Hollander in Seattle

“Dit geld gaat het weghalen van deze persoon een stuk bemoeilijken”, zei hij in 1992, kort nadat hij van de Rijksuniversiteit Groningen een voor Nederlandse begrippen unieke subsidie had gekregen. Een paar maanden later was hij weg. Met zeven medewerkers stak Wim Hol de plas over. Het Nederlandse onderzoeksbeleid, is veel te bureaucratisch, zegt de structuurchemicus. “Het goede van het Amerikaanse systeem is dat ze niet in hokjes denken. Ze zeggen gewoon, die Hol heeft een goed concept en weet de goede mensen erbij te halen; laat hem dat maar doen.”

Binnen ziet het leven er een stuk zonniger uit. Wim Hol geeft tegenwoordig leiding aan het Biomolecular Structure Center, een biomedisch instituut van de Universiteit van Washington in Seattle. En hij doet dat met succes.

Anderhalf jaar geleden kortte de president van de universiteit alle afdelingen één procent op hun budgetten. Het geld stopte hij in een apart fonds waarvoor iedereen kon inschrijven. Honderden projecten werden ingediend, terwijl slechts een paar voor honorering in aanmerking konden komen. De laatste selectieronde staat voor de deur, er zijn nog een stuk of tien kandidaten voor vier plaatsen over en Wim Hol zit daar met zijn project van drie miljoen dollar nog steeds bij.

Het succes heeft zijn werkkamer in een heksenketel omgetoverd: de telefoon staat roodgloeiend en zijn werktafel ligt bezaaid met ordners die allemaal spoed eisen. Tal van collega's, onlangs nog concurrenten in de selectieprocedure, staan nu in de rij om zich bij de succesvolle Groninger aan te sluiten. Het is het Amerikaanse systeem ten voeten uit: duidelijk, in zekere zin ook eerlijk, en hard, keihard. Dat bevalt hem wel. “Soms zou ik ook wel anders willen, zou ik even rustig achterover willen leunen, maar dit is toch beter. Mensen die goed werk leveren, krijgen flink wat steun, maar om de vijf jaar moet iedereen, van hoog tot laag, op het matje komen. Verantwoording afleggen. Als je dan niets te bieden hebt, is het afgelopen. Dat houdt je wel zo alert.”

In 1992 stapte prof. dr. ir. Wim Hol in het Amerikaanse avontuur. Hij verruilde zijn hoogleraarschap aan de Rijksuniversiteit Groningen voor een ongewis, maar uitdagend bestaan in Seattle, een stad in het uiterste noordwesten van de Verenigde Staten.

De overstap baarde veel opzien. Een paar maanden eerder had het bestuur van de Groningse universiteit hem één miljoen gulden gegeven. Die schenking, een unicum in de Nederlandse universitaire geschiedenis, moest de chemicus aan Groningen binden. Dat leek aanvankelijk te lukken. “Dit geld gaat het weghalen van deze persoon een stuk bemoeilijken”, zei hij destijds.

Maar zijn ster was door prestigieuze prijzen en opzienbarende publicaties al te hoog gerezen. Drie maanden later deed de Universiteit van Washington, die al drie jaar lang probeerde hem te verleiden, hem een aanbod dat hij niet kon weigeren. Hol kon hoofd worden van een nieuw op te richten afdeling biomoleculaire structuren, er zou een apart laboratorium voor hem worden gebouwd en hij kreeg zo veel financiële armslag dat hij menigeen uit zijn Groningse groep kon aanbieden om mee te gaan. Zeven mensen staken met hem de plas over.

Wat ze aantroffen, stemde aanvankelijk niet vrolijk. Er was alleen een braakliggend terrein; het aparte laboratorium bestond slechts op papier. “We wisten natuurlijk dat we drie jaar op een houtje zouden moeten bijten en verspreid over het universiteitsterrein zouden zitten”, vertelt hij. “Voor wie nu binnenkomt, lijkt het mooie lab vanzelfsprekend en is het moeilijk voor te stellen welke pioniersgeest de afgelopen jaren nodig is geweest.”

Ook in inhoudelijk opzicht moesten de Groningers zich een tijdlang behelpen. De “krakkemikkige omstandigheden” dwongen Hol op zeker te spelen: onderzoek uitzetten waarvan hij bij voorbaat wist dat er iets uit zou komen, voor riskante projecten had hij nog te weinig bewegingsruimte. “Het enige zekere hier is mijn vaste aanstelling en nu dus dit laboratorium. Al het andere, van de promovendi tot de secretaresse, moet je binnenslepen via het systeem van grants, tijdelijke financieringen. Als je die grants niet binnenhaalt, brand je af. Dan kun je naar ander werk gaan uitzien.”

Hol maakte kennis met de hardheid van dit Amerikaanse systeem. De eerste grant werd nog toegewezen, maar daarna kreeg hij voortdurend nul op het rekest. “In mijn vakgebied schommelt de succesratio van aanvragen rond de tien procent. Dus als je temidden van honderd aanvragen op de dertiende plaats eindigt, heb je het heel goed gedaan, maar krijg je niets. Nul dollar. Dat kan heel sneu zijn.”

Het leek ook heel sneu voor Wim Hol te worden totdat hij in het voorjaar van 1994 een telefoontje kreeg dat de universiteit hem had voorgedragen voor een investigatorship van het Howard Hughes Medical Institute. Zijn leven was op slag veranderd. Ineens beschikte hij over negen plaatsen, zeven jaar lang. En, zoals dat vaker gaat, kwamen er toen weer grants binnen, en meldden zich ook onderzoekers die hun eigen geld meebrachten. “Er loopt hier nu een club van dertig mensen rond. Daar kun je mooie dingen mee doen.”

Hij heeft het typische uiterlijk van een bèta. Ietwat slordige, robuuste kledij, die altijd bestaan heeft, maar nooit in is geweest. Maar dat oogt allemaal nog hypermodern in vergelijking met zijn bril: zelfs een veiligheidsbril is joyeuzer. Ondanks zijn 51 jaar heeft hij iets jongensachtigs over zich. Een naïef overkomende nieuwsgierigheid en gedrevenheid die hem innemend maken.

Intussen scoort hij bij het leven in wetenschappelijke kringen. De ene na de andere publicatie in toonaangevende vakbladen. Begin dit jaar had hij nog een artikel over de slaapziekte in Nature, vorig jaar had hij een ander over lepra in Science, en tussendoor stond hij in andere bladen met malaria, cholera en tbc.

Dat is de leidraad van zijn onderzoek: tropische infectieziektes. Al blijft hij ver van echt medisch onderzoek naar deze kwalen verwijderd. Hol werkt aan de structuurbepaling van eiwitten van de bacteriën en virussen die de infecties overdragen. Dat wilde hij al als student, daarop promoveerde hij en daarmee maakte hij in Groningen naam. Vooral toen zijn groep in 1991 de structuur van een belangrijk eiwit van de cholera-bacterie ontrafelde. “Eiwitten zijn de moleculen van het leven”, zei hij toen. “De doeners en ook de denkers in de lichaamscellen. Het DNA is in vergelijking daarmee maar een dom molecuul.”

Deze zogeheten eiwitchemie is big business geworden, zegt Hol nu. Met de structuur van de ziekteverwekker in de hand kunnen medicijn- en vaccinontwerpers aan de slag. Het cholera-eiwit is wat dat betreft een mooi voorbeeld, legt hij uit. “Dat eiwit bestaat uit twee componenten: een ring en een deel dat aan een maanlander doet denken. De maanlander houdt zich niet alleen met zijn pootjes aan de ring vast maar heeft ook een staart die door de ring steekt. Dat biedt allerlei aanknopingspunten voor een medicijn. Je kunt de pootjes van de maanlander afbinden en laatst hebben we een molecuul ontworpen dat in het gat van de ring gaat zitten zodat de staart er niet meer doorheen kan. En zo zijn er nog veel meer manieren te bedenken om het eiwit te ontregelen.”

Dat laatste was lange tijd niet het werkterrein van Hol. In Nederland tenminste, waar de chemicus geacht werd zich te beperken tot de structuurbepaling van eiwitten. Het ontwerpen van medicijnen moest hij aan andere specialisten overlaten.

Precies dat was de reden dat hij vijf jaar geleden naar Seattle verhuisde. Het aanbod dat hij niet kon weigeren, was een eigen laboratorium waar hij het hele traject van A tot Z kon onderbrengen: van het isoleren en kweken van de eiwitten, via de structuurbepaling tot het medicijnontwerp. “Ik heb ooit gezegd dat ik voordat ik gepensioneerd ben, een medicijn wil hebben ontwikkeld”, zei hij toen hij in Eelde definitief op het vliegtuig stapte.

“Mijn hobby is het oplossen van boeiende structuren”, zegt hij nu. “Dat is het wetenschappelijke draagvlak van deze groep. De structuurbepaling moet van topniveau zijn. Het eiwit moet boeiend zijn, zelfs als het uit rabarber zou komen. Alleen, mijn eiwitten komen niet uit rabarber, maar uit een belangrijke ziekteverwekker. Het doel is dan ook niet zoveel mogelijk structuren te bepalen. Wij willen deze specifieke structuren bepalen, zodat we ze begrijpen en hun mechanismes onklaar kunnen maken.”

Hol is daarom bijzonder verguld met de laatste schakel die onlangs aan zijn afdeling is toegevoegd. Een organisch lab waar stoffen kunnen worden gemaakt die de ziekteverwekkers afremmen. “Het mooie is dat ze dit lab aan mij toevertrouwen. Ik ben een structuurchemicus, ik heb twee linkse handen als het om organische synthese gaat. Maar het past goed in het geheel omdat we de ideeën die we van de structuren hebben gekregen, direct kunnen uittesten. Het goede van het Amerikaanse systeem is dat ze niet in hokjes denken. Ze zeggen gewoon, die Hol heeft een goed concept en weet de goede mensen erbij te halen; laat hem dat maar doen.”

Dat brengt het gesprek op het Nederlandse onderzoeksbeleid dat zich concentreert op topinstituten. Hol vindt dat veel te bureaucratisch. “Men doet geen recht aan de dynamiek van de wetenschap. Sommige gebieden zijn na een jaar of tien, twintig uitgeput; groepen vallen uiteen omdat de trekker met pensioen gaat. Hier houdt het onderzoek dan ook op te bestaan. Maar zo'n instituut ben je niet een-twee-drie kwijt. Dat staat er nog steeds, ook al is iedereen vertrokken.”

Nee, goed onderzoek staat of valt volgens Hol met goede mensen. “Je moet de wetenschappers die bewezen hebben dat ze wat in hun mars hebben, geld geven. Doe er maar wat mee. Dat is de beste impuls voor goed onderzoek. Nederlanders zijn dan meteen bang voor vriendjespolitiek, huiverig ook om de een meer te geven dan de ander. Toch is daar weinig op tegen. Het alternatief, iedereen hetzelfde geven terwijl de kwaliteiten een factor tien of honderd uiteenlopen, lijkt me ook niet verstandig. We weten heus wel wie de uitblinkers zijn: Piet Borst van het Kankerinstituut of Paul Crutzen, de Nobelprijswinnaar. En als het niet helemaal zeker is, moet je als bestuurder de moed hebben om te zeggen: die man of vrouw geven we toch steun, laten we maar zien wat er uitkomt.”

Natuurlijk kent hij de keerzijde van het systeem. De onderzoekers die de boot missen. De mensen die in een neerwaartse spiraal terechtkomen omdat ze minder fondsen verwerven en daardoor steeds minder kunnen laten zien. “Ik heb al aardig wat mensen met tranen in de ogen op mijn kamer gehad.”

Bij hem gaat de spiraal nog naar boven. Met graagte geeft hij een rondleiding door zijn laboratorium. Het is eigenlijk pas sinds kort dat hij dit doet. Tijdens de krakkemikkige periode meed hij de publiciteit. “Maar nu kan ik binnen een straal van dertig meter het hele proces laten zien. Van de moleculaire biologie tot de synthese. En in alle onbescheidenheid: dit is uniek in de wereld. Daar ben ik trots op. Zoveel heb ik inmiddels hier geleerd: een Nederlander zou zeggen dat hij tevreden is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden