Hofstad kan nu pronken met Skyline

Het nieuwe Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het Spuikwartier in Den Haag is voor Nederlandse begrippen zeer uitbundig. De ontwerpers - de Amerikaan Michael Graves en de Nederlander Sjoerd Soeters - trokken zich niets aan van de Hollandse zucht naar rede en doelmatigheid en creëerden een dubbele kantoorkolos vol architectonische liflafjes en associatieve vormen. Twee factoren waren van belang: de ontwerpcultuur van De Resident, de miniwijk waarin het ministerie ligt, en het feit dat niet de overheid de opdrachtgever was, maar een projectontwikkelaar van wie het rijk huurt.

ROBBERT ROOS

Hollanders houden niet van decorum. Een gebouw moet zich voegen naar de omgeving en gedienstig zijn aan de functie. Voor Amerikanen daarentegen kunnen gebouwen geen ponem genoeg hebben. Graves zette daarom zonder scrupules twee enorme puntdaken op de rechthoekige toren die als uitgangspunt diende. Al direct bij het zien van de locatie schetste Graves dit beeld en het is vrijwel exact zo uitgevoerd. Openlijk refereert de Amerikaan aan de Haagse herenhuizen die hij elders in de stad zag, een doodzonde in de ogen van menig Nederlandse architect. Het resultaat is wel dat Den Haag een markant monument rijker is, dat een grote uitstraling heeft naar de omgeving. De Hofstad kan nu net als Rotterdam gaan pronken met haar skyline.

Er brak de nodige commotie uit, toen de postmodernist Graves begin jaren negentig als de ontwerper van het nieuwe ministerie - op dat moment nog bestemd voor Onderwijs en Cultuur - werd gepresenteerd. Een Amerikaan die zo'n geprofileerd gebouw zou maken! Dat moest een Nederlander zijn! Vergeten werd dat er óók een Nederlander bij betrokken was: Sjoerd Soeters. Deze Amsterdammer laat in zijn architectuur blijken niet vies te zijn van decoratie of expressieve vormen. Dat maakte hem tot een ideale sparring partner van Graves.

Voor Soeters was de ontwerpopgave een stuk complexer dan voor Graves. De Amerikaan kreeg een bestaande toren tot zijn beschikking - het in 1967 ontworpen Transistorium - die hij mocht strippen en opnieuw aankleden. Soeters moest van nul af aan beginnen en had te maken met een complicerende factor: er moest een tram dwars door zijn gebouw. Daarnaast moest hij de vertaalslag maken van de hoogbouw van Graves naar de veel lagere straatwand aan de Turfmarkt, met aan de overzijde het wooncomplex De Zwarte Madonna van Carel Weeber. De Turfmarkt is de afgelopen jaren gepromoveerd tot slagader van het Spuikwartier. Het is de verbindingsstraat tussen Den Haag CS, het ministerie van Vrom, het nieuwe ministerie van VWS, de Zwarte Madonna, de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie en Spuiplein met het Muziek- en Danstheater.

De gevel aan de Turfmarkt krijgt door eze functie veel gewicht en vooral met dit onderdeel heeft Soeters het meest lopen stoeien. De grove opzet van zijn complex had hij snel klaar: drie parallel geplaatste middelhoge torens die aan de Turfmarktzijde trapsgewijs smaller worden, met een onderrand die over de volle lengte van het gebouw doorloopt. In eerste instantie had Soeters dit onderste gedeelte ook als één langgerekt bouwdeel ontworpen, maar uiteindelijk kwam hij na wat tussenvarianten uit bij drie duidelijk gearticuleerde torens, waartussen losse bouwdelen 'hangen'. Het lijkt nu wel enigszins alsof de torens van Soeters als boekensteunen voor Graves toren fungeren, al zorgt de Amsterdammer met wat architectonische aardigheden - zoals vijf spitse punten die als breinaalden uit de top priemen - duidelijk voor een eigen gezicht.

Zowel Soeters als Graves moesten zich schikken in het architectonische beeld dat de ontwerpers van De Resident voor ogen stond. Stedenbouwkundige Rob Krier wilde vanaf het begin dat het een stadshart in bijna middeleeuwse trant zou worden: kleine straatjes, pleinen en een historiserende architectuur. In meerdere intensieve workshop-sessies kwamen de deelnemende architecten uiteindelijk tot hun materiaalkeuze: veel baksteen en daken in kopergroen.

Baksteen in hoogbouw kan hachelijk zijn door het monumentale karakter ervan, maar Graves en Soeters maken er dankbaar gebruik van. De Amerikaan versterkt er de associatie met Hollandse huizen mee, terwijl Soeters juist naar Amerikaanse voorbeelden verwijst. Zijn drie torens lijken - inclusief de trapsgewijze verjonging - op New Yorkse brownstone-appartementscomplexen. In de zijgevels van de torens bracht hij een spitsvormig aluminium patroon aan, wat weer herinneringen oproept aan de Art Deco-torenspits van het Chrysler-gebouw in New York.

De onhollandse uitbundigheid van Soeters en Graves kreeg de ruimte, doordat ze een marktconform kantoorgebouw moesten ontwerpen van de opdrachtgever. Pas later werd bekend dat er een ministerie in zou komen. Met de Rijksgebouwendienst als enige opdrachtgever zou de romantische beeldtaal waarschijnlijk nooit de kans hebben gekregen.

De toren van Graves wordt inmiddels 'Castalia' genoemd en het complex van Soeters 'Helicon' (verblijfplaatsen van de muzen). Ze worden van elkaar gescheiden door het Parnassusplein, een binnenplaats waaraan de hoofdingang van het ministerie ligt. Deze is geplaats in Castalia. Je komt er binnen in een zachtrood en crême-kleurig decor vol classicistische elementen, het typische handschrift van Graves. Van daaruit ga je naar rechts naar een roltrappenhal die op een oud-romeins atrium lijkt. De trappen voeren je naar de vierde verdieping, het niveau waar Castalia en Helicon door middel van loopbruggen in elkaar overlopen. In Helicon is het de eerste volle kantoorvloer. Eronder raast de tram door het gebouw en ligt de parkeergarage van het ministerie.

De vierde verdieping is meteen ook de bovenste laag van de bouwdelen tussen Soeters' torens. De architect heeft ze ingericht als respectievelijk vergadercentrum en restaurant. Vooral het restaurant is opgevat als een plein op zich. Op de vloer liggen klinkers en de gevelbekleding van de torens loopt binnenin door.

Met hun expressieve aanpak maken Soeters en Graes een pontificaal gebaar naar de omgeving. Ze krijgen in de komende jaren nog gezelschap van torens van Rob Krier en Cesar Pelli, die beiden ook voor De Resident bouwen. Vooral Pelli pakt uit met een top die lijkt op een in elkaar gedoken spin.

Het decoratieve karakter van Pelli's 'torenspits' is evident, dat van Graves' puntdaken veel minder. Je zou denken dat er mooie hoge ruimtes in de punten zouden zitten, voor ontvangsten of zoiets. Die ruimtes liggen er ook wel, maar ze worden niet gebruikt door de opdrachtgever. Twee potentieel prachtige kathedraal-achtige zalen gaan zo aan de neus van het ministerie voorbij. En dat maakt de twee opvallende daken eigenlijk tot een loos gebaar vol effectbejag, waar ze een sprankelende architectonische functie hadden kunnen krijgen. Dat zou een mooie fusie tussen Amerikaanse expressie en Hollandse doelmatigheid zijn geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden