabella Stewart een vermogen van 1,75 miljoen dollar. Vanaf dat moment kon ze zich dure aankopen permitteren. In 1894 stuurde Berenson aan op de aanschaf van de 'Tragedie van Lucretia' van Sandro Botticelli en twee jaar later, in 1896 raadde hij tijdens een verblijf in Engeland haar dringend aan om Titiaan's 'De roof van Europa' aan te kopen. Het schilderij, dat 100 000 dollar moest kosten - toen een exceptioneel bedrag - was eigendom geweest van de graaf van Darnley en de voorgenomen verkoop van het werk naar het 'barbaarse' Amerika veroorzaakte in Engeland een schok. Isabella Stewart voelde zich daardoor evenwel niet weerhouden en in een gecodeerd telegram aan Berenson gaf ze hem haar fiat over de aankoop met één kort woord: Yeup! Hetgeen de afkorting was voor 'Yes to Europa!'.

“En vanaf nu”, schrijft Robert Hughes in 'Amerika's visioenen', “zou de uitvoer van renaissanceschilderijen vanuit Europa naar Amerika pas goed op gang komen. De naakten van meesters wier prachtige namen eindigden op 'in', 'ano' en 'elli' vlogen rechtstreeks in de hunkerende armen van vleeskoningen, kruideniers en spoorwegmagnaten. Niet al deze mensen waren echte verzamelaars. Sommigen bouwden enorme collecties op van kunstwerken die individueel weinig waarde hadden.”

Met de collectie van de Gardners was dat niet het geval. Nog in hetzelfde jaar dat de Titiaan werd aangekocht, konden ze ook de hand leggen op een Vel zquez en een van die toen ook al zo zeldzame Vermeers, het beroemde 'Concert'. Naarmate de collectie aanzienlijker werd, groeide de behoefte om het werk aan het publiek te tonen en er in ieder geval een ruimere behuizing voor te vinden. Om haar ideeën voor zo'n museum te concretiseren reisde Isabella met haar man naar Venetië, waar ze eerder in het Palazzo Barbaro had gelogeerd. Ze liet zich er voorlichten over oude bouwtechnieken en wist de hand te leggen op historische bouwmaterialen die in het nieuwe huis zouden worden opgenomen. Terug in Boston kochten de Gardners een stuk grond in Fenway, een nieuwe stadsuitleg. Ze zou de naam van de wijk aan het huis verbinden: Fenway Court. Niet ver daar vandaan werd de Symphony Hall gebouwd, het onderkomen voor het Boston Symphony Orchestra en praktisch in de voortuin van het toekomstige Gardner Museum lag het terrein waar het nieuwe Museum of Fine Arts gebouwd zou worden. De Gardners waren dus onderdeel van een culturele driehoek waarin ze zelf de toon wilden zetten. Jack Gardner zou het niet meer meemaken, hij stierf onverwacht in 1898, drie jaar voor Fenway Court gereed zou komen.

Isabella was ontwerper en opzichter tegelijk, waarbij ze er voor zorgde dat renaissancistische bouwprincipes zo veel mogelijk gehandhaafd werden. Het museum is bijvoorbeeld geheel van steen opgetrokken en kent geen stalen skelet. Als je het tegenwoordig bezoekt, vallen er heel andere zaken op. Je waant je daar in Boston in Europese sfeer, Italiaanse sfeer beter gezegd. Want het museum is niets meer of minder dan een heus Venetiaans palazzo. Dat wel een beetje vreemd uitvalt, want de ontwerpster heeft de traditionele palazzogevels uit de lagunestad gebruikt om er de binnenhof mee te bouwen. Kern van het gebouw is een met glas overdekte binnenhof die omgrensd wordt door vier gevels. Deze bevatten acht loggia's die uitzicht bieden op de tuin. De binnenplaats, volgezet met renaissance-beelden, palmen, klaterende fonteinen en op de grond een Romeins mozaïek, vormt letterlijk een oase tussen de kunst.

Isabella Stewart, die altijd in haar eigen museum is blijven wonen - tot haar dood in 1924 resideerde ze op de derde verdieping die nog altijd niet bezocht kan worden -, bepaalde in haar testament dat het gebouw na haar verscheiden zonder aanpassingen of veranderingen voor het publiek toegankelijk moest blijven. Er mocht zogezegd nog geen schilderij verhangen worden, laat staan uitgeleend.

Wie het museum nu bezoekt, ziet dan ook veel schilderijen die uit de literatuur bekend zijn, maar die nooit op tentoonstellingen elders zijn geweest. Vijftien van die meesters zijn echter sinds 1990 verdwenen. Ze werden in dat jaar weggehaald door een gezelschap heren dat zich had verkleed als politie-agent om zo de mooiste doeken mee te nemen. Daar zaten Vermeers 'Concert' en 'De obelisk' van Govert Flinck bij. Van beide schilderijen kun je in de Dutch Room nog zien waar ze zich bevonden. Het ezeltje waar Vermeer tegen aan stond, vermeldt de diefstal. Van de Flinck hangt de lijst nog altijd aan de muur, kennelijk in afwachting van de terugkeer van het werk. Geen van de vijftien schilderijen zijn tot nu toe boven water gekomen.

Overschaduwde Vermeer het belang van de andere aanwezige Nederlanders, sinds de diefstal verschuift de aandacht naar het zelfportret van Rembrandt en het portret van Anthony van Dijck. Samen met de Hans Holbein de jonge (die natuurlijk geen Nederlandse meester is) en de Zuid-Nederlandse meester Anthonis Mor bevat de Dutch Room nog altijd een rijtje toppers dat de kunstliefhebber niet kan versmaden.

De mecenaatsrol van Isabella Stewart Gardner weerhield musea elders in de stad er niet van om zelf collecties van Europese kunst aan te leggen. Het Museum of Fine Arts werd zelfs een geduchte concurrent van de Gardners, zeker na de nieuwbouw die in Fenway werd neergezet. Naar grootte maar ook inhoudelijk gezien, werd het nieuwe MFA, dat om in Europese sfeer te blijven een Grieks portaal kreeg, een veel belangrijkere collectie. Je kunt er alleen al van de Nederlandse kunst een heel goede doorsnee-collectie zien, die reikt van Rogier van der Weyden en Hans Memling via Aelbert Cuyp, Rembrandt en Jan Steen tot Lawrence Alma-Tadema, Matthijs Maris en Vincent van Gogh (maar liefst vier stuks, waar onder het portret van postbode Roulin en diens echtgenote madame Augustine Roulin oftewel La Berceuse).

En ook in het Fogg Museum, opgericht met fondsen van de kunstverzamelaar Henry Fogg die zijn fortuin in de theehandel maakte en nu een onderdeel van Harvard University Museums in buurgemeente Cambridge, schreeuwen de Hollandse meesters in dit op de vroeg-renaissance geïnspireerd gebouw (de gevel is een kopie van de Kerk van de Madonna in San Biaggio in Italië) om het hardst om aandacht. Maar in het Fogg Museum gaat het niet zozeer om de smaak van een alles beheersende figuur. Dit universitaire museum doet al decennia lang een beroep op oud-studenten om het instituut met een schenking te herdenken. Vandaar dat je Rembrandts 'Portret van een oude man' met het opschrift 'Schenking van Lettie G. Naumburg' kunt aantreffen en een 'Waterval' van Jacob van Ruisdael met 'Gift van Helen Clay Frick' ondertiteld ziet. Maar geen van deze twee musea heeft, ondanks het feit dat hun collectie in totaliteit veel belangrijker is dan die van het Gardner-museum, de smaak van zijn oprichter weten te handhaven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden