Hollandse kunst als toonbeeld van Amerikaanse beschaving

Steeds vaker komen museale presentaties van oude Nederlandse meesters uit de Verenigde Staten. Veel van die exposities zijn door Amerikaanse specialisten samengesteld, vaak op basis van werken die zij in eigen land aantroffen. Nederlandse kunst is zeer in trek in Amerika. Dat verhaal kent een voorgeschiedenis: de populariteit dateert van minstens een eeuw geleden toen particuliere verzamelaars de fundamenten legden voor musea die nu fabelachtige kunstschatten bevatten. In deel 2 van de serie 'Hollandse meesters in Amerika' onder meer een bezoek aan Toledo, Ohio, waar Edward Drummond Libbey voor het plaatselijk museum een schat aan Hollandse meesters bijeenbracht.

Op de kaart, ook een goed gedetailleerde als die van de staten rond de Grote Meren, heeft Oberlin, Ohio, de afmetingen van een vlek. Het is trouwens helemaal een aardige geste van de kaartenmakers dat ze het plaatsje vermeld hebben. Op de snelweg heeft Oberlin niet eens een eigen afslag, zodat je er ongemerkt aan voorbijrijdt. Ergens midden in dat vlakke, nondescripte land moet het liggen. Toch zijn er redenen om ernaartoe te gaan. Op een kleine vijftig kilometer van grote broer Cleveland is hier een universiteit te vinden, die in weerwil van zijn landelijke faam vooral gemoedelijkheid en gezelligheid uitdrukt. Het grotestadsleven is hier onbekend, alles gaat er traag zijn gangetje. Wie zei dat de Verenigde Staten zo'n dynamisch land waren?

Oberlin is niets meer dan een campusstadje, van begin tot het eind van Main Street volgezet met neo-classicistische gebouwen in een parkachtige omgeving. Beheerst Oberlin College het hele plaatsje, pal in het centrum dat niet meer is dan een vierkant plantsoen, zijn het de culturele voorzieningen die rug aan rug met kerken, een paar overheidsgebouwen en een enkel hotel met restaurant welcome to non-residents het openbare leven bepalen. En, prominent aan het parkje gelegen, het museum. Met een onpraktisch lange naam die in Amerika gewoontegetrouw eerbetoon brengt aan zijn stichter: The Allen Memorial Art Museum of Oberlin College, kortweg de AMAM.

Het museum wil in het stedelijk leven geen ondergeschikte rol spelen en entameert daarom allerlei plaatselijke activiteiten. Een recent voorbeeld daarvan was het plan om in het plantsoen tegenover het museum een nieuwe muziektent te bouwen op de plek waar ooit een originele bandstand had gestaan. Er werd een boek gemaakt met veel nostalgische foto's van luie zondagnamiddagsfeer in Oberlin en met de complete geschiedenis van de Amerikaanse muziektenten. En er kwam een wedstrijd voor architecten uit het hele land om een ontwerp voor een eigentijdse muziekhal te maken, wat weer leidde tot een tentoonstelling in het museum.

Maar je gaat natuurlijk niet naar het Oberlin Museum om er schetsen voor een muziektent te bekijken. Het AMAM is in de eerste plaats belangrijk voor de kunst die er verzameld is. Kunst die haar wortels in Europa heeft, en in Nederland in het bijzonder. Wat de vreemde situatie oplevert, dat je hier midden in nergensland plotseling geconfronteerd kunt worden met een delicaat geschilderd interieur van de Oude Kerk in Delft, gemaakt door de 17de-eeuwse kerkenschilder bij uitstek, Emanuel de Witte. Of met een Rijngezicht van J. J. C. Spohler (1837-1923), ook in eigen land een veelgezocht romanticus omdat hij heimweegevoelens naar 'de goede oude tijd' zo handig wist te bespelen. Spohler hangt in het museum in een toepasselijk 19de-eeuws kader, waarin bijvoorbeeld ook Jozef Israëls, Anton Mauve, Jan Weissenbruch en een vroege Piet Mondriaan (uit zijn Brabantse periode) figureren.

Wat heeft Oberlin met Nederlandse kunst, vraag je je af bij het zien van deze collectie. Dat er zowel 16de-, 17de- als 19de-eeuwse schilderkunst is verzameld, zou nog te maken kunnen hebben met de wens om de kunstgeschiedenis volledig te kunnen volgen. Maar het AMAM heeft die behoefte helemaal niet. Er wordt volgens zeggen van het museum nauwelijks gestreefd naar het tonen van alle periodes. De taak om het publiek (lees studenten) op te voeden staat centraal. En dat al sinds de oprichting van het museum, in het begin van deze eeuw. Oberlin gebruikt de Nederlandse schilders met namen als Abraham Bloemaert (zijn 'Heuvellandschap' uit 1657 wordt door het museum als het vroegst gedateerde werk van de Utrechtse schilder genoemd), Job Berckheyde, Maerten van Heemskerck, Jan Steen en Jan van Goyen om een beeld van de 16de- en 17de-eeuwse cultuur in de Lage Landen te geven. Een soort openbare lezing waar de studenten van de kunsthistorische opleiding permanent te rade bij kunnen gaan.

De collectie is breed, maar wordt overzichtelijk gepresenteerd, waarbij er op gelet wordt dat de topstukken voortdurend aanwezig zijn. Op die manier betekent het uitlenen van de meest geliefde schilderijen natuurlijk niets minder dan een ramp.

Toch leende het AMAM dit jaar een van zijn mooiste schilderijen uit. Het ging om een voorstelling van de caravaggist Hendrick Terbrugghen ('St. Sebastiaan, verzorgd door St. Irene', uit 1625) voor een tournee van Utrechtse 'licht-donker' schilders langs musea in Amerika en Londen. Om die tijdelijke aderlating adequaat op te vangen vroeg het AMAM in ruil daarvoor aan het Fine Arts Museum in San Francisco (ook geen onbeduidend museum als het om Nederlandse kunst gaat) om het beroemde 'Portret van Joris de Caullerij' van Rembrandt een tijdje op zicht te krijgen. Het schilderij werd tijdens de presentatie omgeven met verschillende Rembrandt-etsen uit eigen bezit. Op die manier kon tijdelijk ook worden voorzien in een omissie die zich in Oberlin zo pijnlijk zichtbaar is. Want de collectie kan nog zo mooi zijn, het ontbreken van een schilderij van Rembrandt wordt als een groot gemis ervaren.

Ooit had het Oberlin Museum een Rembrandt kunnen hebben, als een van de grondleggers van de collectie niet tegen een fake was opgelopen. Charles F. Olney (1834-1903) had een brede smaak voor Europese schilderkunst, maar was helaas niet al te kritisch in zijn aankopen. Eens moet hij een portret hebben gekocht, dat op grond van een wat al te snelle conclusie aan Rembrandt werd toegeschreven. Kort na zijn dood werd zijn bezit het museum binnengedragen, een collectie die werd omschreven als 'wisselend van kwaliteit en visie'. De Rembrandt viel al in 1908 af om voortaan te worden toegeschreven aan 'een schilder uit de Spaanse school'. Toen het werk in 1953 werd afgestoten, heette het doek 'Spaans, 17de eeuw, portret van een man'.

Olney zat er met zijn aankopen wel vaker naast. Een Adriaen Brouwer werd bij de verkoop in 1947 omschreven als 'Vlaams, laat-17de-eeuws, naar David Teniers' en wat een Gerard Dou zou moeten zijn, heette bij dezelfde opruiming plotseling 'Nederlands, 17de eeuw, naar Caravaggio'. Tegenwoordig staat Olney's naam bij nog maar weinig Hollandse meesters in het museum vermeld. Des te meer duiken ze op bij twee andere grote collectionneurs uit de geschiedenis van het museum. Nog altijd worden oude meesters aangekocht met hulp van een fonds dat genoemd is naar R. T. Miller, een van de belangrijkste erflaters in Oberlin. Niet zelden valt daarbij ook de naam van mevr. F. F. Prentiss. Zij blijkt de weduwe te zijn van dr. Dudley Peter Allen naar wie het museum is vernoemd.

Dudley Peter Allen was in de vorige eeuw een van de bestuurders van Oberlin College. Allen bezocht tentoonstellingen en was zeer in kunst geïnteresseerd als educatief middel. Om in Oberlin het bezichtigen van tentoonstellingen en kunstcollecties mogelijk te maken moest een vereniging worden opgericht die exposities zou organiseren. Deze vereniging mocht wel kunst verzamelen, maar het ging toch vooral om het tonen van kunst.

Bij de oprichting van de Art Association in 1912 waren er nog geen speciale ruimtes voor exposities, zodat steeds naar ad hoc locaties gezocht moest worden. Zo groeide vanzelf de behoefte aan een permanente kunstzaal; Allen spande zich in om de benodigde fondsen bijeen te brengen. Helaas kon hij de bouw van het museum niet meer meemaken, hij stierf in 1915. Zijn weduwe, belast met de taak om een architect te vinden, richtte haar verzoek aan Cass Gilbert die al meer universitaire gebouwen in het stadje had neergezet. Gilbert wist niets beter te verzinnen dan weer zo'n Antiekentempeltje neer te zetten.

De bouw verliep zo snel dat het museum al in 1917 kon opengaan. Voor collectionneurs betekende dat een enorme stimulans, de verzamelingen stroomden vanaf dat moment het museum binnen. Tussen 1940 en 1950 werd R. T. Miller met zijn jaarlijkse giften de belangrijkste weldoener, maar ook Allens weduwe liet zich niet onbetuigd. Zo schonk ze een bosgezicht van Meindert Hobbema en stelde ze fondsen beschikbaar voor verdere aankopen en voor de onderhoud van het gebouw.

Allen en zijn echtgenote kwamen verhoudingsgewijs laat tot de conclusie dat zij een museum moesten stichten. De meeste privé-collecties die later tot een naar de eigenaar genoemd museum zouden leiden, kwamen in de jaren '70 en '80 van de 19de eeuw, dus na de Burgeroorlog, tot stand. In die tijd beleefde de Amerikaanse economie een ware hausse die een puissant rijke bovenlaag creëerde. De meeste verzamelaars die in die tijd hun vermogen vergaarden, meestal in industrie of in het zakenleven, waren omstreeks het einde van de Eerste Wereldoorlog overleden. John Pierpont Morgan (1837-1913), Andrew Carnegie (1835-1919), Henry Clay Frick (1849-1919), Henry Havemeyer (1847-1907) en Daniel Wadsworth (1741-1848, naar wie in Hartford, Connecticut het oudste museum in de Verenigde Staten is genoemd) behoorden tot de vroegste generatie kunstverzamelaars, 'de vleeskoningen, kruideniers en spoorwegmagnaten' zoals Robert Hughes hen in zijn boek 'Amerika's visioenen' noemt.

Deze generatie werd verantwoordelijk voor de enorme instroom van de oude Europese kunst. Alleen Isabella Stewart Gardner, die in 1922 overleed en John D. Rockefeller (1839-1937) hebben nog net de opkomst van de moderne kunst meegemaakt, al ondergingen ze daar nauwelijks invloeden van.

Lang niet elke kunstverzamelende fortuinvergaarder wilde zijn naam aan een museum verbinden. Neem de tegenwoordig volslagen vergeten Edward Drummond Libbey. Zijn collectie is te vinden in het Toledo Museum of Art. De stad ligt een paar uur gaans van Cleveland en Oberlin, in de noordwestelijke hoek van Ohio, en net als Cleveland met zijn haven aan het Erie Meer, aan belangrijke vaarroute tussen de VS en Canada. Toledo is net als Rotterdam een no-nonsense havenstad waar iedereen druk bezig is met geld verdienen en minder met geld uitgeven.

Over het echtpaar Libbey is niet veel bekend. Ze leefden teruggetrokken, hadden weinig sociale contacten, maar beijverden zich wel om het culturele leven in hun stad aan het begin van deze eeuw op gang te krijgen. Libbey kwam oorspronkelijk uit Boston, waar hij zijn fortuin in een glasfabriek had gemaakt. De verhuizing van het bedrijf naar Toledo maakte hem nog veel rijker, zozeer zelfs dat hij rond 1900 kon besluiten om zich een nieuw levensdoel te stellen. In Toledo zag hij wat de stad en ook hij zelf miste. Dat was kunst, volgens hem 'de betere kwaliteit van het leven'.

In Libbey's optiek was Toledo een achterlijke stad als hij haar vergeleek met steden die allemaal beroemde collecties hadden. Er waren aan het begin van deze eeuw in deze hoek van de VS nogal wat steden die prestigieuze musea hadden laten bouwen. Het Chicago Art Institute dateerde uit 1879, in Detroit stond sinds 1885 het Museum of Fine Arts en in de eigen staat, Ohio, waren er steden als Cincinnati (1881) en Columbus (1878) die een museumgebouw hadden neergezet in afwachting van een aanzienlijke verzameling. Libbey vond dat Toledo ook een museum moest krijgen, “een museum dat kunst toonde met de bedoeling om een esthetische beleving te bieden aan alle mensen uit Toledo en noordwest-Ohio”. Toledo telde in 1900 bijna 132 000 inwoners en groeide snel. Binnen 20 jaar zou de stad uitgroeien tot ruim 240 000 inwoners. Er was dus een potentieel groot publiek.

Na elf jaar intensieve voorbereidingen kon het Toledo Musuem of Art in 1912 zijn deuren openen. De kosten bedroegen een half miljoen dollar, waarvan Libbey de helft uit eigen zak fourneerde en de rest van particulieren kreeg. Het museum had van meet af aan een enorme collectie die slechts vier andere musea in Amerika voor moest laten gaan (het Metropolitan Museum in New York was destijds het grootste, gevolgd door het Museum of Fine Arts in Boston, het Carnegie Institute in Pittsburgh en het Chicago Art Institute). Qua inwonerstal kwam Toledo in Amerika pas op de 34ste plaats. Het museum was dus van groot belang voor de stad.

De eerste tentoonstelling in 1912 trok meteen 1 500 bezoekers. Die kwamen af op een streng ontworpen gebouw dat met zijn zuilengalerij meer aan een Griekse tempel doet denken dan aan een kunstmuseum. Binnen hingen 400 schilderijen die door verschillende verzamelaars en musea waren uitgeleend. Zelf bracht Libbey zijn verzameling Egyptische en Aziatische beelden in. Als speciale trekker had Libbey een tentoonstelling ingericht met werken van Jozef Israëls voor wie hij grote bewondering koesterde.

Toen de Eerste Wereldoorlog voorbij was en er weer naar Europa gereisd kon worden, zaten de Libbeys meer hier dan thuis. Wel bleef hij het museum steunen, met kunstzinnige en financiële donaties. Zo kon het museum al binnen vier jaar na de oprichting met een vleugel worden uitgebreid en werd in 1923 de bestaande bouw nog eens verdubbeld, waarvoor een fonds van 850 000 dollar beschikbaar was.

Ondertussen had Libbey de Nederlandse kunst zijn liefde verklaard. Behalve zijn 'Haagse' tijdgenoten J. H. Weissenbruch, de al eerder genoemde Jozef Israëls en Anton Mauve was hij ook dol op de 17de eeuw. Na zijn dood in 1925 ontving het museum de hele verzameling en kwamen er fondsen vrij met een totale waarde van bijna 20 miljoen dollar. Het Toledo Museum of Art zat voortaan op rozen. Er werd een actief verwervingsbeleid gevoerd, waarbij gelukkig ook rekening werd gehouden met wat al aanwezig was. Zo verwierf het in 1976 een Amsterdams stadsgezicht van George Hendrik Breitner verworven, waarmee het museum helemaal in de geest van Libbey bleef. Onder de 17de-eeuwers bevinden zich vrijwel alle grote namen. Je ziet er Rembrandt ('Man met bontjas' uit 1655-1660) evengoed als Jan Steen, Jacob van Ruisdael, Pieter de Hooch, Abraham Bloemaert, Gerard Terborch (de beroemde 'Muziekles' uit 1660), Ferdinand Bol, Willem van de Velde, Jan van Goyen en Aelbert Cuyp. Maar ook de kleinere meesters die zich specialiseerden, worden in Toledo niet over het hoofd gezien: de Italianisant Adam Pynacker, de dierenschilder Melchior d'Hondecoeter, de stillevenschilderes Rachel Ruysch en de serene marineschilder Jan van de Cappelle.

Libbey heeft nooit gewild dat het museum zijn naam zou dragen. “Het is geen speelgoed van een rijk man”, zei hij er zelf over. Zijn naam en zijn werk mochten vergeten worden. Tot op de dag van vandaag is er over de wijze hoe Libbey verzamelde weinig bekend. Correspondentie, rekeningen en notities van aankopen, alles wat geschreven of gedrukt was, werd door Libbey vernietigd. Edward Drummond is daarmee de volmaakte tegenhanger van al die Gardners, Fricks, Clarks en Tafts die tot in eeuwigheid willen voortleven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden