Hoe ziet de perfecte universiteit eruit? Een historicus en een theoloog delen hun visie

De campus in de Chinese stad Yantai, waar de rijksuniversiteit Groningen ook een dependance wilde bouwen.

Een onderneming kan en wil zij niet zijn, maar wat is de universiteit wel? Een gemeenschap die in 'functionele afzondering’ onderwijs en onderzoek tot kruisbestuiving brengt, zegt de Groningse universiteitshistoricus Klaas van Berkel. Een tempel voor de waarheid, betoogt de Tilburgse theoloog Erik Borgman.

Hij is druk met het derde en laatste deel van zijn geschiedenis van de Groningse Universiteit. Over twee jaar moet het boek klaar zijn. Het gestrande plan voor een Chinese campus zal daarin uitgebreid aan de orde komen. Dat voorportaal in Yantai zou vele duizenden Chinese studenten naar Groningen gaan brengen, en daarmee omvangrijke inkomsten. Maar enkele cruciale beslissingen van de Chinese overheid haalden de bodem onder het plan weg. Het werd voor het Groningse College van Bestuur een onhoudbare zaak, zegt universiteitshistoricus Klaas van Berkel. “Aan dat plan had een discussie vooraf moeten gaan over de vraag: wat moet de universiteit zijn? Die discussie is het College uit de weg gegaan, en daardoor heeft dit plan alleen verliezers opgeleverd.”

Was die discussie wel gevoerd, wat was daar dan uitgekomen? Kleine kans dat die tot de conclusie had geleid dat de Rijksuniversiteit Groningen een campus in China zou moeten opzetten, zegt Van Berkel: “Buitenlandse vestigingen passen in het model van een ondernemende universiteit, waar onderzoek en ontwikkeling bovenaan staan. Het is een logische stap voor enkele Amerikaanse en Britse universiteiten. Maar de Nederlandse universiteiten zijn vooral regionale instellingen voor onderzoek en onderwijs. Voor de internationale profilering is veel belangrijker goed te zorgen voor buitenlandse studenten die hier komen. Het zou te gek zijn als we een campus zouden hebben in China, maar nog steeds geen kamers voor buitenlandse studenten hier in Groningen.”

Tijdsdruk

Het Groningse conflict tekent de druk die op universiteiten wordt gelegd. Ze moeten goed onderwijs verzorgen, excellent onderzoek doen, hun kennis tot waarde maken voor samenleving en economie, en met al die activiteiten ook inkomsten genereren in aanvulling op de rijksbijdrage. Kun je van een universiteiten nog verwachten dat ze schaakt op drie borden: onderwijs, onderzoek en valorisatie?

Van Berkel: “Dat móet ze doen, het is de meerwaarde van de universiteit. Als je onderzoek en onderwijs uit elkaar haalt, worden beide minder. Aan een universiteit stimuleren ze elkaar, dat is de kracht van die instelling. Een ondernemer mag praten over core business, een universiteit moet hybride zijn.”

Die druk op valorisatie is het belangrijkste probleem niet, zegt Van Berkel: “De natuurwetenschappen hebben dat altijd gedaan. De sociale wetenschappen kunnen het ook. Voor de geesteswetenschappen is het lastiger, maar die zijn meesters in het omwoorden van zo’n taak.”

“Let wel: de belangrijkste waarde die we creëren zit in de studenten die we afleveren. En daar is de druk enorm gegroeid. De overheid heeft selectie aan de poort nooit willen toestaan, maar ze wilde ook geen blanco cheque afgeven voor universitair onderwijs. Dat betekent dat je met minder medewerkers steeds meer studenten moet opleiden. En dat zet ook druk op tijd die er is voor onderzoek.”

Voor dat onderzoek zijn universiteiten afhankelijker geworden van financiers zoals NWO, die overheidsmiddelen voor onderzoek verdeelt, en de EU. Subsidies van die financiers moeten door de universiteit doorgaans worden ‘gematcht’ met eenzelfde bedrag uit eigen middelen. Dat legt een groot beslag op onderzoeksbudget dat voorheen vrij besteed kon worden. Universiteiten hadden in verleden bijvoorbeeld eigen middelen om promovendi aan het werk te zetten. Nu komen die met een beurs of subsidie van NWO binnen. “Daardoor wordt je personeelsbeleid feitelijk bepaald door een externe partij, zoals NWO”, zegt Van Berkel. “De rol van die onderzoeksfinancier is te groot geworden. Het is uit de hand gelopen.”

Functionele uitzondering 

Je zou ervan wakker liggen, maar Van Berkel maakt zich geen zorgen over de toekomst van de universiteit: “Ze heeft veerkracht. Die zit in de aard van de academische gemeenschap. Er is altijd druk uitgeoefend op universiteiten; er is altijd geklaagd dat het academisch onderzoek te weinig praktisch was en niet genoeg opleverde. Het feit dat die zorg al eeuwen wordt uitgesproken en de universiteit nog steeds leeft, laat zien dat ze behoorlijk weerbaar is.”

Bron van die weerbaarheid is wat Van Berkel ‘academische drift’ noemt, vergelijkbaar met de drift van continenten die naar elkaar schuiven “Wetenschap stelt universele standaarden waaraan iedere universiteit moet voldoen. Je ziet in de loop van de geschiedenis opleidingen die heel praktisch starten, steevast wetenschappelijker worden. Dat is wetenschap eigen. Laat dat een bron van vertrouwen zijn. Er zit iets in de aard van het beestje dat maakt dat het zal overleven. Zo lang de universiteit met wetenschap bezig blijft, zal zij voortbestaan.”

Maar hoe? In ‘functionele afzondering’, zegt Van Berkel: afzondering omdat wetenschap alleen tot haar recht kan komen in vrijheid, los van de plicht onmiddellijk iets nuttigs te maken, en functioneel omdat zij uiteindelijk wel de samenleving op een hoger plan brengt. “Dat is de intellectuele uitdaging. En als je die te veel bindt aan maatschappelijke of economische doelen, haal je de motor eruit.”

Selectie aan de poort 

De universiteit die zich in functionele afzondering kan wijden aan de wetenschap, zal niet groot zijn, waarschuwt Van Berkel. Omdat niet iedereen dat kan; het is een selecte groep mensen. “Op de afdeling geschiedenis hier in Groningen hadden we in 1971, toen ik ging studeren, 60 eerstejaars studenten. Nu zijn dat er 180. En die 120 die erbij zijn gekomen zullen niet de beste historici zijn.”

Je zou dus moeten selecteren. En dat is bijna taboe. “De eerste poging dateert van 1956, toen onderwijsminister Jo Cals een maatregel aankondigde, alleen nog maar voor de Technische Hogeschool Delft: wie niet binnen twee jaar zijn propedeuse had afgerond zou in Delft niet verder mogen. Heel corporaal Nederland is daartegen te hoop gelopen. In alle universiteitssteden kwamen corpsleden in actie tegen het voorstel. Ze vonden dat eerstejaars studenten zich moesten inzetten voor de vereniging. Studeren kwam daarna wel. De politiek schrok zo van die protesten dat de maatregel van tafel ging. Iedereen denkt dat de studentenbeweging werd geboren in de jaren zestig, maar die is tóen begonnen, in 1956, uit protest tegen de eerste poging tot selectie!”

Er zijn sindsdien wel studierichtingen gekomen met een beperkte toelating, een numerus fixus. En wat Cals toen wilde, kennen we nu als het bindend studieadvies, dat studenten stopt die niet voldoende studiepunten hebben gehaald. Daar is nog altijd veel discussie over. De huidige minister van onderwijs, Ingrid van Engelshoven, maande universiteiten onlangs in deze krant er niet te streng mee te zijn.

Selectie blijft een heikel punt. Over de hele academische linie selecteren is politiek niet haalbaar. En zou ook niet goed zijn, zegt Van Berkel; je zou hele groepen mensen uitsluiten. Toegang tot hoger onderwijs is een groot emancipatoir goed. Maar in liberale kringen gaan wel stemmen op om te gaan experimenteren met selectie aan de poort. “In de Randstad zou dat kunnen, omdat er veel universiteiten zijn. Iemand die in Leiden niet wordt toegelaten, kan naar Amsterdam. Hier in Groningen zou het moeilijker zijn.”

Niet alleen studenten zouden strenger geselecteerd moeten worden, maar ook hun leermeesters, zegt Van Berkel: “Het gemak waarmee ik hier hoogleraar ben geworden, op 32-jarige leeftijd, vind ik achteraf beschamend. Om universitair hoofddocent te worden moet je aan allerlei eisen voldoen, anders gaat de bevordering niet door. Maar hoogleraar word je zo. Komt er een leerstoel vrij, dan kijkt men naar de beste onder de sollicitanten, en die wordt het. Want de vacature moet worden vervuld. Er worden nu hoogleraren benoemd die misschien niet eens aan de eisen voor een hoofddocent voldoen.” 

Je komt uit op een toekomstbeeld met daarin twee soorten universiteiten: topinstellingen met strenge selectiecriteria en breed toegankelijke instellingen voor hoger onderwijs. Een beeld zoals dat elders al te zien is, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Van Berkel: “Misschien krijg je niet twee, maar drie of vier soorten universiteiten. Het alternatief is profileren, hele richtingen afstoten. Maar voor de meeste universiteiten geldt dat ze breed moeten opleiden. Utrecht heeft de klassieke talen vrijwel afgestoten, en heeft daar nu spijt van, want die zijn belangrijk voor andere opleidingen, zoals kunstgeschiedenis. Profilering is belangrijk als je op een markt opereert. Universiteiten opereren niet op een echte markt.”

Tempel voor de waarheid

De universiteit moet weer tempel voor de waarheid worden. Een tempel waar studenten leren te werken aan hun ziel. Dat betoogt de rooms-katholieke theoloog Erik Borgman in het essay dat hij schreef ter gelegenheid van de 91ste verjaardag die zijn universiteit, de Universiteit van Tilburg, deze week vierde. Overheden, schrijft Borgman, kijken naar de universiteit als naar een onderneming. Een onderneming die zoveel mogelijk geld moet binnenhalen en zoveel mogelijk waarde moet creëren. En studenten worden gedwongen zich diep in de schulden te steken, omdat hun opleiding een investering is. “Het is niet meer dan logisch dat studenten hun opleiding niet als een waarde op zich beschouwen, maar als een toegangsbewijs tot begerenswaardige banen.”

Juist in dit post-feitentijdperk, waarin machthebbers denken het zonder waarheid te kunnen stellen, moeten universiteiten zich schaamteloos presenteren als tempels voor die waarheid. Studenten zouden er niet alleen kennis moeten innemen om die toe te passen, maar ook moeten ontdekken hoe die kennis is geworteld in toewijding aan de waarheid.

Studenten moeten de ruimte te krijgen te werken aan hun ziel, besluit Borgman met verwijzing naar de Tsjechische filosoof Jan Patocka. Patocka beschreef zorg voor de ziel als het doorgronden van de wereld waarin we leven, bewustzijn van de veranderingen die we daarin aanbrengen om onze doelen te bereiken, en oog voor de toekomst die de wisselwerking tussen de wereld en onszelf brengt. Borgman: “Hier ontdekken we werkelijk onze ziel als de beweging die ons tot mensen maakt, op zoek naar waarheid en goedheid.”

Om die ziel te onderhouden, met de universiteit studenten een vrije omgeving bieden, zegt Borgman, zonder al te veel druk op het voorzien in eigen levensonderhoud. En zij moet studenten meer leren dan feiten en theorieën. Als het goed verliezen studenten dan het naïeve vertrouwen dat een theorie kan garanderen dat de waarheid wordt gevonden. “Leven in waarheid zal altijd een strijd zijn en we moeten voor onze ziel zorgen opdat hij toegerust blijft voor deze voortdurende strijd.”

Erik Borgman, Een Tempel voor de Waarheid: Notities over de rol en de taak van de universiteit in een post truth-cultuur - in de contemplatieve modus. Tilburg University 2018. Het essay is tegen kostprijs te bestellen via cobbenhagencenter@tilburguniversity.edu.

Lees ook: 

Studeren gaat om meer dan alleen studiepunten halen, vindt minister Van Engelshoven

Het idee dat alles draait om geld en rendement is doorgeslagen op universiteiten en hogescholen, stelt minister van hoger onderwijs Ingrid van Engelshoven. Studiesucces moet meer zijn dan studiepunten, anders blijven kwetsbare studenten weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden