’Hoe verward, hoe hevig en onrustig wervelt alles niet voor onze ogen!’

’Als willoze scheepjes maken kijker en luisteraar alles mee, van minuut tot minuut, beurskoersen, weerberichten, aanslagen, oorlogen en voetbalwedstrijden flitsen over het scherm en knallen uit de luidsprekers.’

De woeste stroom van het nieuws, ’niet langer studieus voorgekookt door de historicus maar rauw opgediend door de journalist’, heeft volgens filosoof Luuk van Middelaar geleid tot een radicalisering van het historisch bewustzijn. Hierdoor is ons handelingsvermogen aangetast en onze toekomst ingekort: ’Dus bekijkt de moderne mens de wereld van dag tot dag’, waarmee hij het ’onhistorische geluk’ dichter is genaderd.

De lyrische woede, de opzwepende levenskracht, het onaantastbare zelfbewustzijn – deze gebruikelijke trekken van Nietzsche’s proza zijn ver te zoeken in Nut en nadeel van geschiedenis voor het leven. Het is een opmerkelijk ingehouden en sombere tekst. De filosoof neemt de handschoen op tegen een verschijnsel waarvan hij tevoren niet zeker weet of hij het kan verslaan: het historische bewustzijn van zijn tijd. In het voorgaande, eerste ’Traktaat tegen de keer’ had hij zich een lichtere opdracht gesteld. Toen ging het erom de cultuurfarizeeër David Strauss, een grootheid voor Duitse kleinburgers, te ridiculiseren; ontspannen liet Nietzsche hem alle hoeken van de kamer zien. (’In wezen had ik een maxime van Stendhal in praktijk gebracht: hij raadt aan dat men zijn intrede in de maatschappij doet met een duel. En wat een tegenstander had ik gekozen! De eerste Duitse vrijdenker!’) In het tweede Traktaat is de tegenstander geduchter, ongrijpbaarder. Bovendien staat er voor Nietzsche meer op het spel. De analytische discipline die veel lezers van ’Nut en nadeel’ treft, is dan ook geen teken van emotionele afstand. Integendeel, het is de intellectuele concentratie van een strijder in nood.

Gaat het om doodsnood? Deze ernstige vraag moeten we wel stellen. Een auteur die in de titel schermt met ’leven’ – en de indruk van gevaar wegmoffelt achter een zakelijk ’nut en nadeel’ – nodigt daartoe uit.

Zeker is dat Nietzsche het zwaar heeft in deze tekst. De aard en de kracht van zijn object maken welhaast hém tot lijdend voorwerp. De geschiedenis verschijnt er immers als een massieve, terneerdrukkende macht. Ze laat geen lucht. Ze verplettert het leven, dat zich als pover kasplantje hier en nu staande moet houden, onder het overgewicht van het historische. Ze spoelt elke lust tot handelen weg in de stroom van ’een almaar voortvloeiend en vervloeiend worden’. Zoals in Marx’ en Engels’ Communistisch Manifest (1848) de geldeconomie alles ontwortelt, al wat vast is doet smelten, zo doet in ’Nut en nadeel’ (1874) de geschiedenis dat. ’Alle grenspalen zijn omvergetrokken en alles wat ooit was, stormt op de mens af.’

Honderdtweeëndertig jaar na dato jaagt de wanhoop van deze strijder tegen de tijd ons nog even dwingend schrik aan. Nietzsche’s doodsnood is van meer dan particulier biografisch belang, zoals hijzelf als geen ander besefte. De tegenstander die hij de eerste was te ontwaren, doet zich inmiddels tot ver buiten de torens der geleerdheid gelden: individuen in de ban van het worden, culturen verlamd door de herinnering aan het verleden. Hoe behouden wij hier en nu ons vermogen tot handelen, hoe voorkomen wij dat we zwichten voor de historische golf?

Op het oog heeft onze tijd de belangrijkste les van ’Nut en nadeel’ ter harte genomen. De boodschap dat een overmaat aan historische kennis het leven schaadt, schijnt welbesteed aan ons vroeg-eenentwintigste-eeuwers. De hedendaagse Bildungsbürger houden weliswaar de cultuurbijlages bij, hebben de kinderen op toneelles en bezoeken in de Provence weleens een Romaans kerkje, maar voor, zeg, de val van het Romeinse rijk, de tiende penning of het Molotov-Ribbentrop-pact geldt: they couldn’t care less. De politieke en culturele elite heeft decennialang het geschiedenisonderwijs laten verslonzen. Niet vanwege een mogelijk nadeel van de geschiedenis voor het leven, maar omdat het geen voordeel opleverde. Zo verdween het verleden uit de publieke ruimte. De bescheiden golf de andere kant op die sedert enige jaren valt te ontwaren, doet hier weinig aan af. Met politici die voor historische musea pleiten en beleidsmakers die de vaderlandse geschiedenis aan immigranten willen onderwijzen, zijn we weliswaar, nog enigszins onwennig, terug van het nadeel bij het nut, maar diep doorvoeld is dit allemaal niet. De ’grenspalen’ tussen heden en verleden staan nog netjes overeind. De enige verandering: waar eerst achteloosheid heerste, zou nu een zeitgemüsser polemist aandacht kunnen vragen voor een gebrek aan historisch besef.

Kunnen we dus opgelucht ademhalen, omdat het gevaar dat Nietzsche signaleert is geweken? Deze conclusie is voorbarig. Het ging Nietzsche niet sec om de conjunctuur van de historische belangstelling. De bron van zijn probleem zit veel dieper. Het raakt aan de omgang van de moderne mens met de tijd. Niet voor niets maakt ’Nut en nadeel’ op ons zo’n indruk. Ik wil daarom de stelling verdedigen dat het probleem van Nietzsche een andere gedaante heeft aangenomen en in feite is verergerd. Voorzover het historische bewustzijn inderdaad is afgesleten, komt dat doordat het is geradicaliseerd.

De ’woeste stroom van het worden’ is zo sterk geworden dat de moderne mens het verleden niet meer nodig heeft om van die ontwortelende kracht doordrongen te raken. De dagelijks ervaren verandering kan het stellen zonder de plechtige adstructie met de geschiedenis. De beweeglijkheid van de wereld, de kwetsbaarheid van het heden, de onvoorspelbaarheid van de toekomst – ze zitten inmiddels als het ware in eenieders hoofd. Elke generatie ziet haar omgeving veranderen van vorm en kleur in een richtingloze versnelling die velen naar adem doet happen. Wie wil dit alles? Wie of wat drijft dit aan? De voorzienigheid? De wereldleiders? De wet van vraag en aanbod? Niemand weet het. En iedereen weet dat niemand het weet.

Belangrijk gevolg: het besef van en inzicht in de onbedoelde gevolgen van menselijk handelen, dit meest venijnige bestanddeel van het historische denken, verbreidde zich. Eens de bron waaruit enkele bevoorrechte historici en literatoren hun weltgeschichtliche ironie putten, is dit inzicht vrijelijk ter beschikking gekomen. (’Het is geen plezier’, zo erkenden twee Amsterdamse historici rond de eeuwwisseling, ’om als sceptische elite omringd te worden door een klimaat van algemene scepsis.’) Het besef van veranderlijkheid heeft zelfs het tot een tweede natuur geworden vertrouwen in de collectieve toekomst uitgesleten. Het idee van vooruitgang, dat de levensloop van de Europeaan encadreerde en hem ruim twee eeuwen vergezelde op zijn tocht door de tijd, is vervaagd. Want als alles op onvoorziene en onbedoelde wijze verandert, waarom zou de toekomst dan beter zijn? We kunnen vaststellen dat men tegen het jaar 2000 niet meer geloofde wat met de Verlichting verkondigd was: dat kinderen het vanzelfsprekend beter zouden krijgen dan hun ouders. Deze historische omslag heeft op zijn beurt een onverbiddelijke terugslag: als alles verandert, waarom dan überhaupt nog de blik richten op het verleden? Historisch wrakhout biedt de hedendaagse drenkeling geen soelaas.

Wellicht voorvoelde Nietzsche iets dergelijks toen hij zijn eigen tijd ’een soort ironisch zelfbewustzijn’ toeschreef, ’een onbestemd voorgevoel dat er niets te juichen valt, een vrees dat het misschien binnenkort met al het vermaak rond het historisch besef gedaan zal zijn’. Het historisch bewustzijn haalde zichzelf onderuit. De lessen van Hegel, filosofische borg van het trotse zelfbegrip van de negentiende eeuw, maken ons op den duur steeds nederiger, tot we ’als een goede leerling van Heraclitus nauwelijks nog een vinger durven verroeren’. Zo triomfeert de ironie der geschiedenis – ten koste van de geschiedenis.

Dit heeft de toestand van de moderne mens weinig verbetering gebracht. Weliswaar is het niet meer het wereldhistorische panorama dat onze blik hier en nu verblindt en onze levenswil vertroebelt. Nee, nu doet het heden zelf ons duizelen. En dus klinkt Nietzsche’s uitroep – tegelijk diagnose en noodkreet – nog even urgent: ’Hoe verward, hoe hevig en onrustig wervelt alles niet voor onze ogen!’ Onze filosoof-geneesheer zou bij de hedendaagse mens namelijk opnieuw dit elementaire gebrek kunnen constateren: een wanverhouding tussen kennis en het vermogen te handelen, de ’merkwaardige tegenstelling van een innerlijk dat niet strookt met een uiterlijk’, een ’bedenkelijke kloof tussen inhoud en vorm’. De ’allesverterende historische koorts’ van de negentiende-eeuwer heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe, minstens zo hevige ijlkoorts: het ’journalisme’.

Laten we de vinger op deze kwaal leggen. Gulziger en cynischer dan zijn voorganger snakt de moderne patiënt naar de ’kennis die overvloedig maar zonder honger of zelfs met tegenzin wordt opgenomen’. ’Nieuws’ heet het, met een plomp onzijdig enkelvoud voor de menigvuldigheid. In letters, in geluid en in beeld bereikt het hem, de hele dag en de hele nacht door. Het is een oorverdovend knisperen, een alles overstemmend ruisen, een oogverblindend schemerlichten waarmee vanuit de verste uithoeken van de globe het nieuws zijn zintuigen belaagt. Vormeloze inhoud, content. Onze patiënt, ongewapend als hij is, kan niets anders doen dan zich overgeven aan de stroom – zich inbeeldend dat hij zich laaft en ’bij blijft’.

Zo zit nu op de troon die voorheen de historicus toebehoorde, opgeklommen van bescheiden klerk tot bewonderde duider van de wereld: de journalist. Hij temt de nieuwsstroom voor de lezende, luisterende en kijkende mens. De auteur van ’Nut en nadeel’ voorzag de behoefte: ’Wat rest de natuur [van de mens] (..) om de enorme stroom die zich aan haar opdringt meester te worden? Haar rest niets anders dan alles zo gemakkelijk mogelijk op te nemen, om het direct te verteren en weer af te scheiden.’ De journalist is degene die in dit verteringsproces te hulp schiet. Hij is de voorkauwer.

Het begon met de krant. De krantenman presenteert de nieuwsvangst periodiek aan het publiek. De in veel talen overgenomen term ’journalist’, van het Franse journalier, duidt op de meest gebruikelijke frequentie van dit drukwerk, de dagelijkse. Het Spaans koos, conceptueler, voor periodístico en drukt aldus goed uit dat het geheim zit in het vaste ritme – elke dag, week, maand of anderszins. Tal van kranten ontlenen hun naam aan het tijdstip of de regelmaat van hun verschijnen: De Morgen, Le Soir, Evening Post, Die Woche, Journal du Dimanche, Atlantic Monthly. Volgens hetzelfde beginsel werd in langzamer tijden het wereldgebeuren geboekstaafd in Annalen. Kennelijk volstond voor de middeleeuwse orde een journalistieke periodiciteit van een jaar. Treffend is daarom de aan Hegel toegeschreven uitspraak dat de krant het ’ochtendgebed van de moderne mens’ is. Een ochtendgebed tot de ’God van de gebeurtenissen’ – want zo mogen we deze dagelijkse manifestatie van de Weltgeist wel noemen.

In de loop van de twintigste eeuw temden radio en televisie de stroom van het worden op een geheel nieuwe wijze. Zij persten het in kanalen van beeld en geluid. Dit vergrootte de status van de journalist. Van anonieme scribent werd hij ’stem’ en zelfs ’gezicht’. Dat geeft persoonlijk gezag, iconische kracht. Maar ook deze vooruitgang heeft zijn keerzijde. Ook het journalisme kent een zelfvernietigend beginsel – en dit brachten de audiovisuele media pijnlijk aan het licht.

Technisch niet belemmerd door de vertraging van drukpers en verspreiding kunnen radio en televisie het nieuws in beginsel onafgebroken aan het publiek voorschotelen. Deze magische verleiding van de actualiteit is lang nog weerstaan. Beide media organiseerden hun nieuwsvoorziening aanvankelijk volgens het oude periodiciteitsbeginsel – met als grootste succes het dagelijkse ’acht-uur-journaal’, nationale vesper en waardig opvolger van de lauden van Hegel. De frequentie werd allengs opgevoerd, tot zelfs een bulletin per kwartier. De papieren krant kon daar niet tegen op en kreeg het ongehoorde verwijt achter te lopen op de feiten. De logica van de versnelling stuitte op de natuurlijke grenzen van de periodiciteit. De principiële oplossing was de opheffing ervan in een permanente aanwezigheid, een ’24-uurs-journaal’. Live-verslaggeving was vooraleerst gereserveerd voor bijzondere gebeurtenissen – zoals ook kranten een extra editie plachten uit te brengen op de dag dat de vorst overleed of de oorlog uitbrak. Onder de druk van een wedloop naar ’onmiddellijkheid’ werden evenwel steeds meer en andere gebeurtenissen voor microfoon of camera gehaald. Het internet, met zijn wereldwijde web van slaapkamercorrespondenten, was daarin voorgegaan. Als echter alles onmiddellijk (immediate) wordt, verliezen de media hun duidende functie en vermogen. Geboren uit de vraag naar een verteerbare, ’voorgekauwde’ stroom van het worden, stuurde de journalistiek die stroom steeds vormelozer op het publiek af. Als willoze scheepjes maken kijker en luisteraar alles mee, van minuut tot minuut, beurskoersen, weerberichten, aanslagen, oorlogen en voetbalwedstrijden flitsen over het scherm en knallen uit de luidsprekers. In deze stroomversnelling zet het journalisme zijn laatste troef in, reddingsboei in zelfgeschapen vloedgolven, de held die alle inkomende berichten verbindt en bijeenhoudt: de anchorman.

Zo is dus sinds de dagen van Nietzsche het historisch bewustzijn niet zozeer verzwakt alswel geradicaliseerd. De versnellende stroom van het worden drong eenieders leven binnen; niet langer studieus voorgekookt door de historicus maar rauw opgediend door de journalist. De zorgwekkende kloof tussen de kennis en het handelingsvermogen van de moderne mens werd steeds groter. Sterker nog, „zo ontstaat de gewoonte de werkelijke dingen niet meer serieus te nemen, zo ontstaan de ’zwakke persoonlijkheden’ waarop het werkelijke, het bestaande nauwelijks nog indruk maakt (...), totdat men uiteindelijk ongevoelig is voor gebrek aan beschaving’’.

De stroom van het worden ligt niet meer in de verte, als een rivier kronkelend in het dal der eeuwen, maar is dichtbij, een vliet die onder onze ogen klotst en kolkt. Anders gezegd, de tijd is gekrompen, en wel in beide richtingen. Niet alleen is het verleden korter geworden maar, met enige vertraging, ook de toekomst. En juist in die laatste vertraging huist de tragiek van de eerste helft van de twintigste eeuw. Weliswaar kan men stellen dat in die periode communisme, nazisme en fascisme op basis van zekere geschiedinterpretaties wel degelijk tot handelen kwamen, aldus Nietzsche’s diagnose weerleggend dat een overmaat aan geschiedenis het leven fnuikt. Inderdaad kon de geschiedenis als bron van seculiere religie leiden tot fanatisme, maar dit was slechts een fase in het proces dat in ’Nut en nadeel’ werd voorvoeld. Zinvoller is misschien te zeggen dat de totalitaire ideologieën opkwamen in een periode dat het besef van de historische veranderlijkheid al verbreid was, maar nog gepaard ging met een geloof in de menselijke kracht dit worden van de toekomst te kunnen vormgeven. Juist de radicalisering van het historische bewustzijn loste de utopische hybris die er driekwart eeuw eerder aan was ontsproten op, en deed ten slotte ook de toekomst krimpen.

Dus bekijkt de moderne mens de wereld van dag tot dag. Misschien benaderen we nu dichter dan ooit het beeld van de ’kudde die aan je voorbijgraast’ – ’ze dartelt rond, vreet, rust, verteert, dartelt verder, en zo van de ochtend tot de avond, dag aan dag’. Alsof de geschiedenis versnelde, alsof het historisch besef radicaliseerde, opdat we dichter zouden komen bij tenminste het onhistorische geluk.

Dit is de openingspassage uit Luuk van Middelaars nawoord ’Over het historische geluk’ bij de heruitgave van Friedrich Nietzsche, Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven. Tweede traktaat tegen de keer. Dit boek verschijnt op 4 september bij de Historische Uitgeverij Groningen, 204 blz., euro 25. ISBN 90 6554 022 9

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden