Hoe werkloos zijn jongeren nou echt?

Minister Asscher opent deze week de WerkWeek Aanpak Jeugdwerkloosheid in Utrecht. Beeld Hollandse Hoogte
Minister Asscher opent deze week de WerkWeek Aanpak Jeugdwerkloosheid in Utrecht.Beeld Hollandse Hoogte

De jeugdwerkloosheid lijkt laag. Maar volgens de oude definitie staan er nog veel jongeren langs de kant.

Voor het eerst in vijf jaar tijd is minder dan 10 procent van de Nederlandse jongeren tussen 15 en 25 jaar werkloos, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek gisteren. Goed nieuws, jubelde minister Asscher van sociale zaken. “Fantastisch om te zien”, klonk het. En: “De crisis hebben wij achter ons gelaten, de economie groeit en bloeit weer, het aantal banen neemt fors toe.” Maar is zijn gejubel terecht?

Een definitiekwestie

Dat hangt af van de werkloosheidsdefinitie die je hanteert. Sinds twee jaar werkt het CBS met de internationale werkloosheidsbeschrijving, opgesteld door de International Labour Organization. Wie al meer dan één uur in de week werkt, krijgt het stempel ‘werkende’ mee. Toegegeven, zegt hoofdeconoom Peter Hein Mulligen van het CBS, diegene is niet per se financieel zelfstandig. Maar het aantal Nederlandse werklozen is zo wel internationaal vergelijkbaar.

Tot begin 2015 stond iemand als werkloos te boek als hij geen substantieel inkomen uit zijn baan kon halen, maar dat wel graag wilde. Een substantiële inkomen verdien je pas met minstens twaalf uur werk in de week, vond het CBS. Ook geen vetpot, maar wel meer dan een uur in de week. Volgens deze oude definitie ligt het aantal werkloze jongeren met 13,2 procent aanzienlijk hoger.

Student versus afgestudeerde

Maar in die werkloosheidscijfers worden ook 15- en 16-jarige scholieren en voltijdstudenten meegerekend die op zoek zijn naar een bijbaantje. Hoe problematisch is het dat zij geen baan kunnen vinden, vraagt arbeidseconoom Ronald Dekker van Universiteit Tilburg zich af. “Die moeten zich bezighouden met hun studie. We zouden, om de cijfers minder te vervuilen, onderscheid moeten maken tussen de werkloosheid onder afgestudeerden die op zoek zijn naar een baan en die onder voltijdstudenten en scholieren.”

Laat het CBS de vakkenvullende tiener die zijn eigen bioscoopkaartjes wil betalen buiten beschouwing, en rekent het de bijklussende student ook niet mee, dan valt het jeugdwerkloosheidspercentage met 8,9 procent een stuk lager uit. Reden voor minister Asscher om nog harder te juichen. Maar de 18-jarige die net op kamers is en zijn studieschuld wil inperken met een bijbaantje, heeft het lastiger. Van die groep lukt het 10,8 procent niet om een baan te vinden. Weer meer dan de 9,8 die het CBS naar buiten bracht.

Niet iedereen is meegerekend

Dan zijn er nog de jongeren die wel willen en kunnen werken, maar niet op zoek naar een baan zijn. Soms omdat ze te lui zijn, soms omdat ze niet weten hoe te zoeken, soms omdat ze er nog niet aan toe zijn. Het is een groep die, omdat ze niet én betaald werk wil én zoekt én beschikbaar is, niet tot de beroepsbevolking wordt gerekend. Toch gaat het om een flink aantal van 40.000 jongeren tussen de 15 en 25 jaar die, als ze meegeteld zouden worden, de werkloosheidscijfers zouden verhogen.

Tien procent blijft hoog

Los van alle definitie- en statistiekkwesties, is het werkloosheidspercentage van 9,8 procent hoog te noemen. Het aantal jonge werklozen daalt inderdaad. Maar in januari 2008, vlak voor de crisis, zat ‘slechts’ 8,6 procent van de jongeren zonder werk. Vergeleken met de rest van Europa doet Nederland het niet zo slecht, want een op de vijf Europese jongeren is op zoek naar een baan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden