holland festival

AMSTERDAM - De burgerij versteld doen staan - 'épater le bourgeois' -, deze kreet zong ooit rond onder componisten en muzikanten die per se het nieuwe wilden. De musici die het Holland Festival woensdagavond in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw aan bod liet komen, deden ook het publiek versteld staan: niet met noviteiten maar met een fantastische volle, ronde, op klassieke leest geschoeide strijkersklank.

Altviolist Zoltán Benyács en cellist Michael Müller, beiden verbonden aan het Radio Kamerorkest, vervulden woensdagavond de solistenrol in twee composities van de Brit Gavin Bryars. Ze kregen van hem volop de gelegenheid te 'epateren' in diens recente composities. Benyács in 'The North Shore' voor altviool en ensemble uit 1994 en Müller in het celloconcert uit 1995. Gedragen door een wonderbaarlijk harmonieus strijkerskorps onder leiding van de altijd exacte chef-dirigent Peter Eötvös kregen beide composities een uitvoering waarvan je als componist alleen maar kunt dromen.

Voor de kritische luisteraar resteerde de vraag of de magere composities van Bryars de luxe van zo'n droomuitvoering wel waard waren. Beide stukken leken opvallend veel op elkaar: achter de hypersonore oppervlaktestructuur verborg zich maakwerk dat in meer dan één opzicht aan de bottega (het winkeltje) van Vivaldi deed denken. Continu heen en weer pendelende kleine sexten in de strijkers, snelle arpeggio-bewegingen over alle snaren bij de solist, kleine drieklanken als blokken achter elkaar gezet en verbonden met een soort melodieuze stroop, het waren deze telkens terugkerende ingrediënten die, eenmaal opgemerkt, gauw gingen vervelen. Zelfs het slot van beide werken is identiek: een hangende kwint in de solistische partij boven een verzwegen grondtoon. Het werk van Bryars hangt aan elkaar van de clichés. Niet toevallig komt al gauw de klassieke typering van de filmmuziek-componist boven drijven: die kan snel muziek schrijven in elke gewenste stijl behalve zijn eigen.

Van het Holland Festival mocht Bryars, die afgelopen maandagavond al met zijn eigen ensemble in Paradiso was te horen en ook nu aanwezig was, het programma naar eigen inzichten verder uitbouwen. Het verwonderde niet, dat hij hierbij uitkwam bij ascetische componisten als Pürt en Takemitsu. 'Wenn Bach Bienen gezüchtet hütte' van Pürt figureerde als kort openingsstuk. Deze compositie met haar plotselinge overgangen van diffuus geraas naar barokke 'effecten' telt niet tot Pürts sterkste werken en heeft me sinds de première in Graz nooit kunnen overtuigen. Toch wist dirigent Eötvös het werkje een bijzonder klank-cachet te geven door gebruik te maken van verspreid staande (!) strijkers. In 'How slow the wind' gaf de Japanner Toru Takemitsu aan hoe je wél met weinig materiaal interessante klankfiguraties en vista's kunt creëren.

Met de onvergankelijke 'Three Places in New England' van Charles Ives - pakkend en met veel Schwung uitgevoerd door de toegevoegde blazers - vormde 'How slow the wind' de vitaminenrijke hoofdschotel van het matig bezochte concert. Het zou te waarderen zijn als het Holland Festival dit selecte publiek, dat terecht enthousiast reageerde op de puike klanken die de zaal inkwamen, wat serieuzer zou nemen. In de 'dgkrnt' misten behalve de vocalen ook de summierste programmagegevens. Dat Gavin Bryars de 'dubbele bas' bespeelt naast de contrabas was hem niet aan te zien: aan beide armen zaten slechts twee handen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden