Hofleverancier van de djihad

Familieleden en collega's rouwen om Amor Tlili, een van de zestien militairen die in juli omkwamen bij een hinderlaag van djihadi's. Beeld afp

Een kwart van de buitenlandse strijders in Syrië en Irak is van Tunesische afkomst. In hun Noord-Afrikaanse vaderland is het voortbestaan van de prille democratie daardoor in het geding. 'Het grootste gevaar is dat deze djihadi's andere jongeren zullen inspireren.'

Afgelopen zomer plaatste 'Aboe Hamza de Tunesiër' enkele onheilspellende filmpjes op zijn Facebookpagina.Te zien zijn vijf geknevelde mannen op hun knieën in het decor van de Iraakse woestijn. Twee van hen dragen het insigne van de Iraakse grensbewaking. Op momenten dat ze in de camera blikken valt de angst in hun ogen af te lezen. Dan verschijnt Aboe Hamza in beeld, een baardige man gekleed in een djellaba en een munitievest. Hij stelt de vijf vragen en deelt rake tikken uit wanneer de antwoorden hem niet bevallen.

In een volgend filmpje is te zien hoe Aboe Hamza de vijf opdraagt het regime in Bagdad te veroordelen en trouw te zweren aan de Islamitische Staat (IS). De eerste twee doen wat hen gevraagd wordt, de middelste mompelt iets onverstaanbaars. Aboe Hamza duwt hem op zijn rug en drukt een pistool in zijn nek. Dat het hem ernst is, blijkt uit een derde filmpje. Hierop is de middelste man te zien, omgebracht door een kogel in het gezicht. Een vierde filmpje toont de vijf mannen, allen geëxecuteerd en badend in het bloed.

Inmiddels zijn we maar al te goed bekend met dergelijke filmpjes. En maken we ons zorgen over het aantal jongeren dat vanuit Europa richting Syrië reist om zich aan te sluiten bij IS. Journalisten en wetenschappers breken zich het hoofd over de beweegredenen. De regering stelt plannen van aanpak voor. Maar echt geruststellen doen die ons niet.

Instituties
Kun je nagaan wat ze denken in Tunesië. Het land dat Aboe Hamza vorig jaar verliet om zich te gaan inspannen voor de vestiging van het kalifaat is hofleverancier van de djihad. Een rapport van de Soefangroup, een commerciële inlichtingendienst, becijferde in juni dat er tot dusver zeker drieduizend Tunesiërs waren afgereisd naar de djihad. Vaak gingen ze eerst naar een trainingskamp in Libië en vervolgens via Turkije naar Syrië. Dat getal werd onderschreven door het Tunesische ministerie van binnenlandse zaken. Dat betekent dat een kwart van de buitenlandse strijders in Syrië (en Irak) van Tunesische afkomst is. Met zorg zien we uit naar het moment dat de circa 150 Nederlandse djihadi's terugkeren. Maar wat te doen als drieduizend djihadi's terugkeren?

Nederland, wat er verder ook op aan te merken valt, is een land met diep verankerde instituties. Onze democratie kan wel tegen een stootje. Maar in Tunesië ligt dat anders. Sinds het land zich in 2011 van het dictatoriale regime van Zine Abidine Ben Ali ontdeed, begon het een democratische transitie. Daarbij werd belangrijke vooruitgang geboekt. Na twee ontwrichtende politieke aanslagen vorig jaar, wisten leiders van de regering en de oppositie een akkoord te bereiken en gaven daarmee blijk van politieke volwassenheid.

Maar het wantrouwen tussen islamisten en seculieren blijft groot. Er werd voor een liberale grondwet gestemd die op brede instemming van de bevolking kan rekenen. Maar de inkt is nog nat. De revolutie van 2011 is de veilige haven voorlopig nog niet binnen. In Nederland vreest men voor aanslagen wanneer de djihadi's terugkeren. Maar in Tunesië is het voortbestaan van de prille democratie in het geding. Temeer omdat het gevaar zich al gewoon op Tunesische bodem bevindt.

Beeld Aboe Hamza de Tunesiër met gijzelaars.

Dat bleek uit de bestorming van de Amerikaanse ambassade in 2012. Vervolgens uit de aanslagen op Sjokri Belaïd en Mohammed Brahmi, twee linkse politici, bekend om hun felle kritiek op de radicale islam. En meest recent uit de grote aanslag op het Tunesische leger in het bergachtige gebied op de grens met Algerije. Half juli werden patrouillerende soldaten in een hinderlaag gelokt door een groep van veertig à zestig gewapende mannen. Zestien soldaten kwamen om.

De verslagenheid was groot. Temeer omdat het voeding gaf aan de tirade die voormalig opperbevelhebber van het leger Rasjid Ammar vorig jaar tijdens zijn afscheid afstak. De gelauwerde militair, die een cruciale rol speelde tijdens de revolutie, hekelde de zwakte van de inlichtingendiensten, waarschuwde voor wapensmokkel, georganiseerde misdaad en religieus terrorisme en stelde dat het leger niet langer bij machte was om 's lands veiligheid te kunnen waarborgen.

Eerder deze maand verklaarde minister van binnenlandse zaken Lotfi Ben Jeddoe dat het terroristische gevaar een bedreiging vormt voor een goed verloop van de naderende verkiezingen. In oktober zullen in Tunesië parlementsverkiezingen plaatsvinden; in november gevolgd door presidentsverkiezingen.

Uitblijvende investeringen
In zijn kantoor, in een buitenwijk van Tunis, windt Haikel Mahfoed er geen doekjes om. "Samen met de economische malaise vormt het religieuze terrorisme de grootste bedreiging voor de democratische transitie." Volgens Mahfoed, gerenommeerd advocaat en adviseur van de regering inzake veiligheidskwesties, hangen de twee nauw samen.

"Economische investeringen blijven uit, mensen nemen in toenemende mate hun toevlucht tot smokkel. De grenzen zijn poreus en wapens komen gemakkelijk ongezien het land binnen, helemaal met de instabiele situatie in Libië."

Mahfoed wijst erop dat de regering het probleem van het djihadisme lang heeft onderschat. Ergens was dat wel begrijpelijk. Ennahda, de islamitische partij die de verkiezingen won, was decennialang keihard vervolgd door regime van Ben Ali. Eenmaal aan de macht stond ze niet direct te trappelen om dwingend op te treden. Ze hoopte ultra-orthodoxe groeperingen als Ansar al-Sharia door middel van de dialoog in het gelid te krijgen. Pas na de bestorming van de Amerikaanse ambassade door enkele honderden ultra-orthodoxe salafisten, vielen bij Ennahda de schellen van de ogen. Een serie arrestaties volgde; Aboe Djaid, de leider van Ansar al-Sharia, dook onder.

"Onder Ben Ali was religieus terrorisme nooit echt een issue", zegt Mahfoed. "Er was een informeel systeem van verklikkers. Moskeeën werden nauwlettend in de gaten gehouden. De inlichtingen waren goed, dan kun je stevig beleid voeren."

In totaal kwamen er sinds 2011 meer dan honderd ordehandhavers (militairen, grenswachten en politieagenten) bij aanslagen om het leven. Volgens specialisten als Mahfoed laat dat wel zien hoezeer de Tunesische staat uit het lood is geslagen door de revolutie en alles wat deze - ook elders in de regio - in gang zette. De ontmanteling van de politiestaat van Ben Ali, de zuiveringen op ministeries en aarzelingen vanuit de politiek gaven terroristen misschien nog niet helemaal vrij spel. Ze kregen het wel een stuk gemakkelijker.

Begraafplaats voor djihadi's
Onder Ben Ali waren terroristische aanslagen op Tunesische bodem weliswaar schaars; Tunesische djihadisten waren vanaf de jaren tachtig reeds actief in Afghanistan. Later vochten ze in Libanon, Bosnië, Somalië, Jemen en in Irak. Dat laatste tot grote tevredenheid van Aboe Moesab Zarkawi, de oprichter van Al-Kaida-in-Irak. Veel Tunesische djihadisten van het eerste uur waren afkomstig uit de zuidelijke stad Ben Guerdane. Dat zou Zarkawi tot de opmerking hebben geïnspireerd dat wanneer deze stad zich dichter bij Bagdad zou hebben bevonden, hij 'heel Irak' zou hebben veroverd.

Volgens een rapport van International Crisis Group lijkt het aantal Tunesische djihadi's dat vanuit Ben Guerdane naar Syrië afreist juist weer wat te luwen. "Veel jongeren denken dat de Messias in Syrië op het punt staat te verschijnen en dat ze er daarom naartoe moeten. Maar ze moeten oppassen, want het land dreigt een begraafplaats voor djihadi's te worden", aldus citeert het rapport een ultra-orthodoxe moslim uit de stad.

Volgens het tijdschrift International Affairs was de eerste generatie Tunesische djihadisten hoofdzakelijk afkomstig uit de middenklasse. Rekrutering uit de onderklasse werd als contraproductief of zelfs ronduit stupide beschouwd. Maar de berichtgeving over de djihadisten die naar Syrië afreisden, wijst erop dat de huidige generatie uit de allerarmste wijken afkomstig is en weinig onderwijs genoten heeft.

"Het zijn merendeels arme drommels die zich laten verleiden door radicale predikers", zegt Soefiane Ben Farhat op het terras van zijn huis ten oosten van de hoofdstad. De prominente journalist en presentator ontving diverse bedreigingen uit moslim-extremistische hoek en wordt permanent beveiligd. Ben Farhats grootste zorg is niet zozeer dat terugkerende djihadi's aanslagen zullen gaan plegen. "Door de strijd geharde djihadi's genieten veel prestige. Het grootste gevaar is dat zij andere jongeren zullen inspireren."

Omstreden wet
"De verklaring voor de radicalisering vanuit Tunesië is niet eenduidig", zegt Michael Ajari, onderzoeker bij International Crisis Group. Net als Mahfoed legt hij de nadruk op de postrevolutionaire context: economische malaise, een gedestabiliseerde overheid en een weifelde politiek. "Na de val van Ben Ali keerden radicale predikers uit West-Europa naar Tunesië terug. Daar hadden zij aanvankelijk alle ruimte om hun boodschap uit te dragen." Ook wijst Ajari op de twaalfhonderd ultra-orthodoxe moslims die na de val van Ben Ali uit de gevangenis werden vrijgelaten - onder hen driehonderd oud-strijders uit Afghanistan, Irak, Jemen en Somalië. Onder hen bevond zich Aboe Djaid, de man die nu wordt gezien als mastermind van het Tunesische djihadisme.

Het argument voor de vrijlating van de twaalfhonderd was destijds dat zij vastzaten op grond van de omstreden antiterrorisme wet uit 2003. Op basis van deze wet waren mensen veroordeeld die nog niets feitelijks hadden gedaan - bijvoorbeeld het bezoeken van een djihadi website.

Soead Abderrahim is de voorzitter van de parlementscommissie die afgelopen jaar een nieuwe antiterrorisme wet heeft voorbereid. Die was hard nodig, zegt ze in de wandelgangen van het Bardo, het paleis waar het Tunesische parlement gevestigd is. "De balans tussen individuele rechten en staatsveiligheid was in de wet uit 2003 volledig zoek. In de nieuwe wet hebben we die proberen te herstellen."

Toch oogstte de versie die de commissie deze zomer afleverde de nodige kritiek. Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch oordeelde dat de definitie van terrorisme nog steeds 'te vaag en te breed is'; die definitie zou het de overheid mogelijk maken fundamentele vrijheden te beknotten.

Klimaat van angst
Over een nieuwe versie zou allang gestemd moeten zijn, maar de zaak traineert. De verkiezingscampagne begint op stoom te komen, parlementariërs blijven weg, het vereiste quorum wordt niet gehaald. Deze week dreigde de minister van binnenlandse zaken de omstreden wet uit 2003 weer uit de kast te halen indien de nieuwe wet nog lang op zich laat wachten.

Dat de tijd dringt, vinden ook Michael Ajari en Haikel Mahfoed. Ajari denkt dat het belangrijk is om de familie van de djihadi's er in een vroeg stadium bij te betrekken. "De Algerijnse autoriteiten hebben daar goede ervaringen mee", zegt hij onder verwijzing naar de jaren negentig, toen het Tunesische buurland kampte met een religieus geïnspireerde terreurgolf. Mahfoed vraagt zich af of er in de samenleving nog wel plaats is voor terugkerende djihadi's en pleit voor gevangenissen in de regio.

"Het allerbelangrijkste is dat de Tunesiërs enigszins gerustgesteld worden, dat het klimaat van angst waarin we nu leven verdwijnt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden