Holbewoners van de 19de eeuw

Foto van een Amsterdamse krot, genomen in 1913. ( FOTO UIT BESPROKEN BOEK)

Ons beeld van de negentiende eeuw is te zoetsappig, vindt Auke van der Woud. In zijn boek neemt hij de lezer mee naar de sloppen en stegen in de steden van toen.

Bij de beesten af. Zo waren de woonomstandigheden van een groot deel van de Nederlanders halverwege de negentiende eeuw. „De holen der menschen – en anders mogen de woningen van velen uit den min gegoeden stand niet heeten – staan niet zelden achter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd”, schreef een commissie van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) in 1854. „De eerste vereischten voor leven en gezondheid ontbreken; alles schijnt er aangelegd om het zedelijk leven, hetwelk in die holen wordt geleid, op den dierlijken voet te handhaven, en zoo doende staan die holen als onuitputtelijke bronnen van verderf, alle verstandelijke, vooral alle zedelijke ontwikkeling tegen en belemmeren den voortgang van eene gewichtige klasse der maatschappij.”

Aan vrijwel alles bestond gebrek in de sloppen en achterbuurten van de grote steden: aan verstand, aan opvoeding, aan moraal, aan geld, aan eten en aan huisvesting. Toch was verontwaardiging als die van de KIVI-commissie midden negentiende eeuw schaars.

Veel huizen mochten dan ’een schrik voor den meer beschaafde’ zijn, armoede gold ook als een soort natuurwet. In de sterk hiërarchische samenleving kende iedereen zijn plaats. Slechts drie à vijf procent van de bevolking had het geluk tot de elite te behoren, 45 à 47 procent mocht zich rekenen tot de middenstand en de andere helft van de bevolking maakte deel uit van de laagste klasse, die van het werkvolk. Veel van hen bewoonden een- of tweekamerwoningen, hadden te veel om te sterven en te weinig om te leven. Ondervoeding en chronische sluiphonger waren alledaagse verschijnselen.

De algemene houding tegenover die ellende was er een van berusting. De sociale orde was nu eenmaal niet anders. Ook het geloof in predestinatie speelde mee: ’Elk zijn lot! Geniet ’t Uwe; ’t Komt van God’, schreef de dichter Tollens.

In de politiek domineerde het nog onversneden liberalisme. Laissez faire, laissez aller, luidde het motto voor de staatshuishouding. Wie goed genoeg de andere kant op keek, hoefde de ellende ook niet onder ogen te zien. Een staatscommissie ondervroeg in 1891 de burgemeester van Nijmegen over de arbeiderswoningen in zijn gemeente. Daar was weinig mis mee, meende die. „Het zijn natuurlijk geen paleizen, maar ik hoor er niet over klagen.”

Ook historici hebben de neiging de andere kant op te kijken, betoogt Auke van der Woud in zijn inleiding op ’Koninkrijk vol sloppen’. De hoogleraar architectuur en stedenbouwgeschiedenis schreef eerder boeken over ruimtelijke ordening (’Het lege land’), het debat over bouwkunst (’Waarheid en karakter’) en de aanleg van communicatie- en mobilteitsnetwerken (’Een nieuwe wereld’) in de negentiende eeuw. Volgens hem bestaat de neiging om bij het beschrijven van de periode tussen 1800 en 1900 te focussen op de gegoede burger. Aldus ontstaat het beeld van een zacht en zoet Nederland dat met de werkelijkheid van destijds niet zo heel veel van doen heeft. Miljoenen landgenoten leefden in omstandigheden die zich min of meer laten vergelijken met die in de slums van de grote steden in de huidige Derde Wereld.

Van der Woud laat de lezer dat milieu zien, voelen en ruiken. Achterbuurten waren letterlijk achterbuurten. Wie van de doorgaande wegen, de lanen en pleinen gebruikmaakte, merkte ze nauwelijks op. Ze bevonden zich in de haarvaten van de stad, in de stegen en doodlopende gangetjes. Zo heerste, op een steenworp van het parlement en de ministeries, in het hart van Den Haag, de viezigheid, leefden mannen, vrouwen en kinderen opeengepakt in mensenpakhuizen en werden in die beperkte ruimte ook nog varkens vetgemest. Woningen verkeerden in deplorabele staat. De huurders hadden het geld niet om er wat aan te doen. Hun huisbazen aanspreken durfden ze ook niet, uit angst voor huurverhoging.

De zorg voor deze mensen zat simpelweg niet in het systeem van de beter gesitueerden. In Deventer werd niet eens aandacht besteed aan het feit dat een slagerij en een stalhouderij spoelwater met slachtafval, urine en vloeibare mest loosden op een goot die langs slopwoningen liep. Volgens een oud servituut hadden ze het recht om dat te doen. Punt.

Tegen 1900 kantelde het denken, langzaam maar gestaag. Sociale hygiëne kon bijdragen aan het algemeen welbevinden van een samenleving en zeker aan dat van de allerarmsten. Van der Woud gaat onder meer uitgebreid in op de lange weg naar fatsoenlijke riolering.

De maatschappij was, zoals de liberaal Goeman Borgesius in 1882 schreef, ’geen verzameling atomen, geen vereniging van op zichzelf staande individuen, maar een levend geheel, een organisme, waarvan het eene deel niet ziek kan zijn zonder dat ook de andere deelen lijden’.

Bij zijn inaugurele rede als hoogleraar in Amsterdam vroeg Cort van der Linden, later premier namens de liberalen, zich hardop af waarom de staat de armen niet voedde, geen onderwijs kon bieden en geen welvaart zou kunnen verspreiden.

De geschiedschrijving legt nogal eenzijdig de nadruk op de rol van de socialisten en sociaal-democraten bij de verheffing van de lagere standen, vindt Van der Woud. Dat is volgens hem een miskenning van het voortrekkerswerk van tal van links-liberalen en christelijk geïnspireerde artsen, ingenieurs, architecten, predikanten, politici en weldoeners. Ook komt aan hen eer toe als het gaat om het laten indalen van een nieuwe mentaliteit, een van solidariteit en mededogen.

Van der Woud heeft ondertussen zijn eigen monument opgericht: een oeuvre dat als geen ander een ambassadeursrol vervult voor een relatief onderbelichte eeuw.

Met fraaie, niet altijd voor de hand liggende invalshoeken informeert, enthousiasmeert en verrast hij keer op keer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden