Hoera voor het leven!

Politiek filosoof Govert Buijs komt in zijn bijdrage aan een bundel tot de conclusie dat hij misschien toch wel calvinist is.

1. ‘Gunst!’

‘Gunst!’, moet ik dit wel doen? Een bijdrage over de toekomst van het calvinisme? Gunst, ben ik daarvoor wel de juiste persoon? Ben ik bijvoorbeeld calvinist? En dan: zou ik me mezelf ook zo willen noemen? En ook: wat is de actualiteit van het onderwerp? Moeten we het daar nu over hebben? Komen er niet allerlei belangrijkere vragen op ons bordje, bredere vragen, diepere vragen: de toekomst van religie in het algemeen, de toekomst van het christelijk geloof of zelfs de toekomst van het protestantisme (wat is er in ons land wat afgediscussieerd na het Oxfordse rumoer hieromtrent!). Dit soort vragen zouden we liever eerst beantwoorden alvorens aan kleinere vragen te beginnen. Maar ik heb besloten toch acte de présence te geven.

Deze bundel stelt een subvariant van het protestantisme centraal, namelijk het calvinisme. Ik zal betogen dat dat een zinnige onderneming is (mits in een passend kader uitgevoerd). Eerst geef ik enkele observaties van de huidige beeldvorming omtrent het calvinisme (par. 2). Tegen deze achtergrond begin ik dan met het tekenen van een portret van het calvinisme. Eerst de lijst waaruit direct al duidelijk wordt dat het geen icoon zal worden noch een glorieus statieportret, maar eerder een eenvoudige compositietekening die het mogelijk maakt het vermiste calvinisme op te sporen (par. 3). Dan volgt de grondverf (par. 4). Daarna een schets, centrum, hoogte, diepte, breedte en lengte van het calvinisme, in ruige lijnen, niet met een fijn penseel maar als het ware met houtskool (par. 5). Hierbij doe ik een - toegegeven: ietwat vermetele - poging om te achterhalen wat toch ooit de aantrekkingskracht van deze subvariant geweest kan zijn. Ik zal daarbij het calvinisme presenteren als een heel eigen vorm van wat heden ten dage ‘levenskunst’ genoemd wordt. Tenslotte maak ik enkele opmerkingen over de toekomstkansen voor het calvinisme.

2. Calvinisme-observaties

Eerste observatie. Wat direct opvalt is dat de benaming zelf bijna lijkt uit sterven. De over enige tijd nieuw uit te geven editie van de Christelijke encyclopedie vermeldt in de voorlopige groslijst van lemmata het Calvinistisch weekblad, de Calvinistische Studentenbeweging en de Calvinistische Wijsbegeerte. De eerste twee zijn ter ziele, de laatste leeft voort maar onder andere naam, namelijk Reformatorische Wijsbegeerte. Als laatste der Mohikanen heeft een aantal jaren terug ook de Calvinistische Juristenvereniging, waarvan onze huidige minister-president voorzitter was, de naam gewijzigd in Christelijke Juristen Vereniging.

En toen er nog vrij recent een naam gevonden moest worden voor de fusie van GPV en RPF en men - zo ongeveer stel ik me dat tenminste voor - van een reclamebureau kreeg ingefluisterd dat de letters C en U het electoraal wel heel goed zouden doen, werd de nieuwe naam niet Calvinisten-Unie maar Christen-Unie. Alsof men op de burelen van deze partij nooit de beginpagina’s van Abraham Kuypers Stone-lezingen had gelezen, waar deze expliciet zegt dat namen als christelijk veel te vaag zijn op het brede terrein van de cultuur, van politiek en samenleving. Wil men werkelijk laten zien waar men actueel voor staat, welaan, aldus Kuyper in 1898, dan geldt: ‘Te zeggen: dat beginsel is het Christendom zelf, is daarom niet genoeg’. De roep van Kuyper wordt niet meer gevolgd: als naam heeft het calvinisme het niet gehaald.

Tweede observatie. Waar zou dat door komen? Ongetwijfeld zal een rol spelen - en in een bundel als deze kunnen we niet om dit soort cliché’s heen - dat ‘calvinistisch’ zo ongeveer het inbegrip is geworden van alles wat de spraakmakende goegemeente vandaag verafschuwt.

Wie via internet het woord ‘calvinistisch’ het universum instuurt, krijgt zeer veel provinciale modder terug en wordt gratis deelgenoot van de diepe ellende die allemaal met deze naam geassocieerd wordt. Calvinisme is het scherm waar men met graagte allerlei sociale, religieuze, opvoedkundige, psychische en esthetische trauma’s op projecteert. Soms levert dit heus ook wel iets aardigs op. Zo kwam ik de beschrijving tegen van drop als een typisch calvinistisch snoepje (waarmee en passant het imago van de pepermunt een gevoelige nederlaag toegebracht wordt).

‘In niets beantwoordt het dropje aan het archetypische snoepbeeld. Een snoepje is zoet, een snoepje is zwierig en een snoepje is kleurig. Een dropje daarentegen is zout, ingetogen en zwart: het is een calvinistisch snoepje. En niet alleen door zijn uiterlijk. Het is verkrijgbaar bij drogist en apotheek en daardoor straalt het iets van heilzaamheid uit, bij verkoudheid en keelpijn. Drop is dus niet ongekunsteld genieten, nee het is ook nog ergens goed voor. En last but not least: in het buitenland begrijpt men er helemaal niets van. Drop eten is calvinistisch snoepen.’ (ietwat aangepaste weergave GJB).

Derde observatie. Veelal krijgt de term calvinisme een strikt theologische inkleuring. Met name in de Angelsaksische wereld weet men exact te omschrijven wat Calvinism is: het wordt gedefinieerd door de ‘TULIP’ of Holland, de vijf thema’s die centraal stonden in de strijd van Remonstranten en Contra-Remonstranten en die op de Synode van Dordt hun neerslag vonden in de Dordtse Leerregels: Total Depravity, Unconditional Election, Limited Atonement, Irresistable Grace, Perseverance of the Saints.

In de Verenigde Staten - die grote religieuze supermarkt - kan men kan dan naar believen een five-, een four-, een three-, een two- of een one-point Calvinist zijn. Of helemaal geen calvinist (dat blijft natuurlijk ook nog altijd een optie).

Met name ook deze theologische presentatie van het calvinisme is een belangrijke factor in het negatieve beeld: dogmatisme, starheid, een buitengewoon somber mensbeeld, een bizar godsbeeld.

Vierde observatie. Wie buiten de beperkte theologische of kerkelijke kringen kijkt, en zich niet direct laat inpakken door de oppervlakkigheid van het provinciaal-Nederlandse publieke debat, die komt ook heel andere waarderingen van het calvinisme tegen. Er is uiteraard de fameuze Weber-these: het calvinisme stond aan de basis van de moderne economische orde, het kapitalisme, omdat het vrijheid van het individu voorstond ten nauwste gekoppeld aan een hoog arbeidsethos. En dan is er een hele stroom literatuur die tracht te laten zien dat het Calvinisme feitelijk de voedingsbodem en kweekgrond van de moderne democratie is geweest. Waar Abraham Kuyper ooit met zijn geschrift Het Calvinisme. Oorsprong en waarborg onzer constitutionele vrijheden een vreemde eend in de bijt leek, zijn er in de twintigste eeuw, juist ook in de laatste decennia, allerlei studies die hem voluit gelijk geven. Democratie, de actieve betrokkenheid van burgers bij de politiek, een opvatting van gezag die niet-hiërarchisch is, en ook het recht van opstand, oftewel de afwijzing van een kadaver-discipline aan een onrechtvaardige overheid - het stamt allemaal van Calvijn of van zijn geestelijke nazaten. Calvijn zette de paus schaakmat met de pion van de ouderling, luidt een beroemde uitspraak van Oepke Noordmans.

Zo gezien lijkt zich een merkwaardige situatie af te tekenen: terwijl de cultuurhistorische betekenis van het calvinisme op een aantal gebieden breed wordt erkend in wetenschappelijke kring en het extreem-negatieve Calvijn-beeld door veel hedendaags onderzoek sneuvelt , lijkt het of die houding, die wijze van in de wereld staan, eigenlijk geen enthousiaste dragers meer kent. Of andere vormen van geloven aantrekkelijker zijn, minder dogmatisch, minder betrokken op de creatieve doorwerking van het christelijk geloof in allerlei levensgebieden. Wat is een Calvinist nog in dit land?

3. Op zoek naar broeder Johannes

Door zo aandacht te besteden aan sociologische en politicologische stemmen over het calvinisme ben ik eigenlijk al begonnen met het eerder aangekondigde houtskoolportret. Maar ik moet het verdere schetswerk toch nog even laten rusten en eerst stilstaan bij het mogelijk eindresultaat van dit schetswerk. Stel, als het me lukt (en dat staat nog maar te bezien!) om inderdaad een enigszins geloofwaardige schets van het calvinisme te geven, wat hebben we dan in handen? Een beeld van het christelijk geloof zoals het eigenlijk bedoeld is? Een schets van het zuivere christendom? Abraham Kuyper wekt soms die suggestie (zonder het met zoveel woorden te zeggen en deze gedachte soms ook expliciet af te wijzen op het moment dat deze suggestie toch wel erg sterk wordt in zijn betoog ).

Maar wie dat zou denken gaat er stilzwijgend van uit dat het in de wereld en in de kerkgeschiedenis sinds Hemelvaart eigenlijk niet meer dan huilen met de pet op is geweest.

Alsof het ware, het zuivere christendom pas sinds 1517 echt tot ons is gekomen. En zelfs dan is het nog maar een walmend lichtje tot 1534, het jaar waarin de eerste editie van Calvijns Institutie verscheen en nog helderder in 1559, de finale editie. (Nederlandse calvinisten kunnen zelfs de neiging hebben de jaartallen nog verder door te schuiven: 1618, 1834, 1892, 1944). Maar dat zou tevens betekenen dat de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren geen tien dagen maar meer dan tien, ja bijna vijftien eeuwen is geweest. En al die tijd heeft de Geest kennelijk geslapen, geen leer der zieleslaap, waartegen Calvijn een van zijn vroegste geschriften richtte, maar een leer van de Geestesslaap. Ik zou een dergelijke leer niet graag voor mijn rekening durven nemen.

Wat levert een houtskoolschets dan hopelijk wel op? Niet per se een schets van het meest zuivere christendom, ook niet een icoon die we als in een processie voor ons uit dragen of een statieportret dat we onder wapperende vaandels aan onze vestingmuur hangen. De Heer zegt - en laten we die uitspraak maar gerust boven het protestantse bedje hangen: ‘Eén is uw Meester - en gij zijt allen broeders. (Terzijde: Abraham Kuyper wees de naam calvinisme om precies deze reden af als naam voor een mogelijk kerkgenootschap en verweet de lutheranen dat zij dit woord van Jezus niet serieus genomen hebben als het gaat om de naamgeving van hun kerk. In dit opzicht heeft de recente kerkfusie in elk geval de Nederlandse lutheranen van een al lang aanklevende zonde verlost).

Om de verhoudingen helder te stellen is het wellicht aan te bevelen niet te spreken van ‘calvinisme’ en ‘lutheranisme’ of over Luther en Calvijn, maar over broeders en zusters, broeder Maarten en broeder Johannes, naast broeder Aurelius en broeder Franciscus en broeder Thomas en hier te lande broeder Willibrord en broeder Bonifatius tot aan meer recent broeder Abraham, de geweldige. Zo zouden er velen meer te noemen zijn.

Slechts samen met alle heiligen kunnen we, zo zegt de apostel, de hoogte, breedte, diepte en lengte van Gods heil verstaan. Al die heiligen, vanuit een ver verleden tot vandaag toe, hebben hun eigen stem, hun viva vox, en wij worden geroepen met al die stemmen tezamen in onze eigen tijd weer een goede, actuele uitvoering te geven van de goddelijke symfonie, Gods gedachten van vrede over de wereld, zijn werk van herstel. En soms kan het goed zijn - nu ik de beeldspraak toch even van beeldende naar de vocale kunsten laat springen - iemand eens een tijdje solo te beluisteren, vanwege het eigene van die betreffende stem, de bijzondere genadegave die aan dit stemgeluid een specifiek timbre geeft. En soms moet - het kan niet anders - voor onze vertolking deze of gene weer even een toontje lager zingen. Zó probeer ik nu te luisteren naar de stem van broeder Johannes, naar de genadegave, het timbre hem gegeven.

Daarmee is hopelijk het kader aangegeven waarbinnen het wel degelijk zinvol is om de vraag naar de levenskracht van het calvinisme te stellen. Het gaat dan om een specifiek voorstel, gedaan binnen het geheel van de wereldkerk om bepaalde zaken op een bepaalde wijze te zien, steeds open voor debat, een bijbels-theologisch debat, een praktisch-theologisch debat, een praktijk-georiënteerd debat. Als invalshoek voor dit specifieke voorstel kies ik de notie ‘levenskunst’.

4. Broeder Johannes, de levenskunstenaar

Toen ik bij de bibliotheek in het kader van deze bijdrage een stapeltje boeken over Calvijn en calvinisme haalde, zat bij die stapel ook een boekje over ‘levenskunst’. De altijd bereidwillige bibliotheek-medewerker kwam uit het magazijn terug en vroeg ‘Klopt dit? Bedoelde u echt dit boekje ook?’ ‘Jazeker, waarom niet?’, riposteerde ik. ‘Nu ja’, zei hij, ‘het is zo’n tegenstelling, Calvijn, calvinisme en levenskunst, vandaar dat ik even aarzelde.’

Toch is deze boekcombinatie minder curieus dan het lijkt. Immers, onder de al eerder genoemde nieuwe economische en politieke attitudes lijkt op een dieper niveau in het calvinisme sprake van een nieuwe betrekking tot de wereld, een nieuwe ‘beaming van het alledaagse’, ‘the affirmation of everyday life’, zoals de hedendaagse filosoof Charles Taylor dit noemt. Het gaat hier om een toewending naar deze wereld, dit concrete aardse bestaan, als een terrein waar het godsdienstige leven niet bij voorbaat al van is afgesneden maar waarop het juist gestalte kan krijgen. Het alledaagse leven kan een geheiligd leven zijn. Dat inzicht vormt de grondverf, waarop de calvinistische levenskunst zich aftekent. De ascese, die het christelijke leven vraagt, betekent niet een terugtrekken uit de wereld achter dikke kloostermuren (Weber sprak van ausserweltliche Askese) maar betekent zich op een andere wijze in de wereld ophouden (innerweltliche Askese). Bij Luther was dit direct al volop aan de orde. Hij verliet het klooster. Het hebben een roeping (vocatio) impliceert niet een gaan uit de wereld, maar juist bewust in de wereld blijven. De roeping kan zich, moet zich manifesteren in het concrete ‘beroep’, de professie. De vita activa komt hier in de plaats van de vita contemplativa. Of beter: de vita contemplativa wordt geplaatst midden in de vita activa.

Maar bij Calvijn krijgt dit nog weer een extra accent. Niet slechts in vocatione (als de plaats waar men ook geloven kan, niet slechts in een klooster, zoals bij Luther) maar ook per vocationem, door het werk zelf kan ook de heiliging voortgang vinden. Wanneer heden ten dage allerlei cursussen op het gebied van arbeid en spiritualiteit populair blijken (waaraan, wie weet, ook onze bibliotheekmedewerker misschien wel meedoet), verraadt dit op zichzelf al dat de inzet van Luther en van Calvijn op dit punt nog immer doorwerkt.

En bovendien: de houding van Calvijn tegenover allerlei ontwikkelingen in de samenleving is niet die van de simpele afwijzing op voorhand, maar van de morele weging. Denk aan de wijze waarop hij het verschijnsel rente tegemoet trad: anders dan de Middeleeuwse kerk stond Calvijn een reële vergoeding voor uitgeleend kapitaal toe, tegelijk verzette hij zich fel tegen woeker. Calvijn was zo tevens voorvechter van sociale rechtvaardigheid, die uiterst kritisch was op wat vandaag de dag ‘exhibitionistische zelfverrijking’ genoemd wordt, voorvechter ook van wat we vandaag de dag zouden noemen ‘duurzame ontwikkeling’. Verder is te wijzen op de grote, modern aandoende, nadruk, met name in het calvinisme, op de verantwoordelijkheid van mensen, de innerlijkheid: het ‘een ieder beproeve zichzelf’ uit het klassieke avondmaalsformulier. Calvijn, om niet meer te noemen, was ook de man met een oecumenisch blikveld, die niet parochiaal of provinciaal dacht, maar Europees, of beter: universeel historisch, de blik gericht op de groei van het Koninkrijk van God in de geschiedenis en die daarom vaak opriep te bidden dat ‘God zijn Koninkrijk zal laten komen en laten groeien, elke dag een beetje meer (magis et magis in dies)’ en die zelf bijna al zijn kerkdiensten afsloot met de bede dat ‘Que non seulement il nous face ceste grace, mais aussi a tous peuples et nations de la terre.’ De maatschappelijke aantrekkingskracht van het calvinisme lag zo mede in de afgewogen kritische wijze waarop het ‘modernisering’ tegemoet trad, een eerste voorbeeld van wat vandaag wel genoemd wordt ‘reflexieve modernisering’.

5. Houtskoolportret

De beaming van het dagelijkse leven is de grondverf waarop ik nu verder kan schetsen. Zoals gezegd, een houtskoolportret, want ik beschik niet over het fijne penseel van de historicus (aan hen vraag ik dan ook bij voorbaat vergiffenis). Een houtskoolportret, want ik beschik ook niet over de röntgentechnieken waarmee theologen heel precies diepere motieven aan kunnen wijzen (en ook op hun clementie hoop ik). Een houtskoolportret, ook omdat ik denk dat het boeiende wel eens niet in het detail, maar in dit geval in de grote greep, in het ‘over all’-plaatje zou kunnen liggen, in een karakteristieke wijze van in het leven staan, inderdaad een eigen levenskunst. Ik begin met het centrum en breng vervolgens perspectief aan, hoogte, diepte, lengte en breedte.

Het hart van het calvinisme

Als inderdaad het calvinisme als sociaal-cultureel verschijnsel serieus genomen moet worden, kan men er niet omheen juist het stuwende centrum hiervan op het spoor te komen. Sociaal-wetenschappelijke verklaringen van bijvoorbeeld het calvinisme, van de reformatie in het algemeen, kunnen bijvoorbeeld de nadruk leggen op het middenklasse-karakter ervan. In wezen vormde de reformatie dan een theologische emancipatiebeweging van de stedelijke burgerij, die geestelijke levensruimte nodig had voor haar expansie- en hegemoniedrift. Enkele jaren terug verscheen zelfs een evolutionistische verklaring van het calvinisme.

Maar heel ver komen we met dergelijke verklaringen niet. Heel grote groepen van de nieuwe protestanten, zeker van de calvinisten, leken juist de economische emancipatiemogelijkheden kwijt te raken, omdat ze van huis en haard verdreven werden. Calvinistische gemeenten waren voor een groot deel vluchtelingengemeenten. In plaats van have en goed te winnen, verloor men als calvinist vaak alles. In de tijd van Calvijn bestond Genève voor meer dan de helft uit vluchtelingen! Dat men calvinist werd, lijkt soms nog te kunnen sporen met een dergelijke machtscalculatie-verklaring, dat men calvinist bleef, ondanks alles (‘nochtans’), gaat dwars tegen een dergelijke verklaring in.

Om de ‘Wirkungsgeschichte’ van het calvinisme in het vizier te krijgen zal men zich ook als sociaal-wetenschapper bezig moeten houden met de inhoud van de ‘calvinistische geloofsvoorstellingen’, de calvinistische geloofservaring. Een van de kernervaringen lijkt me te zijn een ontkramping, een ontjuridisering van de verhouding tussen God en mens. God wordt om het met de Titusbrief te zeggen filantroop (3:4), in plaats van boekhouder. Een kernachtige boektitel van de onlangs overleden theoloog Van Genderen drukt dit uit: ‘Gerechtigheid als geschenk’. In de ogen van de boekhouder is er altijd geld tekort (dat weten we uit onze nationale politiek), in de ogen van de filantroop is er altijd genoeg. Er is voldaan. De Reformatie wijst het laat-middeleeuwse facere quod in se est af (je best doen - en dan geldt Deus gratiam non denegat, God ontzegt de genade niet ). En als de Heidelberger Catechismus inzet met Zondag 1, over de ‘enige troost’, dan kan dat schraal en mager lijken - is er maar één troost? - maar het accent moet anders vallen: er is troost! Zelfs voordat we over ellende spreken, moet eerst gezegd zijn dat we sowieso in goede handen zijn, dat je niet in je eigen bouwvallige hutje hoeft te wonen, maar geborgen bent, in Gods tent.

Het hart van het calvinisme ligt dus niet in het leven vanuit prestaties, maar ligt in het besef dat het meest wezenlijke in ons bestaan ons geschonken wordt, ja, al geschonken is. Men wordt in een klap ontslagen van de drang om alles in het leven te willen maken, te beheersen, te controleren.

Corresponderend met, of beter: antwoordend op Gods geschenk wordt de grondhouding in het leven er een van dankbaarheid. Leven is voor de gelovige danken. In die dankbaarheid staat een nieuwe gemeenschap centraal tussen God en mens.

Misschien spoort deze ervaring toch ook weer wel wondergoed met die van het vluchteling zijn. Als men alles al een keer kwijt geweest is, wordt alles wat men daarna ontvangt ook echt een geschenk. De kramp is eruit. Men is alles al eens een keer kwijt geweest - en bleek vervolgens toch te kunnen leven. In de moeilijkste tijden werd men vastgehouden, bleek men geborgen te zijn.

Deze ontredderingservaring geldt ook in geestelijke zin. De calvinist is geestelijk door de tunnel van de ontlediging heengegaan: ik kan geen rechten laten gelden op het heil, ik kan het niet maken, ik ben aangewezen op ‘Gunst!’. Gunst - het woord dat mij zomaar inviel, gevraagd voor deze bijdrage, is eigenlijk het kernwoord van het calvinisme. De calvinist heeft het besef door een donkere kamer heengegaan te zijn, waarin er een niets ontziende röntgenfoto gemaakt is, en hoewel hij wist en weet dat hij ernstig ziek is, blijkt de uitslag toch: Gezond verklaard. En uit die donkere kamer, met deze uitslag in de hand, verschijnt de werkelijkheid, in een nieuw, gunstig licht. Het leven krijgt een nieuwe glans, een nieuwe kostbaarheid. Voor de calvinist schijnt de ‘atmosfeer doorwasemd en doorgeurd van zoele togen. Het is of ieder zintuig en vermogen nog fijner werd en scherper dan weleer.’ Dat geeft ontspannenheid en relativering, maar ook nieuwe speelruimte, die niet veroverd moet worden, maar die al geschonken is.

Een klein speculatief intermezzo: ook cultuurhistorisch lijkt deze omslag zich af te laten lezen. Er is veel literatuur over de angst als een breed verschijnsel in de late Middeleeuwen: angst voor de dood, voor de duivel, voor de pest, voor de apocalyps, voor maatschappelijke en zelfs kosmische chaos, de angst dat God de wereld verlaten zou hebben, dat er al sinds jaren niemand meer aan de hemelpoort was toegelaten - en wat niet al. En ook een van de bekendste hedendaagse biografieën van Calvijn, die van Bouwsma, zet in bij ‘Calvin’s anxiety’. Maar de ontdekking van de filantropie van God, kan niet anders dan als een bevrijding van angst ervaren zijn.

Ga ik te ver als ik allerlei vormen van culturele bloei in het Europa na de Reformatie verbindt met dit hele basale besef van opluchting? Is er bijvoorbeeld in de Hollandse schilderkunst niet een nieuw vieren van het leven te ontwaren? Rookmaker meende van wel. Het moet toch een tijd geweest zijn waarin men de aarde als goede aarde en de hemel als hemel ervaren kon, zonder de aarde aan de hemel of de hemel aan de aarde te willen opofferen. Een niet-utopische beaming van het alledaagse leven, als ruimte om God en mensen te dienen.

Het calvinisme bergt zo allerlei elementen in zich voor een bepaalde levenshouding, een basishouding. De primaire neiging van de mens is vaak controleren, beheersen, maken, presteren. Dit betreft vaak zelfs het door God toegezegde heil. Een hedendaagse uiting van deze houding is te beluisteren in de fameuze oproep van Foucault, die een van de aanjagers van het spreken over ‘levenskunst’ is geweest, vlak voor zijn dood: ‘Je leven tot een kunstwerk maken’. Eenzelfde ‘fabrilistische’ houding spreekt uit het hedendaagse woord ‘zingeving’.

Calvinist zijn is levenslang leren niet te vertrekken vanuit de maakbaarheid maar vanuit de ontvankelijkheid. Zou dat misschien de achtergrond zijn van het ondernemerschap dat veel calvinisten volgens Max Weber aan de dag gelegd hebben? Volgens Weber is de achtergrond daarvan gelegen in de angst dat men wellicht niet uitverkoren zou zijn. Maar in het hartland van het calvinistisch ondernemerschap, de Verenigde Staten, treft men die angst juist bepaaldelijk niet aan. Veel meer spreekt hier het besef uitverkoren te zijn, en van daaruit durft men het leven aan, durft men risico te nemen. Eerder dan de angst lijkt hier inderdaad een nieuwe beaming van het leven werkzaam te zijn (en dit voorbeeld geeft al aan dat hier ook mogelijke ontsporingen op de loer liggen! The pursuit of happiness als doel in zichzelf).

Tekenend voor de omslag van levensangst naar de beaming van het leven die gegeven is met het calvinisme is de plaats van de wet. Nog niet in Calvijns Institutie, maar bijvoorbeeld wel in de Heidelberger Catechismus, wordt deze heel nadrukkelijk geplaatst in het kader van de dankbaarheid. De wet staat dan niet in het kader van het maakbare leven, van de te leveren prestaties (facere quod in se est), van het te verdienen heil maar in het kader van het dankbare leven, in het kader van het vieren van het leven. De oude Joodse ervaring van de goedheid van de wet, van de vreugde der wet - simchath thora - komt hier terug. We zijn uitgeleid, laten we vanaf nu leven zoals leven bedoeld is. We zijn al onze vleespotten kwijt, laten we nu alleen nog maar doen waar het werkelijk op aankomt.

En tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat broeder Maarten (hij vooral) maar ook broeder Johannes indrukwekkend geschreven hebben over de christelijke vrijheid.

De hoogte van het calvinisme

Als we spreken over de door broeder Johannes verwoorde hoogte van het heil Gods, dan denken we als vanzelfsprekend aan het spreken over, de ervaring van God. God die allereerst de Schenker is. Als Schenker is hij Schepper. Als Schenker is Hij Verlosser.

De primaire ervaring is niet die van een afstandelijke God die alles daarboven zit te bedisselen, maar die van een Vader, die ons op onze voeten zet. Nogal eens komt men bij Calvijn de uitdrukking tegen ‘notre soverain Père’, onze soevereine Vader: een hoge God, die tegelijk vader is.

Tegelijkertijd is bij broeder Johannes volstrekt duidelijk dat God Gód is en geen mens, niet in onze achterzak past. De gemeenschap, de omgang met God komt niet in mindering op zijn anders-zijn, moeilijk gezegd, zijn transcendentie, zijn heiligheid.

De zojuist omschreven beweging vanuit het diensthuis van de angst mondt daarom ook niet uit in een ‘ouwe jongens krentenbrood’ met God, maar is een beweging van ‘angst’ naar ‘vreze’, naar dankbaar ontzag, bron van de lofzang, maar ook bron van ootmoed.

De diepte van het calvinisme

De diepte van het calvinisme is vooral te zoeken in het besef van de onvolmaaktheid, sterker, de gebrokenheid, sterker nog: in veel gevallen van de opstandigheid van het menselijk leven. Zonde is hier het woord dat ons direct invalt. Eenzijdig is het calvinisme juist hierdoor berucht geworden: ‘onbekwaam tot enig goed; geneigd tot alle kwaad’, de somberheid is met plakken te snijden.

Maar zo ergens, dan toch hier stuiten we op het buitengewoon hoog empirische, realistische gehalte van het calvinisme - en daarmee op een onmisbaar element voor elke levensvatbare levenskunst.

Bij alles waarvan we in het leven ervaren dat het mis gaat, roept het calvinisme als geen ander op om ‘ik’ te blijven zeggen, niet weg te lopen voor datgene wat in onszelf huist, ons niet te verschuilen achter het struikgewas: ‘ ’t En zijn de Joden niet: ík kost Hem die slagen’.

Het lijkt me een cultuurhistorische en spirituele blunder van de eerste orde dat in grote delen van de Protestantse kerk de schuldbelijdenis is ingewisseld voor het gebed voor de nood van de wereld, hoe goedbedoeld op zich ook. Alsof we niet, zoals diverse bevrijdingstheologen scherp begrepen hebben, ook met betrekking tot ‘de nood van de wereld’, de mondiale verhoudingen, een begrip als zonde nodig blijven hebben, juist als christenen in de ‘Eerste wereld’. Het lijkt er op dat de hele notie ‘zonde’ langzamerhand uit de cultuur verdwijnt en we enerzijds toegaan naar een schaamtecultuur, anderzijds naar een beschuldigings- en slachtoffercultuur, waarin altijd anderen of de omstandigheden het gedaan hebben. Dat is de voedingsbodem voor een diep ressentiment, die de ziel kan vergiftigen en een eindeloze keten van haat en wraakzucht in gang kan zetten. Nietzsche verweet het christendom de godsdienst van het ressentiment te zijn. Maar juist het zondebegrip kan het ressentiment de pas afsnijden, omdat niet de ander, maar ik schuldig ben.

Wezenlijk voor levenskunst, lijkt mij de notie van zonde en de daarmee verbonden notie van vergeving, het opnieuw mogen beginnen, zeventig maal zevenmaal. Volgens de twintigste-eeuwse politiek filosofe Hannah Arendt is dit de belangrijkste, zo niet in haar perspectief de enige, bijdrage die het christelijk geloof aan de westerse cultuur geleverd heeft: de notie van vergeving.

Ik zie bijvoorbeeld heel praktisch niet in hoe relaties, ook huwelijksrelaties, in stand kunnen blijven zonder het besef dat ik ook wel eens fout zou kunnen zijn, dat er een serieus probleem bij mij ligt en niet per se bij de ander. Dit moge een oppervlakkig gebruik van deze notie schijnen, het lijkt me toch van belang om zelfs dit oppervlakkige te onderstrepen.

Juist het zondebegrip bevrijdt en maakt een nieuwe start mogelijk.

Maar de diepte van het calvinisme ligt ook in de verborgen omgang met God, waarin het er soms ook stormachtig toe kan gaan. Die omgang is zelden zoetig. Daar kan sprake zijn van strijd met God, strijd met het eigen zelf. Het vindt allemaal plaats op het scherp van de snede. Bouwsma heeft er op gewezen hoe vaak in Calvijns werk het woord ‘afgrond’ (abyssus) voorkomt met de dreiging die daarvan uitgaat: een mens kan zomaar vallen.

Juist tegen de achtergrond van de dreiging komt een van de diepste elementen van het calvinisme naar voren, de predestinatie. Heiko Oberman schetst de ‘Sitz in Leben’ van dit leerstuk: de situatie van vervolgingen, waarbij niemand van anderen, laat staan van zichzelf zeker was: zou het geloof als het er echt op aan zou komen, standhouden? Men hoorde voortdurend van mensen die terugvielen, de Reformatie afzworen, zelfs voorgangers. Een mens kan zomaar vallen. Zomaar? God houdt de zijnen vast. Oberman beklemtoonde overigens dat deze leer niet te pas en te onpas tentoongesteld dient te worden. Ze moet als het ware op de plank blijven liggen voor die situaties waarin ze echt nodig is. Wel waar, niet steeds actueel.

De lengte van het calvinisme

Over de lengte van het calvinisme zal ik kort zijn. Calvijn en wat men calvinisme is gaan noemen, hebben geen breuk met de christelijke traditie beoogd maar slechts een explicitering van al zeer vroeg in

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden