Hoernalistiek, wat een vak!

Anderhalve eeuw geleden dreef Honoré de Balzac de spot met de journalistiek, een vak dat hij noodgedwongen zelf uitoefende. Zijn waarnemingen zijn nog steeds akelig actueel, schrijft Jos Palm. Over oplagecijfers, keutels van politici en de waarde van het hoofdartikel.

Honoré de Balzac: De journalisten. Vertaald en geannoteerd door Mechtild Claessens. Voltaire, ’s-Hertogenbosch. ISBN 9789058480781; 141 blz. euro 14,90

Ik had het schotschrift ‘De journalisten’ van Honoré de Balzac gelezen, dat net in Nederlandse vertaling uit was, en wist zeker: dat even vermakelijke als brommerige product uit de vroege negentiende eeuw is niet meer van deze tijd. Het ging ten slotte over allerlei opgeblazen penvoerders die al even opgeblazen machthebbers of would be machthebbers stroop om de mond smeerden om ze vervolgens af te serveren of nog verder op te hemelen.

Anders gezegd: het ging over andere journalistieke tijden die vanzelf het type Koos Tak -- de imaginaire veeldrinkende en veel zwammende barkrukjournalist -- ophoestten. De hoogste waarheid van dit soort scribenten was in de tijd van Balzac het hoogdravende, in die van Koos Tak het sappige woord, ook wel het ‘lekkere stukje’ genoemd.

Dat type bestond niet meer, althans niet in de serieuze media, meende ik. Totdat ik op zondagmiddag bij toeval een exemplaar ervan moest aanhoren dat aan een belendend tafeltje zat in een hoofdstedelijk etablissement, waar ik een kopje koffie dronk. Koppelriem vol apparatuur om, een desondanks telkens weer afzakkende flodderige spijkerbroek aan, zat deze daar ten bate van een kwaliteitsmedium een interview af te nemen aan een voorname onbenul die al zijn mislukkingen, onder nederige instemming van de broek ophijsende journalist, omtoverde tot puur goud.

Wat een vak, donderde het onderweg naar huis door mijn gedachten die als vanzelf steeds weer uitkwamen bij dat ene begrip van schrijver W.F. Hermans: hoernalistiek.

En ik nam me voor Balzac nog eens door te kijken en ook maar meteen de vrolijke seller van schrijver Evelyn Waugh erbij te pakken, ‘Scoop’, dat andere pijnlijke boek voor het journalistieke vak. Want als de kritiek van deze vermaarde auteurs hout sneed, was het dan niet op zijn minst zaak het hele journaille op een cursus ‘ken uzelf en uw gebreken’ te sturen? De vraag was: was het haat -- zelfhaat wellicht -- dat deze ooit voor krant en tijdschrift producerende schrijvers dreef, of waren hun vermaningen en verwensingen (Balzac) en hun hilarische ironie (Waugh) van alle tijden? Was, met andere woorden, de journalist al eeuwenlang onverbeterlijk of hadden we hier van doen met betwetende standbewuste literatoren?

Balzac schreef zijn ernstig spottende anti-tractaat in 1843, Waugh zijn venijnige slapstick in 1938. In de bijna honderd jaar tussen de twee boeken veranderde de journalistiek van een amateuristisch amper georganiseerd bedrijf vol alleskunners (eclectische prutsers volgens Balzac) in een geoliede machine vol specialisten. Toch doen veel van Balzacs observaties -- gemaakt in de kinderjaren van het vak -- akelig eigentijds aan. „De krant met de meeste abonnees is de krant die het meest op de massa lijkt: trek uw conclusies!”, schrijft hij; de oplagecijfers van de Nederlandse dagbladen lijken het eeuwige gelijk van die opmerking te bevestigen.

Dan is er nog het uitvergroten van keutels van politici, een fenomeen waar minister Rouvoet, Geert Wilders en Rita Verdonk wel bij varen heden ten dage. Het bestond ook al in Balzacs tijd. „Aan puistjes aan de oppervlakte van het staatslichaam krabt de publicist tot bloedens toe”, noteert de schrijver erover.

Maar het meest onthutsend actueel zijn misschien wel de ‘verzonnen’ voorbeelden van de gemiddelde krantencommentaren die Balzac geeft. Ze komen om in een ‘echter’- en ‘niettemin’-taal, vol mitsen en maren die tot op heden van het hoofdredactioneel zo’n geslachtloos proza maken.

Schrijft Balzac het hele krantenbedrijf af, Waugh richt zich op een type journalist: de primeurjager in het verre buitenland, die onlangs ook aardig getypeerd is in zijn jacht op schriknieuws door Joris Luyendijk (‘Het zijn net mensen’). Scoop vertelt de wederwaardigheden van de romanfiguur en antiheld William Booth. Als auteur van een gezellige natuurrubriek wordt hij per abuis als sterverslaggever naar Ismailië gestuurd, waar het hem maar niet lukt iets van betekenis waar te nemen, waarop hij overladen wordt met ongeduldige telegrammen.

„Waarom geen nieuws, ben je ziek, antwoord onmiddellijk”, schrijft zijn nieuwschef, waarop Booth antwoordt: „regent hard, hoop alles goed in Engeland, telegrafeer opnieuw indien er nieuws is.” Anders dan zijn tegenpool Wenlock Jakes begrijpt Booth niets van de journalistieke hoofdwet, door Waugh omschreven als: „nieuws is wat een vent die nergens in geïnteresseerd is nog wil lezen.”

Superjournalist Wenlock Jakes daarentegen weet er wel raad mee. Hij is het type nieuwsjager dat rampen en revoluties beschrijft voordat ze gebeurd zijn, met als gevolg dat ze ook gebeuren (en Waugh wist waar hij het over had, hij versloeg in 1935 Mussolini’s invasie in Abessinië, en verbaasde zich ter plekke over de krankzinnige competitie om non-nieuws onder zijn collega’s).

Het is in zijn karakterologie van de journalist dat Evelyn Waugh zijn voorganger Balzac nabij komt. Voor Waugh is Wenlock Jakes de eigenlijke trieste figuur, in hem faalt het hele krantenbedrijf. Balzac had het personage bedacht kunnen hebben. Journalisten waren immers figuren die ’hun uiterste best doen om het witte doek te zijn waarop zich, net als bij een schimmenspel, de gedachten van hun abonnee aftekenen.’ Zelf denken was, netjes gezegd, niet hun sterkste punt, ze hadden hun ziel verkocht aan de lezer en aan de kleine en grote duiveltjes die hen van hun nieuwtjes voorzagen.

Om vrolijk van te worden is het allemaal niet wat de heren concluderen over het vak. Maar hoe kwamen ze er eigenlijk bij? Welke ervaringen hadden hen zo bitter gemaakt over het journaille? Balzac schreef talloze krantenartikelen, mede om zijn talrijke minnaressen te onderhouden. Hij voelde zich onheus behandeld door de kleine krantenmagnaten van zijn tijd en is ongetwijfeld ook herhaaldelijk tekort gedaan (instrumentalisme is nou eenmaal de journalistiek eigen). Evelyn Waugh publiceerde ook veel in krant en tijdschrift, in zijn geval deed hij dat ondermeer om zijn dure levensstaat en landhuis te bekostigen (Waugh was namelijk een eersteklas snob). Beiden wisten uit ondervinding wat het was om als broodschrijver flink bij te klussen, terwijl ze schrijver waren en wilden zijn.

Wat opvalt bij nadere bestudering van hun biografieën is de diepe afkeer van de middelhoge burgerij, die zij vooral in het grootstedelijk journalistendom vertegenwoordigd zagen. Beiden wilden niets liever dan van adel zijn en zich distantiëren van het plebs, naar wiens pijpen de journalistiek danste.

Op het eind van zijn loopbaan keert Willam Booth, de hoofdfiguur uit ’Scoop’, terug naar het waarachtige platteland. Soortgelijk doet Balzacs alter ego in de roman ’Verloren illusies’, over het onware Parijse leven van schrijver-journalist Lucien Chardon. De waarheid, de niet-aanstellerij en de eenvoud, is de boodschap, worden niet in de stad maar op het land gevonden.

Misschien is het een idee: een jaarlijkse of – indien dat te duur is voor de uitgever – een tweejaarlijkse retraite van een maand naar de provincie voor de journalist. Opdat hij wat nuchterheid bijleert en een non-gebeurtenis als non-gebeurtenis leert te herkennen en een non-personage als non-personage.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden