Holland mocht meestampen

Omdat de grote mogendheden het toestonden, kon Nederland meespelen op het wereldtoneel

Vaderlandse geschiedenis is meer dan vaderlandse geschiedenis alleen. Bij zijn beschrijving van een kleine vierenhalve eeuw Nederland. schuwt Friso Wielenga het internationale perspectief dan ook niet Een verfrissende aanpak in een tijd van navelstaren.

Geen betere rechtvaardiging voor het heden dan het verleden: dat begrepen raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt en rechtsgeleerde Hugo de Groot al. Ze deden daarom erg hun best om een historische parallel te trekken tussen de opstand van de Bataven tegen de Romeinen en die van de Nederlanden tegen Spanje zo'n vijftien eeuwen later. De Groot presenteerde de mythe in zijn in 1610 verschenen 'Liber de Antiquitate Batavicae'.

Het verhaal miste zijn uitwerking niet. Ruim een halve eeuw later kreeg Rembrandt van Rijn de opdracht om de Bataafse opstand uit te beelden op een schilderij voor hét gebouw van de Gouden Eeuw, het gloednieuwe stadhuis van Amsterdam. Naar de smaak van de zeventiende-eeuwers was Rembrandts 'De samenzwering van Claudius Civilis' helaas een al te barbaars tafereel en al na een paar maanden werd het verwijderd uit burgerpaleis op de Dam. Waarop Rembrandt een paar meters van zijn werk afsneed om het nog enigszins courant te maken en het wist te slijten aan een verzamelaar.

Kunst en geschiedenis zijn beiden een kwestie van smaak: er wordt niet alleen roekeloos in gesneden, de meeste voortbrengselen raken verloren in de loop der tijd. Dat maakt Friso Wielenga wel duidelijk in 'Geschiedenis van Nederland. Van opstand tot heden'. In de Gouden Eeuw , legt hij uit, bestond hier een creatieve industrie waar menig bestuurder en artistiekeling nu graag over dagdroomt: schilders en hun ateliers brachten een kleine zeventigduizend werken per jaar op de markt. Voor de hele Gouden Eeuw gaat het om een ongelofelijk totaalaantal van vijf miljoen schilderijen. Maar hoeveel daarvan sieren er nu nog een wand ergens in de wereld? Waarschijnlijk nog niet één procent. Behalve kunst is daarmee nog iets verloren gegaan: een enorme hoeveelheid inkijkjes in de werkelijkheid en verbeelding van de Gouden Eeuwers en hun tijd .

Wie zoals Wielenga van een heleboel historie een coherent betoog wil maken en daarvoor minder pagina's uittrekt dan er jaren te beschrijven vallen, moet nog meer gaan snijden en weggooien. Dat vergt keuzes waarop altijd wel kritiek mogelijk is. 'Geschiedenis van Nederland' is vooral het verhaal van grote mannen met wat vleugjes economie en cultuur. In zijn slotopmerkingen waarschuwt Wielenga weliswaar dat historische versimpeling dreigt als regionale verschillen binnen een land buiten beschouwing blijven. Toch ontkomt ook hij niet aan een fixatie op het centrum (Holland) en relatief weinig aandacht voor de periferie. Dus blijft heel veel onverteld.

De auteur compenseert dat ruimschoots door soeverein boven de stof uit te stijgen en door de brede visie die hij op zijn onderwerp tentoonspreidt. In een tijd waarin Nederland vooral druk is met zichzelf en de illusie koestert dat het ontwikkelingen naar eigen hand kan zetten, zoomt de auteur juist een beetje uit. Zonder de binnenlandse ontwikkelingen uit het oog te verliezen vertelt hij over een natie die mede kon ontstaan en voortbestaan dankzij de jaloezie tussen de grote mogendheden. Ze gunden elkaar de goed gelegen rivierdelta aan de Noordzee niet. Wie aan de Nederlandse zelfstandigheid wilde morrelen, wist dat hij gedonder met de anderen kon verwachten. Dus durfde niemand -een Frans en Duits intermezzo uitgezonderd - het gebied langdurig in te lijven.

Wielenga's manier van kijken heeft ongetwijfeld te maken met zijn dagelijks werk als directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien van de Westfälische Wilhelms-Universität in Münster. Hij maakt duidelijk dat de opstand tegen de Spanjaarden meer was dan een Spaans-Nederlands conflict, en dat de Tachtigjarige Oorlog en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) met elkaar vervlochten raakten in een kluwen van Europese allianties en animositeit.

De historicus paart bewondering voor de Nederlandse prestaties (rond het midden van de zeventiende eeuw was de vaderlandse koopvaardijvloot groter dan die van Engeland, Frankrijk en Spanje samen!) aan relativering. Zoveel macht was alleen mogelijk dankzij de onmacht van de grote mogendheden. Toen Engeland en Frankrijk zich herpakten, was het snel gedaan met de Nederlandse hegemonie.

Dat er na Napoleon ruimte kwam voor een koninkrijk der Nederlanden was een beslissing die niet in Den Haag of Amsterdam viel, maar op het congres in Wenen in 1815, waar de grootmachten een middelgrote bufferstaat op deze plek een verstandig idee vonden. Dat Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal kon blijven, had vooral te maken met in Berlijn en Londen gemaakte afwegingen van de voors en tegens.

Als koopman en als dominee heeft Nederland al eeuwen baat bij een internationaal machtsevenwicht. De grote zeevarende natie van de zeventiende eeuw blinkt uit in schipperen tussen de belangen van de grote jongens. De rollen van koopman en dominee liepen in de loop van de geschiedenis overigens ook voortdurend door elkaar. Als Nederland op de bres sprong voor vrijhandel, zich sterk maakte voor de internationale rechtsorde of in Indië de 'ethische politiek' gestalte probeerde te geven, gingen het najagen van eigenbelang en het doen van morele appèls op de wereld vaak samen.

De positie van wereldmacht is al lang voltooid verleden tijd, toch mocht Nederland nog graag denken dat het iets bijzonders was. De drang om als muisje mee te stampen met de olifanten, liet zich niet zomaar wegdrukken. Misschien waren we klein, maar dan zagen we onszelf toch graag als 'grootste onder kleinen'. Of als gidsland in de wereld, een natie met een roeping in de wereld.

Noem het zelfoverschatting, maar het was zelfoverschatting die ons iets eigens gaf. Totdat een jaar of tien geleden de periode van het grote navelstaren begon, speelde Nederland zijn rol met zoveel bravoure dat het nog bijna een selffulfilling prophecy werd. Anderen gingen haast geloven in de voorbeeldigheid van die welvarende delta met zijn alles oplossende poldermodel. Het is maar de vraag of zo'n onrealistisch zelfbeeld zoveel slechter is dan vergezichten die zelden verder komen dan de Oosterschelde en de Eemsmond.

Friso Wielenga - Geschiedenis van Nederland. Van Opstand tot heden. Boom, Amsterdam; 438 blz. € 24,90

Nederland vond zichzelf bijzonder: de 'grootste onder kleinen', een gidsland. Was die bravoure niet beter dan het navelstaren van nu?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden