HOLLAND - BELGIE GEZELLIG!

In de eerste jaren van deze eeuw is Doe Hans - het is zijn echte naam - in Rotterdam een bekende journalist. Hij schrijft over beeldende kunst en over toneel net zo breedvoerig als over de politiek in zijn stad. Doe Hans is bovendien een fervent supporter van Sparta, dus noemt hij zich zelf tevens sportjournalist, maar vaker nog 'sportpropagandist'. Waar wat te doen is, daar duikt Doe Hans op.

In de lente van 1905 is er bepaald wat te doen op voetbalgebied. De Rotterdamse kledinghandelaar Kees van Hasselt is al jaren aan één stuk bezig met het formeren van het Bondselftal. Het jaarlijkse hoogtepunt bestaat uit een wedstrijd tegen een officieus elftal Belgen. De ene keer wordt in Antwerpen gespeeld, de andere keer op het veld van Sparta in Rotterdam. Begin 1905 besluit de Nederlandsche Voetbal Bond dat het Bonds- of Van Hasselt-elftal voortaan officieel Nederlandsch Elftal zal heten.

Een enkeling binnen de Bond wijst Van Hasselt erop dat het dan wel zo aardig zou zijn ook eens spelers uit andere windstreken dan alleen de westelijke op te stellen. Ach, dat wil Kees in principe wel, maar vooral in het noorden en oosten ligt het spelpeil nog zoveel lager dan in het westen. Kunnen die jongens van verre niet eerst onderling tot betere competities komen? Maar kom, Kees van Hasselt is de beroerdste niet. Via een omweg wijkt hij enigszins af van zijn gewoonte alleen spelers uit Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Haarlem en Amsterdam te kiezen.

Voor de eerste officiële interland, België-Nederland op 30 april 1905 in Antwerpen, stelt de NVB nationale costuums ter beschikking. Het shirt is wit, een rood-wit-blauwe sjerp loopt van de linkeroksel naar de rechterheup. De broek tot op de knie is zwart. Voor de kousen is een bijzondere regeling getroffen. Wie voor het nationale voetbalelftal wordt gekozen, moet ook zijn club in die eer laten delen. Dus vindt men het een leuk idee de spelers hun clubkousen te laten aantrekken. En kijk: daar zitten zowaar Brabantse kousen bij. Kousen van pseudo-Brabanders, dat wel, want het gaat om de geel-zwarte exemplaren van de westerlingen Guus Lutjens, Ben Stom en Eddy de Neve. In opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda spelen zij tijdelijk voor de Cadettenclub Velocitas Breda.

Op het grensstation van Roosendaal zijn deze drie de laatsten die plaatsnemen in de Nederlands Elftal-trein. De andere acht die op de winderige zondag de 30ste april 1905 naar Antwerpen sporen, zijn eerder ingestapt, want louter westerlingen: Reinier Beeuwkes, Dirk Lotsy en Willy de Vos van DFC uit Dordrecht, Bok de Korver en Rein Boomsma van Sparta uit Rotterdam, Dolf Kessler van HVV uit Den Haag, Karel Gleenewinkel Kamperdijk van HBS uit Den Haag en Peet Stol van Haarlem.

Doe Hans is een scherp waarnemer. Zo heeft hij op het station in Rotterdam gezien dat de DFC-linksbuiten Willy de Vos er onzeker uitziet. “Maar hij was in den proefwedstrijd tegen de Caledonians dan ook een parodie van een eerste-klas-speler”, meldt de kritische geest in Het Sportblad. Maar als de Belgen na verlenging met 4-1 zijn geklopt, krijgt ook Willy de Vos de complimenten. “Zelfs het beste paard struikelt wel eens. Zooals onze bruine D.F.C.-er Zondag speelde, kalm, degelijk en sympathiek, verdient hij zijn plaats in het Eere-Elftal ten volle! Hij hunkerde naar den strijd, om zijn goeden naam te herstellen. Hij was ook al vroeg aan 't Rotterdamsche Station, waar zich een gezellig clubje bijeen verzamelde, om te wachten op den Haagschen trein, die andere spelers bracht. Er was al geestdrift vroeg in den morgen.”

Een gezellig clubje, dat is het eerste echte Nederlands elftal beslist. De treinreis is gezellig, de lunch is gezellig, er wordt gezellig gepraat. Gezellig zijn vooral ook de uurtjes voor de historische aftrap, in het centrum van Antwerpen. Doe Hans doet een beetje mysterieus over die uurtjes. “Wat we 's ochtends in Antwerpen hebben gedaan, behoort niet binnen de grenzen van dit verslag te worden vermeld, maar toen de Vlaamsche koetsiers ons voor den ingang van het Beerschot-terrein brachten, was onze dag al welbesteed geweest...”

Waren de voetballers van 1905 en hun begeleiders ook al deugnieten?

Het veld van Beerschot, daar hebben we Doe Hans weer, dat is... een gezellig veld. Die mening deelt hij overigens met de verslaggever die het Rotterdamsch Nieuwsblad heeft meegestuurd. Vijftien jaar later zullen op deze plek de zesde Olympische Spelen van de moderne tijd worden gehouden, maar in 1905 is het hier, aan Het Kiel, dus gezellig en knus. En meer dan dat nog. “Op het veld van Beerschot is alles. In dit voetbal-Luilekkerland mankeeren slechts zachtruischende beekjes, sprankelende watervallen met zilveren forellen, Italiaansche meisjes in sierlijke gondels. Zonder overdrijving: het is een pracht-veld! Zoo glad als 'n billard, zoo vast als asphalt. De Kalverstraat is er niets bij.”

Jammer is wel dat de wedstrijd later in de middag begint dan van Hollandse zijde wordt gedacht. De Belgen hebben een prachtig diner verzorgd, maar nog voor het toetje op tafel staat en tal van sprekers de banden tussen de lage landen aan de zee in gloedvolle woorden willen benadrukken, ziet Kees van Hasselt op zijn horloge dat de tijd dringt. Van Beerschot naar het Centraal Station is het per koets nog een aardig stukje rijden en de laatste trein moet beslist worden gehaald. Nog wel worden de Brabanconne en het Wilhelmus gezongen, want dat het hier gaat om een match van groot nationaal, wat heet, van groot internationaal belang, daar zijn allen het over eens. “Er werd hartelijk gecheerd, er heerschte een harmonie België en Nederland waardig. De geestdrift, welke zich uitte, kon slechts overstemd worden door het orchest dat de Brabanconne en het Wilhelmus deed hooren. Toen daarna door den heer Van den Abeele, den heer J. Warner, voorzitter van den NVB en den heer C. W. van Hasselt, benoemd werden tot eereleden van den Belgischen Bond, bereikte de geestdrift wel het toppunt. Noode werd Antwerpen verlaten, wat bijna oorzaak was van het verzuimen van den trein, welke de spelers naar Rotterdam terug moest brengen. Het spreekt vanzelf, dat ook gedurende het lange traject een dolle vreugde heerschte.”

Bij die vreugde tuurt de ontroerde aanvoerder Dolf Kessler soms uit het rampje van de coupé. “'t Is kollesief”, zegt hij om de haverklap. Ook dat weten we van onze Doe Hans, de chroniquer die zelf ook de dag van zijn leven beleeft. “Ik heb den Dirk tussen Antwerpen en Dordt herhaaldelijk zien dansen en springen. Zoo onder den indruk was hij dat hij steeds maar weer die twee woorden sprak: “'t Is kollesief.” Ik heb den Dirk een polka zien huppelen op het perron te Roosendaal, maar zeggen deed hij slechts die twee woorden. Aan het Roosendaalsche station kocht Kees van Hasselt een flesch champagne. Dirk nam het glas met goud-bruischenden wijn, nuttigde het, sloeg d'oogen ten hemel en fluisterde weer: “'t Is kollesief”.

Ruim drie decennia na de zwaar-historische wedstrijd voor achthonderd toeschouwers, schrijft Eddy de Neve in Java hoe groots deze interland wel is geweest. Eddy verzorgt in de eerste interland van Oranje de complete productie. Vier keer werkt de midvoor de bal achter doelman Eric Thornton van de sjieke Léopold Club uit Brussel. In de normale speeltijd, tien minuten voor tijd, is het voor de eerste keer raak. Vlak voor het eindsignaal van scheidsrechter König schiet Ben Stom de bal echter in eigen doel: 1-1. Nou, daar worden ook in 1905 al grappen over gemaakt: Stom, die in eigen doel schiet! In 1938 kijkt Eddy de Neve nog eens gedetailleerd terug op zijn huzarenstukje. In Nederlandsch-Indië is zijn maatschappelijke loopbaan niet bepaald succesvol verlopen, maar uitgever A. C. Nix uit Bandoeng ziet wel wat in een boekje van de hand van de eerste schutter van Oranje.

Koning Voetbal heet dit kostelijke werkje. Op de cover staat dat het boek is geschreven door E.K.A. de Neve - Oud International. Drie emblemen sieren de voorkant: het geel-zwarte van Velocitas Breda, het rood-zwarte van HBS Den Haag (de eerste en echte voetballiefde van Eddy) en het rood-wit-blauwe van het Nederlandsch Elftal. Eddy blijkt het boekje te hebben geschreven in verband met de kwalificatie van Nederlandsch-Indië voor de WK-eindronde van 1938 in Frankrijk. Die jongens kunnen nog wel wat tips gebruiken, want Eddy ziet diverse mankementen. “Het merkwaardige en verwonderlijke is, dat in Nederlandsch-Indië niet erg veel spelers zijn, die bij het spel goed hun verstand gebruiken. Wie wel een intellectueel spel speelt, valt direct op. Over het algemeen is de techniek en het uithoudingsvermogen, dus het physieke voetbal, hier niet slecht, maar de balcontrole, de tactiek en de samenhang van het elftal, het verstandelijke deel dus, is het groote zwakke punt. Het is in de hoop, dat de huidige generatie voetballers in Nederlandsch-Indië wellicht nog iets zou kunnen leeren van de gevallen, die ik behandel, dat ik dit drukwerkje het licht deed zien.”

Eddy de Neve gebruikt even bloemrijke als heroïsche taal, die hij aan het einde samenvat in zijn tien geboden voor den modernen voetballer:

1. Eerst werken, dan spelen. 2. Blijf netjes, al kost het moeite. 3. Wie boos wordt, heeft ongelijk 4. Bezint eer Gij begint. 5. Eert den Scheidsrechter en uw Aanvoerder. 6. Misbruik nooit uw lichaamskracht. 7. Allen voor één, één voor allen. 8. Schop met uw hoofd, denk met uw voeten. 9. Oefen systematisch. 10. Ende dispereert nimmer!

Ach, de jongens van Nederlandsch-Indië hebben niet veel aan de tips. Ze zijn drie maanden onderweg, maar na negentig WK-minuten is het al over. In het Stade Municipal van Reims zijn de Hongaren veel te sterk: 6-0.

In zijn Koning Voetbal kijkt Eddy de Neve uitgebreid terug op zijn vier doelpunten van 30 april 1905. Doelpunten? Dit zijn geen doelpunten meer, dit zijn heldendaden! Den vijand overwonnen, het vaderland optima forma gediend. Neem de tweede goal, een kopbal. Eddy houdt eerst een verhandeling over het koppen. “Het headen is een belangrijk hulpmiddel om den bal snel te verplaatsen en dóór of over te geven. Het is niet zoo eenvoudig als het lijkt en vereischt wel degelijk een grondige oefening om het in dien richting tot iets te brengen. De groote fout van beginners is, dat zij bang zijn en vóór het contact met den bal de oogen sluiten. Wie dat doet, zal het nooit leeren, want het komt er juist op aan, om den bal tot het laatste moment te volgen. Bovendien, wanneer men de oogen sluit, heeft men kans het leer boven of achter op het hoofd te krijgen, hetgeen meestal een pijnlijke bewerking is, waardoor men afgeschrikt wordt, om het nog eens te probeeren. Ik heb mij altijd het beste bevonden bij het opvangen van den bal met het voorhoofd: anatomisch blijkt dat de schedel daar dikker, althans sterker is dan boven op het hoofd.”

Na deze visie op het headen, gaat Eddy verder over die rake kopbal op het veld van Beerschot. “De zon stond al laag en we keken allen knipperend tegen de zon in naar den komenden bal. Boomsma gaf geen boogschot, maar een kaarsrechten kanjer, die linea recta op mij afkwam. Nu of nooit, dacht ik en bleef roerloos gespannen staan. En tegelijk was het gebeurd. De bal ketste op mijn kop terug en ik zag duizend sterren voor mijn oogen dansen. De bal lag al in het doel! Ik was half verdoofd, maar een donderend gebrul bracht mij weer tot bezinning. Had ik toen maar even met mijn oogen geknipt, of me bewogen, dan was er niets gebeurd.”

Dat was 1-2, maar maar ook 1-3 mocht er zijn: “Bij België speelde een back mede met vuurrood haar, witte wenkbrauwen en schelvischoogen. Ik herinner mij deze details omdat ik telkens bij het inloopen met hem in contact kwam en het mij dan steeds opviel en ergerde, dat hij zoo bij uitstek 'vuil' keek. Men denke zich deze combinatie van knalrood haar, witte wenkbrauwen, schelvischoogen en dan ook nog vuil kijken goed in, om mijn stemming te kunnen aanvoelen. Ongetwijfeld zal hij van mij hetzelfde gedacht hebben, omdat je gewoonlijk, wanneer je als een dolle op iemand instormt, niet een gezicht trekt als een vredesduif of paradeert met een 'Mona Lisa' glimlach op het gelaat. Het stond 2-1 voor ons. Er waren nog zeven minuten te spelen. Door die kei van een kopbal had ik door mijn heele lijf een tintelend, prikkelend gevoel, terwijl ons dapper troepje supporters bij de Belgische goal onder leiding van Bill Dijxhoorn onze stemming tot razend fanatisme opzweepte. Een onweerstaanbaren lust overvalt mij, om dien rooien rakker met zijn grijnzenden kop nu eens een keer degelijk van de sokken te lopen. Ik krijg den bal en storm naar voren. Nu, denk ik, nu, nu! Maar er komt geen weerstand, geen botsing en ik zie ook geen rooie kop. Ik zie helemaal niets en ren door. Tot ik voel niet langer te mogen wachten en blindelings den bal een woedenden schop naar voren geef, met den vurigen wensch, om de rooie dan toch maar met den bal te raken. Maar Bill Dijxhoorn met zijn mannetjes kondigden met wild gehuil aan dat het goal was! Vlak voor mij dook de rooie op. Toen lachte ik. Nog vier minuten te spelen en 3-1 voor ons! Hetzelfde heb ik nog eens herhaald, maar dit keer niet om den rooie. Het was, omdat Bill Dijxhoorn met zijn machtigen stem over het veld daverde: “Nog eentje, nog eentje!” Ook weer recht vooruit, zonder omwegen, met alle adem en snelheid die ik nog over had na bijna twee uren zwoegen en dan als slot, als het ware automatisch, met oogen fel geknepen van inspanning, een schot, waarin ik het laatste restje fut legde, dat mij nog ter beschikking stond. Wederom goal!”

Twee weken na de eerste Derby der Lage Landen is er de return in Rotterdam. Het Rotterdamsch Nieuwsblad heeft deze wedstrijd grotendeels georganiseerd. De belangstelling is overweldigend. Naar schatting dertigduizend mensen zijn samengepakt rond het Sparta-terrein bij het Schuttersveld, tussen de Crooswijkscheweg en de Linker Rottekade. De mensen staan rijen dik langs de lijn, maar ze zitten ook op de daken van de huizen. Zoveel volk, terwijl voetbal voor velen nog een geheimzinnige bezigheid is. Kijk maar naar het hoofdredactionele artikel waar de organiserende krant daags voor de wedstrijd mee uitpakt. De voetbalregels worden nog eens uitgelegd:

“Het spel wordt gespeeld door twee partijen, elke partij bestaat uit niet meer dan elf spelers. Het speelterrein heeft een breedte van 90 à 120 meter en een breedte van 45 à 70 meter. Door grenslijnen wordt het terrein afgebakend, dit geschiedt door het aanbrengen van kalklijnen. Het veld heeft dus den vorm van een langwerpig vierkant, waarvan de twee grootste lijnen 'zijlijnen' en de twee andere 'doellijnen' worden genoemd. Nu wordt er op gelijken afstand van de hoeken op iedere doellijn een 'doel' opgesteld, bestaande uit twee loodrecht staande palen, welke aan de bovenzijde door een lat met elkaar worden verbonden.”

Zo gaat het nog een tijdje door. Vooral de uitleg over de buitenspelregel is zo ingewikkeld op papier gezet, dat leken er niets van begrepen zullen hebben. Maar wat belangrijker is op 14 mei 1905: Nederland wint weer, met 4-0 dit keer, door doelpunten van Eddy de Neve (twee stuks), Guus Lutjens en Willem Hesselink van het oostelijke (!) Vitesse. En het allerbelangrijkste is dat het andermaal... gezellig is. Vroeg in de ochtend heet Kees van Hasselt de geselecteerde spelers welkom aan het station Delftsche Poort. In open rijtuigen gaat het eerst naar het bureau van directeur C. Sijthoff van het Rotterdamsch Nieuwsblad. De Heeren beseffen toch wel, zo benadrukt de courantier, dat het vandaag om het landsbelang gaat ? Natuurlijk beseffen de Heeren dat. Maar de directeur stipt ook nog even aan dat alles in het nette moet blijven. “Ik hoop dat een krachtigen, grootschen strijd te aanschouwen zal zijn die ook met groote hartelijkheid van weerszijden zal worden gestreden.” Na die woorden is er de feestelijke lunch in het Poolsch Koffiehuis aan de Jonker Fransstraat, waarna het door de met voetbalsupporters verstopte straten verder gaat naar het Schuttersveld. De Belgen verliezen dus met 4-0, maar Sijthoff wordt op zijn wenken bediend: de strijd wordt beslist met groote hartelijkheid gestreden. Na de wedstrijd vraagt Jasper Warner eerst om three cheers voor mevrouw Sijthoff ('de bevallige uitreikster van den beker'), waarna Dolf Kessler als captain nog op het veld het woord voert: “Het was de vriendschapsband, die onder deze voetballers bestond, waardoor het mogelijk was de overwinning weg te dragen.”

Volgen weer de door allen uit volle borst gezongen volksliederen. Later onderbreken twee officials in Hotel St. Lucas even de rijke dis (Amerikaansche salade, schildpadsoep, tarbot met kappersaus, koud uitgesneden runderhaas met groenten, kalfsnierstuk op Milaansche wijze, sleepasperges, Boheemsche fazant met perzik, Zwitsersche schuimtaart, roomijs en vruchten) om elkaar en ook alle anderen met tranen in de ogen toe te spreken. Jasper Warner, van de NVB: “Wij halen den boel wel in België en de Belgen hier. Zoo moet het gaan, over en weer! Vive le Roi Léopold II.” Namens de Belgen antwoordt Baron De Lavelaye: “Een dronk op de bevallige Souvereine van het vriendenvolk, aan de Koningin der Nederlanden, door al Haar onderdanen zoo oprecht bemind, zoo gevierd, ook buiten de grenzen van Haar Rijk.”

Ook Doe Hans is erbij. Hij legt tenslotte vast: “Zóó'n dag zal niet licht terugkeeren. Misschien dat wij, die nu ons jonge, vurige bloed voelen stroomen, straks aan kinderen en kleinkinderen, die rond den voetbal opgroeien, van deze glorierijke sportbetooging zullen spreken. Ik geniet nog na!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden