Hoe ver kun je gaan met een virus?

Rotterdamse virologen hebben hun onderzoek met een besmettelijk en zeer dodelijk griepvirus twee maanden stilgelegd. Aanleiding is de kritiek van collega's wereldwijd die twijfelen aan de veiligheid van de proeven. Als het virus ontsnapt, waarschuwen de critici, is de ramp niet te overzien.

Ligt het virus ergens in een vriezer opgeslagen, diep weggestopt in de immense witte toren van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam? Of is het opgeborgen op een andere, geheime locatie?

De betrokken onderzoekers doen er uiterst geheimzinnig over. Vast staat alleen dat ze een verwoestende ziekteverwekker hebben gemaakt. Hun vogelgriepvirus, H5N1, is niet alleen zeer dodelijk. Door een handvol kunstmatige genetische veranderingen kan het ook nog eens snel van mens op mens overspringen. Als het virus vrijkomt, per ongeluk of expres, kunnen tientallen miljoenen mensen omkomen.

Het virus vormt de inzet van een heftig debat. De strijd draaide aanvankelijk vooral om de vraag of je het wetenschappelijke recept voor zo'n gevaarlijk virus openlijk mag publiceren, ook zichtbaar voor kwaadwillenden met terroristische intenties. Maar nu de Amerikaanse biologische veiligheidsraad NSABB eind december heeft geadviseerd om het werk alleen vrij te geven zónder gevoelige details, is de aandacht - vooral in Amerikaanse media - verschoven naar een andere vraag: is het Rotterdamse lab, evenals tientallen soortgelijke labs wereldwijd, wel veilig genoeg voor dit riskante onderzoek?

De aanvallen die collega's uit andere landen in vakbladen hebben gelanceerd, zijn zo fel, dat de Rotterdamse onderzoekers Ron Fouchier en Ab Osterhaus een opmerkelijke stap hebben genomen. Samen met virologen uit verwante labs hebben ze een time-out van twee maanden afgekondigd waarin ze niet met het bewuste H5N1-virus zullen werken. Hun Japanse collega Yoshihiro Kawaoka, die eveneens een gevaarlijke H5N1-variant heeft gecreëerd, doet mee aan de pauze, net als dertig andere wetenschappers.

De Rotterdammers lieten het moratorium op 20 januari ingaan, via een brief die ze gelijktijdig in de vakbladen Science en Nature publiceerden. Doel van de adempauze: ze willen hun bezorgde collega's en het publiek ervan overtuigen dat ze hun werk onder verantwoorde, goed gekeurde omstandigheden hebben uitgevoerd en dat de kans op een ontsnapping van het virus weliswaar niet nul is, maar toch zeker verwaarloosbaar.

'Waarom überhaupt een risico nemen?' vraagt de leek zich wellicht af. Om te voorkomen dat de natuur ons vóór is, antwoorden de wetenschappers. Het vogelgriepvirus H5N1 waart sinds 1997 rond en veroorzaakt geregeld enorme uitbraken onder pluimvee in Aziatische landen. Mensen raken niet snel besmet, maar áls het gebeurt, is de afloop in de helft van de gevallen fataal: in totaal zijn 577 besmettingen bevestigd, en 340 van de slachtoffers zijn overleden.

Het gevaar is dat het H5N1-virus genetisch spontaan verandert, waardoor het behalve dodelijk ook makkelijk overdraagbaar zou worden van mens op mens. "Veel virologen dachten dat die combinatie niet kon ontstaan", vertelt Erasmus MC-viroloog Ron Fouchier. "Het virus zou of heel dodelijk zijn, of heel besmettelijk, maar nooit allebei tegelijk. Wij laten nu voor het eerst zien, met fretten als proefdier, dat dit wel degelijk kan. Er blijkt zelfs maar een handvol genetische mutaties voor nodig."

Op die reële dreiging uit de natuur moeten we ons voorbereiden, vindt Fouchier. Allereerst door landen die uitbraken kennen, te manen tot het fanatiek ruimen van besmet pluimvee - dat gebeurt nu vaak te laks. Fouchier zinspeelt er ook op om in landen waar het virus genetisch al een eind op weg is naar menselijke besmettelijkheid, extra hard in te grijpen. Want hoe langer zo'n riskant virus voortwoekert, hoe groter de kans dat de hele wereld de klos wordt. En ten slotte: een vaccin ontwikkelen. "Het alternatief", zegt Fouchier, "is dat we met z'n allen op het strand gaan liggen en wachten tot er miljoenen doden vallen. Dat zal toch niet de bedoeling zijn."

Het belang van het onderzoek is duidelijk, beamen de critici. Maar dat betekent niet dat het onderzoek zelf in de haak was. De felste tegenstander is de Amerikaan Richard Ebright. Deze moleculair-bioloog en biodefensie-expert aan de Rutgers-universiteit in New Jersey maakt de Rotterdammers twee belangrijke verwijten. "Ten eerste is vooraf geen internationaal controleerbare weging gemaakt van de risico's en het nut van deze proef", zegt hij. Het Amerikaanse gezondheidsinstituut National Institutes of Health, in opdracht waarvan de Rotterdammers hebben gewerkt, zou alleen hebben gekeken naar het nut; de risico's zouden volstrekt zijn genegeerd. "Ten tweede had dit onderzoek absoluut moeten plaatsvinden in een lab dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet: een BSL4-lab. Het Rotterdamse lab, van het type BSL3+, zit daar een stuk onder. Dat kunnen we niet accepteren."

Dit is precies de kritiek die de Rotterdamse viroloog Fouchier de komende tijd hoopt weg te nemen. "De gevaren van ons onderzoek zijn wel degelijk meegewogen", verdedigt hij zich, "door zowel de Amerikaanse als de Nederlandse overheid. De Cogem (Commissie genetische modificatie - red.) heeft er in mei 2007 een positief advies over uitgebracht. De risico's voor mens en milieu werden 'verwaarloosbaar klein' geacht. Op basis van dit advies heeft de minister een vergunning verleend."

Wat zich hier wreekt, is dat de Amerikaanse beoordeling geheim is en dat de andere in het Nederlands is opgesteld. Ebright kan dus niets controleren. De Amerikaan blijft er daarom bij dat zulke belangrijke risico- afwegingen internationaal toetsbaar moeten worden. Anders kan één land iets besluiten wat wellicht de hele wereld in gevaar brengt.

En dan de kwestie van het type laboratorium. Het veiligheidsniveau van een lab wordt aangeduid met de term BSL (Bio Safety Level) 1 tot en met 4. De Rotterdammers zitten op 3+, ergens tussen 3 en 4 in. Concreet betekent dit onder meer dat hun experimenten luchtdicht zijn afgeschermd in een perspex doos, waar van binnen dikke plastic handschoenen in vastzitten. Laboranten steken hun handen in die handschoenen en komen dus niet direct in contact met de besmette proefdieren in de doos.

Daarnaast voldoet het lab aan de meeste BSL4-eisen. Zo is het hele lab hermetisch van de buitenwereld afgesloten. En alles wat de ruimte verlaat, wordt volgens Fouchier chemisch ontsmet. Het enige wat ontbreekt, is een tank om het afvalwater op te vangen en te desinfecteren. Maar dat telt volgens Fouchier niet, want het lab zou geen afvalwater produceren.

"Op enkele details na zitten wij op BSL4", verzekert de viroloog. "Er staan nu allerlei mensen op die de veiligheid van ons lab bekritiseren zonder dat ze het hebben gezien. Als ze hier kwamen kijken, zouden ze direct overtuigd zijn. Wij hebben alle BSL4-labs in de wereld bezocht. We hebben eruit overgenomen wat we handig en betaalbaar vonden. Een volledig BSL4-lab is peperduur. Het zou een onnodige kostenpost zijn."

De kosten blijken een zwaar- wegend argument. Aan welk bedrag moeten we denken? Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven heeft toevallig net een BSL4-faciliteit laten bouwen, het enige in Nederland. Hoewel het lab klein is, en ongeschikt voor proefdieren, kostte het maar liefst 20 miljoen euro. Het lab moet nog worden opgeleverd, maar een woordvoerder laat al weten dat het niet de bedoeling is dat de Rotterdammers hun riskante proeven straks bij het RIVM komen doen. "Ons lab is alleen voor noodgevallen, voor als er ineens een dodelijk virus over de wereld raast. In zo'n situatie moet je kunnen testen wie er besmet is."

Binnen Nederland hebben de Rotterdammers dus geen officiële BSL4- locatie ter beschikking. Dat kan een probleem worden. Want dit jaar volgen er diverse bijeenkomsten van experts waarin het besluit kan vallen dat riskant H5N1-onderzoek alleen nog in een echt BSL4-lab mag plaatsvinden. En wat dan?

Dat zou dramatisch zijn, zegt Fouchier. Wereldwijd ligt het aantal BSL4-laboratoria erg laag. In Europa zijn er maar zeven in bedrijf, en die zijn lang niet allemaal geschikt voor studies met proefdieren. "Als je voor ons soort onderzoek vasthoudt aan de strikte eis van BSL4, dan kun je het nog maar in drie of vier labs ter wereld doen", waarschuwt Fouchier. "Dat is veel te weinig om vooruitgang te boeken. Nu kan het nog in tientallen labs."

Het aantal BSL4-labs is niet overweldigend, beaamt Hervé Raoul, directeur van het BSL4-laboratorium Jean Mérieux-INSERM in Lyon. "Maar wij hebben hier in Lyon capaciteit over. Meneer Fouchier kan zo bij ons aankloppen. We zijn zelfs bezig om ruimte ter beschikking te stellen voor samenwerking in Europa." Raoul vindt niet dat de Rotterdammers 'onverantwoord' bezig zijn geweest, maar hij zou ze wel dringend adviseren om bij volgende proeven de veiligheid een niveau op te schalen.

Fouchier reageert afhoudend. Lyon biedt geen toegevoegde waarde, zegt hij. En het is onpraktisch om proefopstellingen te verhuizen. Daarbij, de huur zal allesbehalve gratis zijn. Maar volgens Raoul valt dat mee. "Wij hanteren geen commerciële tarieven. We vragen een redelijk bedrag, onder de kostprijs. Bovendien hoef je niet ál je onderzoek hier te doen. Het gaat alleen om het riskante deel met besmette proefdieren. Alle genetische analyses en dergelijke kunnen gewoon in het thuisland plaatsvinden. Zo'n verhuizing is dus minder dramatisch dan het lijkt."

Voor de Amerikaanse veiligheidsexpert Ebright gaat alleen de eis van een BSL4-lab nog niet ver genoeg. Wat hem betreft behandelt de Wereldgezondheidsorganisatie WHO het riskante H5N1-virus straks net zo streng als het pokkenvirus. Voor dit eveneens terrorisme-gevoelige virus heeft de WHO een regeling die de opslag en het werken met het virus wereldwijd beperkt tot slechts twee extreem beveiligde laboratoria, in Rusland en de VS. "Je kunt dit met één pennestreek regelen", zegt Ebright. "Je hoeft H5N1 alleen maar naast pokken op de lijst te zetten."

Reuzeveilig, sneert Fouchier: zo weet je zeker dat de wetenschap bij een besmettelijke H5N1-uitbraak in de natuur altijd te laat zal zijn met een vaccin, want niemand kan eraan werken. "Kijk, pokken is uitgeroeid", zegt Fouchier. "In zo'n geval is het prima dat bijna niemand ermee mag werken. Maar H5N1 is een levend virus dat een natuurlijke dreiging geeft. Hoe gevaarlijker, hoe sterker de noodzaak om er op grote schaal onderzoek naar te doen." Veel collega-virologen denken er net zo over, blijkt uit een korte rondgang van het tijdschrift Nature.

Het onderliggende probleem is volgens de Rotterdammer dat in de Verenigde Staten, na de aanslagen van 11 september 2001, een sterke veiligheidslobby is opgekomen. Die roert zich nu hevig, wat een eenzijdig debat oplevert. "Virologen moeten wakker worden en zich in de discussie mengen. Anders bepalen veiligheidsexperts straks de wetenschappelijke agenda. Dat moeten we voorkomen."

Virusuitbraak uit het laboratorium: reëler dan gedacht
Stel, een dodelijk virus ontsnapt uit een goed beveiligd laboratorium en teistert vervolgens de mensheid. Het klinkt als een ongeloofwaardig en overdreven Hollywood-scenario. Maar in de praktijk glippen virussen geregeld uit laboratoria weg. Soms kost dat zelfs een mensenleven.

Zoals in 2004. Een uitgebreide epidemie van het gevaarlijke long-virus SARS was toen nog maar net bedwongen, of twee studenten in een lab in Peking besmetten per ongeluk zichzelf. Zij kwamen het virus uiteindelijk te boven, maar al proestend hadden ze toen al zeven anderen geïnfecteerd. Van hen is er één overleden.

In 1978 vond een nog tragischer ongeval plaats met het pokken-virus. Dit virus was destijds zo goed als uitgeroeid. Het laatste natuurlijke geval deed zich voor in 1977. Maar het allerlaatste geval was een labbesmetting: een medisch fotograaf liep het virus op in een lab in Birmingham. Hij stierf. De hoogleraar die het pokkenonderzoek onder zijn hoede had, pleegde vervolgens zelfmoord.

Wereldwijd werken minstens veertig laboratoria met dodelijke, zeer besmettelijke ziekteverwekkers, blijkt uit een inventarisatie die Lynn Klotz en Ed Sylvester van het Amerikaanse Center for Arms Control and Non-Proliferation onlangs in het vakblad Nature publiceerden. Het gaat niet alleen om SARS, maar ook om miltvuur, pokken, Ebola en het opkomende hersenvirus Nipah. Er wordt zelfs geëxperimenteerd met een reconstructie van het Spaanse griepvirus, dat rond 1918 wereldwijd tientallen miljoenen levens heeft geëist.

Hoe vaak zou er iets misgaan? Niemand weet het precies. Eind december berichtte Nature dat in Azië in minstens vier laboratoria per ongeluk medewerkers met SARS besmet waren geraakt. En de Amerikaanse National Research Council rapporteerde in september dat tussen 2003 en 2009, alleen al in de Verenigde Staten, 395 keer de veiligheidsvoorschriften in labs waren overtreden. In zeven van die gevallen liepen medewerkers een infectie op van een ziekteverwekker die zich onder de bevolking had kunnen verspreiden - maar dat gebeurde niet door adequate isolatie van de besmette personen.

Klotz en Sylvester hebben een schatting gemaakt van de kans dat ergens ter wereld een dodelijk griepvirus uit een lab ontsnapt. Ze komen op het verrassend hoge risico van 34 procent in één jaar tijd; in een periode van vier jaar loopt het risico zelfs op naar 80 procent. Volgens deze schatting, waar nogal wat nattevingerwerk achter zit, is het vrijwel zeker dat de wereld binnenkort wordt getroffen door een fatale griepepidemie, veroorzaakt door wetenschappers.

"Ridicuul", reageert de Rotterdamse viroloog Ron Fouchier. Hij schiet de berekening moeiteloos lek. Om te beginnen, baseren Klotz en Sylvester hun verhaal op slechts drie concrete besmettingen in een lab. Dat is heel weinig. In al die gevallen betrof het ook nog eens SARS, niet een griepvirus. Bovendien gooien de auteurs laboratoria van lage en hoge veiligheidstypes op één hoop, terwijl gevaarlijke griepvirussen alleen in de hogere labs worden gehanteerd. "Hun risicoschatting raakt daardoor kant noch wal", vat Fouchier samen. "Pure stemmingmakerij. De werkelijkheid is dat tientallen labs al vijftien jaar veilig met gevaarlijke griepvirussen werken. We hebben nog nooit één menselijke besmetting meegemaakt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden