Hollandse cultuur in Zuid-Afrika: in Johannesburg maakte de Sint voor het laatst zijn opwachting

Bezoekers van de Oranjemarkt op de Oranjehof in Johannesburg. Enkele bewoners halen geld op om het kapotte draaiorgel te laten maken

Ze kwamen in de jaren vijftig en zestig naar Zuid-Afrika, maar hielden vast aan hun Hollandse cultuur. Correspondent Niels Posthumus en fotograaf Bram Lammers volgden een half jaar lang vier Nederlanders in ouderendorp Oranjehof bij Johannesburg. ‘Engels spreken blijft een probleem.’

Nora de Rijk-Van der Laan (71) verkoopt haring op de Oranjemarkt die haar Nederlandse woongroep in Zuid-Afrika, de Oranjehof, twee keer per jaar organiseert. Het loopt storm bij haar kraam. Al eten haar klanten de rauwe vis met uitjes niet van de staart, maar op brood. Haar man Jan de Rijk (83) zit op een stoel naast een koelbox. Hij heeft net een nieuwe pacemaker gekregen en is slecht ter been. Hij opent het deksel. “Kijk, vijftig kilo vis”, zegt hij. “Ik koop de ­haringen en mijn vrouw verkoopt ze.”

Het echtpaar De Rijk staat al sinds jaar en dag op de Nederlandse markt in hun woongroep voor ouderen, iets ten oosten van Johannesburg. De gazonnen voor de 108 bakstenen bungalows zijn keurig gemaaid. Bij veel huizen hangt de Nederlandse vlag uit. Op een enkele oprit staat een caravan. Er zijn een paar honderd mensen afgekomen op de stalletjes met rookworst, kroketten, Goudse kaas en speculaas. Uit de luidsprekers klinkt ‘Och, was ik maar bij moeder thuis gebleven’ van Johnny Hoes. De langste rij staat bij de poffertjeskraam.

“Het is druk vandaag”, geeft De Rijk-Van der Laan toe. Ze heeft kort grijs haar en draagt een oranje keukenschort. De markt is de ­weken ervoor aangekondigd in het krantje van de nabijgelegen wijk Benoni. De haringverkoopster en voorzitster van het Oranjehof-­bestuur geniet. “Ik ben begin 1956 vanuit ­Amsterdam naar Zuid-Afrika gekomen”, vertelt ze. “Ik was tien. Maar ik voel mij nog steeds Nederlands. Ik heb in Zuid-Afrika altijd in Nederlandse enclaves gezeten: Nederlandse klaverjasclub, Nederlandse kerk. En nu woon ik op de Oranjehof.”

Migratiestroom

De geschiedenis van Nederlanders in Zuid-Afrika gaat ver terug. In 1652 stichtte Jan van Riebeeck een Nederlandse VOC-post in wat nu Kaapstad heet. De drie eeuwen daarna volgden enkele duizenden Nederlanders, maar ook Franse Hugenoten – aan wie Zuid-Afrika zijn goede wijnen dankt – en in de achttiende eeuw Duitse zeelieden en soldaten. Het witte volk dat zich vormde, de Afrikaners, is volgens genealogen nog maar voor een derde van ­Nederlandse origine, al lijkt hun taal nog wel sterk op het Nederlands.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een nieuwe migratiestroom op gang vanuit Nederland. In 1953, tijdens de piek daarvan, kwam ook Lottie Damhuis-Straathof (77) naar Zuid-Afrika, met haar ouders, broer en zusje. “Het voelde als een avontuur”, vertelt ze in de bibliotheek van de Oranjehof. Tussen kasten vol Nederlandstalige boeken telt ze ’s middags de marktopbrengst voor de Stichting Oranjehof. Ze zit in het bestuur daarvan, al woont zij zelf niet in de woongroep.

Damhuis-Straathof was elf toen ze per boot naar Zuid-Afrika emigreerde. Haar vader had in Den Haag een meubelfabriek, maar vreesde dat die failliet zou gaan toen socialist Willem Drees aantrad als premier. “Mijn vader was bang dat hij de extra lasten niet zou kunnen dragen die volgden uit de nieuw ingevoerde WW-regeling voor zijn personeel.” Ze schudt haar hoofd. “Hij verkocht de zaak. In Nederland begreep niemand waarom uitgerekend wij weggingen. Wij hadden het toch goed? En ja, de eerste tien jaar in Zuid-Afrika hadden wij het ook beduidend slechter dan in Nederland.”

De ingang van de Oranjehof in Johannesburg. Beeld Bram Lammers

Vodden

De bootreis op een omgebouwd oorlogsschip duurde veertien dagen. Het eerste wat ze zag toen ze aankwam in Kaapstad, waren de majestueuze Tafelberg én de beelden van Jan van Riebeeck en zijn vrouw Maria de la Quellerie die in de haven stonden. De boot had na de lange reis eerst nog een dag voor anker moeten liggen op zee. “Zuid-Afrika was een streng calvinistisch land en we kwamen aan op zondag”, legt ze uit. “Pas op maandag mochten we van boord.”

De jonge Damhuis-Straathof keek vanaf de boot neer op de haven en zag massa’s zwarte mannen in vodden. “Dat vergeet ik van mijn leven niet meer”, zegt ze 65 jaar later, als het tellen van de marktopbrengst bijna is afgerond. “Ik dacht: hebben we daar nu al die jaren in Nederland voor gespaard, met het inzamelen van melkflessen en chocoladepapiertjes? Ja, dat deed iedereen binnen de katholieke ­gemeenschap. De opbrengst ging naar de missie in Afrika.”

Afrikaner school

De gereformeerde Henk de Jong (76), die helpt met tellen, valt haar lachend bij. “Wij hadden op school een spaarpot met een negerpoppetje erop; als je daar centen in gooide, dan knikte die.”

Een half jaar eerder zit Jan de Rijk op het terras van de Nederlandse ambassade in Pretoria. Hij haalt zijn wijsvinger door het gele glaasje dat hij kort daarvoor verlekkerd aan zijn mond heeft gezet. De Rijk is een kale, zwaargebouwde man met grote handen. “Lekker dik, deze advocaat”, zegt hij goedkeurend. Hij zit met zijn vrouw en wat vrienden aan een Heineken-tafel en luistert hoe de Nederlandse ambassadeur de bewoners van de Oranjehof in het Engels welkom heet op de vervroegde ­Koningsdagviering in Zuid-Afrika, in het laatste weekend vóór 27 april.

Waarom kan ze dat niet in het Nederlands doen, moppert iemand aan de tafel. Nora de Rijk-Van der Laan knikt instemmend. Ze kan redelijk Engels schrijven, vertelt ze na de ­toespraak, en verstaan is ook geen probleem, maar praten blijft lastig. “Ik ben naar een ­Afrikaner school gegaan en sprak thuis met mijn ouders alleen Nederlands”, legt ze uit. “Er ­bestond geen inburgeringcursus. En ik was Hollands opgevoed, dus ik wilde graag een ­Nederlandse man. Het leek me zoveel gedoe, iemand met een andere taal en cultuur.” Ze lacht. “Nederlanders die alleen nog maar ­Engels spraken in Zuid-Afrika, noemden wij mensen met ‘de Engelse ziekte’.”

Het echtpaar De Rijk staat op als het ­Nederlandse volkslied klinkt. Ze hebben de tekst op een papiertje in de hand. Na afloop ­kopen ze tompoezen. “Ik voel me op een dag als deze ­altijd nog weer wat extra Nederlands”, geeft De Rijk-Van der Laan toe. “En je moet weten: ik ben op dezelfde dag jarig als Willem-Alexander.” Ze volgt op BVN, de Nederlandse tv-zender in het buitenland, trouw het royaltyprogramma ‘Blauw bloed’.

Nora de Rijk-Van der Laan (rechts) verkoopt haring op de Oranjemarkt. Haar man Jan de Rijk (links) zit naast de koelbox met vis. Beeld Bram Lammers

Werkloosheid

Jan de Rijk was al 25 jaar toen hij in 1959 naar Zuid-Afrika kwam. Zijn relatie in Nederland was op de klippen gelopen. De broer van zijn ex-geliefde vertrok en vroeg: waarom ga jij ook niet? De Rijk zou van de overheid landingsgeld krijgen, een soort zakgeld om op te starten. De Nederlandse regering betaalde ­bovendien zijn reis. Hij besloot het erop te wagen en behoorde nog net tot de enorme groep van 377.000 ­Nederlanders die in de jaren van 1945 tot 1960 het Europese continent verlieten. Na Canada, Australië en de Verenigde ­Staten was Zuid-Afrika de populairste bestemming. Het land verwelkomde in de vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog 31.660 nieuwkomers uit Nederland.

De overheid stimuleerde de emigratie in de jaren vijftig, omdat er in Nederland massale werkloosheid bestond. Emigratie werd gezien als effectief middel om dat probleem op te ­lossen. En Zuid-Afrika had juist behoefte aan ­geschoolde arbeidskrachten. Bovendien dacht de blanke apartheidsregering dat een aanwas van de witte bevolking wenselijk was, zodat er beter tegenwicht kon worden geboden tegen de zwarte meerderheid die zij onderdrukte. Toch stelde de Zuid-Afrikaanse regering zich eind jaren veertig eerst nog wat terughoudend op. Ze was bezorgd dat een teveel aan economische immigranten uit Europa de nationale (Afrikaner) identiteit van Zuid-Afrika zou schaden.

Stamverwantschap

In Nederland had bij de invoering van het Zuid-Afrikaanse apartheidsbeleid in 1948 veel kritiek geklonken. Maar in de jaren vijftig veranderde dat. De ‘stamverwantschap’ tussen Nederlanders en Afrikaners werd benadrukt. Nederland onderscheidde de eerste apartheidspresident D.F. Malan in 1953 zelfs plechtig met een zilveren penning van het rampfonds, nadat Zuid-Afrika 1,5 miljoen gulden aan noodhulp had gestort voor de slachtoffers van de Watersnoodramp in Zeeland dat jaar.

“Ik kwam op woensdag aan en ging donderdag aan de slag bij een slagerij”, vertelt De Rijk, nadat hij zijn tompoes op heeft, op het terras van de ambassade. “Van mijn eerste geld kocht ik een scooter en reed daarop overal naartoe: zelfs naar Durban, dertien uur lang, dwars door het land.” Hij werd verliefd op de Nederlandse vrouw bij wie hij in Johannesburg kost en inwoning had gekregen. Ze trouwden. “Nadat zij begin jaren tachtig overleed, ontmoette ik Nora.”

Als de avond valt, stapt echtpaar De Rijk in de touringcar die de ambassade heeft geregeld om de circa dertig bewoners van de Oranjehof thuis te brengen. De ambassadeur komt nog even in de bus afscheid nemen. Iedereen wil haar de hand schudden. En de advocaat heeft de kelen gesmeerd. “We gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet...”, klinkt het dertig keer uit volle borst.

De Nederlandse bakker van De Backery in Johannesburg staat op de Oranjemarkt met poffertjes. Beeld Bram Lammers

Alle deuren en ramen in de aula van de Oranjehof – waar op andere dagen bingo, paaseieren schilderen of klaverjassen wordt georganiseerd – staan wagenwijd open. Maar zelfs dat helpt weinig. Het is 35 graden. Sinterklaas zit rood aangelopen onder een portret van Willem-Alexander en Máxima op een geïmproviseerde troon. Om hem heen, en zijn dit jaar voor het eerst niet-zwartgeschminkte piet, zitten zo’n zestig ouderen aan tafels van acht te lunchen.

De goedheiligman heeft een quiz gemaakt. “In welk lied komt marsepein voor”, vraagt hij bijvoorbeeld. “De zak van Sinterklaas”, klinkt het dan vanuit een hoek. Zo’n goed antwoord levert een chocoladeletter op, vooraf besteld bij de Nederlandse bakker in het noorden van Johannesburg. Daarna zingt de zaal het betreffende lied. De lippen van Henk de Jong bewegen zachtjes mee. Hij is een kleine man en draagt een lichtblauw zijden overhemd. Zijn grijze haren heeft hij vlot naar achteren gekamd. “Het is de laatste keer dat we Sinterklaas vieren op de Oranjehof”, fluistert hij. “Maar de meeste mensen weten dat nog niet.”

Fascinatie

De Jong kwam relatief laat naar Zuid-Afrika, in 1963, ruim nadat de Nederlandse regering was gestopt emigratie te stimuleren. Hij had bij de marine gediend en was in 1962 naar Nieuw-Guinea gezonden. Na terugkeer voelde Nederland opeens te klein. Dus solliciteerde hij bij een dochtermaatschappij van de Nederlandse Bank in Zuid-Afrika.

Zijn vader was sinds de Boerenoorlog, tussen de Afrikaners en de Engelsen, zoals veel Nederlanders gefascineerd geraakt door Zuid-Afrika. De passie sloeg over op De Jong. “Ik werd op een DC8-vliegtuig naar Johannesburg gezet”, vertelt hij. “De bank betaalde mijn reis en onkosten. Als ik maar één jaar bleef, moest ik de helft daarvan terugbetalen. Als ik twee jaar bleef, werd het een gift. Ik was van plan om precies twee jaar te blijven.”

Henk de Jong en zijn vrouw Herna in de huiskamer van hun bungalow op Oranjehof. Beeld Bram Lammers

De bank organiseerde veel activiteiten voor zijn Nederlandse staf: er was een schaakclub en de bank gaf een Nederlands krantje uit. De Jong ging naar een gereformeerde kerk waar veel Nederlanders kwamen. Hij werd geen lid van de Nederlandse vereniging. “Maar we kwamen daar wel regelmatig over de vloer”, zegt hij. “Als er een voetbalwedstrijd van Oranje was bijvoorbeeld. Ze hadden er Nederlandse radio en later ook Nederlandse tv.”

De Jong bleef langer dan gepland. In 1970 kwam zijn zus op bezoek. Zij nam zijn vroegere buurmeisje uit Den Haag mee. Hij werd verliefd op haar. Ze migreerde twee jaar later voor hem naar Zuid-Afrika.

Afscheidsspeech

De goedheiligman is door zijn quizvragen heen. Hij is hevig zwetend aan een afscheidstoespraak begonnen. “Er verandert zoveel in de wereld”, verzucht hij. “Van al die whatsapp-berichten op je telefoon tot aan welke kleur mijn pieten mogen hebben. Het is voor ons ­ouderen nauwelijks nog te begrijpen. En ik word er niet jonger op. Elk jaar weer die reis uit Spanje, het wordt me te veel.”

De reactie op de afscheidsspeech is wat lauw. Teleurstelling of verslagenheid valt niet te bespeuren. “Er komen in de Oranjehof ­tegenwoordig nauwelijks nog Nederlandse ­ouderen bij”, legt De Jong uit. “In hun plaats trekken steeds meer Afrikaners in. Want de huizen moeten gevuld. Afrikaners vormen al een derde van de bewoners. Zij kennen de Sinterklaas-traditie niet. Het is moeilijk de aula er nog voor vol te krijgen. Ja, met Kerst, dan zijn er makkelijk honderd aanmeldingen.”

Sinterklaas vertelt de bewoners van de Oranjehof dat dit het laaste jaar is dat hij de Oranjehof bezoekt. Hibbe van der Veen heeft een boerderij ten oosten van Pretoria en speelt Sinterklaas. Frank Jansma, concierge op de Oranjehof, is Piet. Beeld Bram Lammers

Opgesloten

De bestuursvergaderingen van de Oranjehof vinden plaats in de bibliotheek. Er staat een vruchtentaart met slagroom op tafel. De Jong is net terug van vakantie in Nederland. Hij heeft het nieuwste boek van Hendrik Groen meegenomen. “O ja, dat wil ik ook graag lezen”, zegt Damhuis-Straathof enthousiast. “Ik heb zo genoten van ‘Pogingen iets van het leven te maken’.” Nora de Rijk-Van der Laan schenkt iedereen een kopje koffie in.

Damhuis-Straathof voelt zich, anders dan de anderen, eigenlijk nog maar half-Nederlands. “Ik spreek de taal nog, maar ik heb veel Engelse vrienden”, zegt ze. “Mijn kinderen spreken Engels. Ik kijk wel elke dag Nederlandse televisie – naar ‘Jinek’ bijvoorbeeld, dat vind ik zo’n geweldige vrouw. Maar als ik na een vakantie terugkom in Zuid-Afrika, voel ik toch echt dat ik hier het meest thuis ben.”

De Jong voelt dat net iets anders. “Nederland blijft toch je land”, zegt hij. “Een van mijn kinderen woont in Arnhem. Dus ik kom er nog regelmatig. Maar ik besef dan wel steeds dat ik me in Nederland al snel opgesloten zou voelen: altijd achter dat raam. Het is er zo koud. Binnen is het er gezellig, maar je kunt zo weinig buiten zijn.” De Rijk-Van der Laan valt hem bij: “Als mensen het Zuid-Afrikaanse klimaat zouden kunnen meenemen, was de helft van alle Nederlanders in Zuid-Afrika vast al geremigreerd.”

Al zijn er ook financiële obstakels. “We hebben in Zuid-Afrika pensioen opgebouwd”, verzucht De Jong. “De waarde van de Zuid-Afrikaanse munt is zo hard gekelderd, dat we daar in Nederland nooit meer van kunnen rondkomen.”

Verblijfsvergunning

Toch zou geen van vieren zijn Nederlandse paspoort willen inleveren. Ze hebben in Zuid-Afrika een permanente verblijfsvergunning. Dat is voldoende. Hun kinderen hebben wél een dubbele nationaliteit. “Maar zij voelen zich ook niet meer Nederlands”, zegt De Rijk-Van der Laan. “Nee hoor, dat vind ik niet erg. Al heb ik mijn drie dochters wel een keer meegenomen naar Nederland, om hun te laten zien waar ik vandaan kom. Dat vonden ze leuk.”

“Wij stuurden onze kinderen naar een Afrikaner school”, zegt De Jong. “We dachten: ­Engels leren ze toch wel. En we wilden dat zij met hun Nederlandse opa’s en oma’s zouden kunnen communiceren. Mijn zoon is later naar Nederland gemigreerd en is echt Nederlands geworden. Maar onze dochter woont in Dubai. Zij is vooral Afrikaner.” Hij lacht. “En mijn kleinkind in Dubai praat weer vloeiend Engels en leert zelfs Arabisch.” Hij haalt zijn schouders op. “Ach, het Nederlands verandert ook. Als ik zie hoeveel Engelse woorden er in de Nederlandse kruiswoordpuzzels van mijn vrouw zitten.”

Damhuis-Straathof heeft nog één zoon in Zuid-Afrika. Haar oudste woont in Groot-Brittannië. “Mijn kinderen zijn duidelijk derde generatie”, zegt ze. “Je ziet het verschil met mijn opvoeding. Mijn ouders stuurden me weliswaar naar een Engelse school, maar spoorden me later wel aan om bij de Nederlandse katholieke vereniging langs te gaan. Want het was de bedoeling dat ik met een Nederlandse man zou thuiskomen, het liefst een katholieke ­Nederlandse man.”

Ze straalt. “Ja, dat is gelukt.” Al is ze inmiddels weduwe. “Wij hebben onze kinderen nog wel Nederlands geleerd, maar spraken vooral Engels met ze. Zelfs mijn zoon in Zuid-Afrika zocht geen Hollands meisje meer. Ook zijn kinderen spreken alleen maar Engels. De situatie is anders dan in de tijd van mijn ouders. Mijn moeder was huisvrouw. Zij kwam weinig onder de mensen en leerde daardoor lastig een nieuwe taal. Ik kan met mijn kleinkinderen gewoon Engels praten. Dus wat hebben zij aan Nederlands? Ja, als ik er niet meer ben, verdwijnt met mij het Nederlandse aspect uit mijn tak van de familie.”

De migratiecijfers zijn afkomstig uit het artikel ‘Belaste broederband: Nederlanders en Zuid-Afrika’ van historica Barbara Henkes in het boek ‘Goede hoop, Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600’.

Lees ook:

The Wilds in Johannesburg leek levensgevaarlijk, nu is het een bos vol pracht

The Wilds is een natuurreservaat in het hart van miljoenenstad Johannesburg. Lang durfde niemand er te komen, want het leek er levensgevaarlijk. Tot James Delaney na jaren snoeien de botanische tuin in ere wist te herstellen.

Lees ook:

Baarle Nassau/Hertog: een extatische grenstwist die terugvoert tot 1198

Nederland, wat is dat eigenlijk? Flip van Doorn reisde kriskras door het land op zoek naar de oorsprong van taal, grenzen en tradities. Deel 1 van een vierluik: een Belgisch-Nederlandse lappendeken aan de zuidgrens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden