Essay

Hoe uitgerekend de arbeiders het feestje van Karl Marx verziekten

Beeld RV

Hoe kon ‘de zaak van Marx & co’ zo in het honderd lopen? Oud-SP’er Jos Palm beschrijft de pijnlijke waarheid: uitgerekend de arbeiders verzieken het feestje van Karl Marx.

Mag ik dit verhaal over de blinde vlek van Karl Marx beginnen met een herinnering? Het moet ergens in de jaren negentig zijn geweest toen een neefje van me zijn vader en moeder - indertijd net als ik ooit volbloed-SP’ers oude stijl - uit hun droom over de arbeider hielp. “De mensen zijn helemaal niet zoals jullie denken dat ze zijn”, zei hij toen zijn ouders weer eens op pad gingen ter wille van de mensheid. Aldus tornde hij, als elfjarige, zonder het te weten, aan een hardnekkig geloofsartikel van het socialisme dat ooit door Marx zelf verkondigd was: dat in de arbeidersklasse de volmaakte mensensoort te vinden was.

Mijn neefje was niet de eerste met kritiek daarop. In de jaren twintig van de vorige eeuw was die er al, doorwrochter en doordachter. Europa had net de tragedie in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog achter de rug. De proletariërs van alle landen hadden elkaar uitgemoord en aldus de schaduwzijde van nationalisme en trots geopenbaard. Dat was een socialistisch probleem. Want als de arbeider zich zo makkelijk liet leiden door vaderlands sentiment, hoe zat het dan met zijn proletarische bewustzijn dat hem automatisch voor het socialisme zou moeten winnen?

Overschat

Marx en zijn volgelingen hadden de arbeidersklasse wat overschat, oordeelde een vooraanstaande rode Belg, Hendrik de Man. Het zijn bepaalde het bewustzijn, akkoord, maar het zijn was meer dan het loonstrookje, het huishoudboekje en een pan soep: zulks had de nationalistische gekte rond 1914-’18 geleerd. “De dagelijkse openbaring van het instinctmatige van de massa-impulsen die ook de arbeidersklasse met volkerenhaat vergiftigden”, is een levensles voor de beweging, schreef De Man in zijn cultuurkritiek ‘De psychologie van het socialisme’ (1927), gepubliceerd uit ontzetting over de proletarische loopgraafgenocide in de Grote Oorlog, die vooral in België had huisgehouden. Wilde het socialisme nog toekomst hebben dan moest het ‘de economisch deterministische mensopvatting’ laten varen, en toe naar een zienswijze ‘die aan de mens als psychologisch reactiesubject de voornaamste betekenis toekent’.

De Vlaamse theoreticus (die later voor het schijnbaar volksverheffende nazi-denken zou vallen) kon het ook eenvoudiger zeggen: de gewenste gemoedsgesteldheid van de man van de straat en de fabriek ontstond niet zomaar uit de omstandigheden; de gedachte dat ‘het maatschappelijk handelen van de massa voortkwam uit het inzicht in haar (economische) belangen’ was onhoudbaar. Het waren woorden die de bodem wegsloegen onder de gebruikelijke idealisering van het volkse sentiment. Ze blijken van betekenis tot op de dag van vandaag, waar gewone kiezers - van Orbans Hongarije tot in beschaafd Duitsland en polderend Nederland - angstprofeten omarmen die hun zorgen wegnemen en tegelijkertijd de klassieke sociaal-democratie de rug toekeren.

Het socialisme idealiseerde de straat - en de SP, waar ik in de maoïstische jaren lid van was, al helemaal. Nog altijd klinkt daar dezelfde arbeideristische reflex. ‘De gewone man is van ons’, was de mantra waarmee SP-partijvoorzitter Ron Meijer reageerde op de zoektocht naar de Jan van Annie waar de politiek eind verleden jaar kortstondig door bevangen leek. Weten we het nog? GroenLinks in de kantines, de PvdA in de volksbuurten. Alsof de massalijn, de existentiële hang naar het vinden van volkswil en volksbelang, nooit weg was geweest. Ineens zaten mijn SP-schoenen uit de jaren zeventig weer als gegoten.

“De massa’s zijn de werkelijke helden, terwijl wijzelf dikwijls kinderlijk en onwetend zijn”, schreef voorzitter Mao over de massalijn. Het waren even manipulatieve als bedrieglijke woorden die ik uiteraard dik onderstreepte en van uitroepteken voorzag in mijn exemplaar van het Rode Boekje.

De gewone man

Niet alleen bij de partij van de Marijnissens, maar ook elders zoeken ze bij links weer de gewone man. Marcel van Dam kwam op voor de ‘mensen in het land die zich Belubberd voelden’, Hans Spekman etaleerde zijn volksheid door het dragen van een slobbertrui en SP-parlementariër Peter Kwint cultiveert zijn socialistische alledaagsheid met getatoeëerde armen met een eenvoudig T-shirt. De gewone man hoort volgens socialisten bij hun beweging. Al decennia kenmerkt het socialisme zich door wat chique ‘een proces van toe-eigening’ heet. De vooral economisch gedefinieerde onvrede van Willem en Mien, van Kevin en Jessica, is het historisch Leitmotiv van allerhande soorten linkse partijen, van de oude vooroorlogse SDAP via de PvdA tot de radicale SP.

En dat komt inderdaad allemaal door Marx zelf. In het jaar dat hij op 5 mei geboren werd - 1818 - moest zijn zelfbewuste proletariaat nog ontstaan. Toch wist ‘de Darwin van de mensengeschiedenis’ (zoals zijn vriend Engels hem noemde op zijn begrafenis) al wat hij met de werkman aan moest: hij was de mier die de balk van de geschiedenis zou voortslepen. De proletariërs waren de gasten op zijn feestje, en hij, Marx, was de ceremoniemeester.

Dat ze zijn feestje zouden bederven, dat ze voor het welbegrepen eigenbelang en niet voor ‘de mensheid’ zouden kiezen, kon en wilde Marx niet zien. Het proletariaat, dat hij voornamelijk van horen zeggen kende, was met dank aan allerhande filosofisch-romantische revolutionaire kolder in zijn kop de hoeksteen van zijn geschiedopvatting, zijn geschenk aan de geknechte wereld.

Opdracht

“Het gaat er niet om”, schreef hij in 1845, “wat deze of gene proletariër of zelfs het hele proletariaat zich op een gegeven ogenblik ten doel stelt. Het gaat erom wat het proletariaat is en wat het dienovereenkomstig historisch gedwongen zal zijn te doen.” Het proletariaat was de hefboom van het historisch program van de profeet, dat zich openbaarde door de befaamde productiekrachten. Stoom, elektriciteit en de automatische spinmachine zouden de arbeider de solidaire geest inblazen. Hij zou zijn opdracht - klassenstrijd, revolutie - herkennen en uitvoeren.

De werkelijkheid was weerbarstig. In het geïndustrialiseerde Lancashire stemden in 1868 goed opgeleide arbeiders met kiesrecht uit haat tegen de onderontwikkelde Ieren op de conservatieve Torypartij stemden, wat ze op een schriftelijke woede-uitbarsting van Marx kwam te staan; begrepen die pummels hun taak wel? Tegelijkertijd complimenteerde hij Silezische wevers die uit wanhoop en domheid machines kapot sloegen en kasboeken vernietigden omdat ze zich keerden tegen het bankierskapitaal, de ‘verborgen vijand’. Wat er ook gebeurde, Marx liet zich zijn voorbeeldige arbeidersklasse niet afnemen, zeker niet door de werkelijkheid zelf. Want het proletariaat was wat Marx ervan maakte: een ideaalconstructie.

De hele socialistische beweging sleepte die droom meer dan anderhalve eeuw met zich mee. Vaak ook tegen beter weten in, zoals in de vroegere SP, míjn SP. Daar kwamen exemplaren van de onderklasse die elders (bij een speeltuinvereniging of bij de concurrerende renegatenpartij de PvdA) de kas hadden geroofd, onze rijen sluiten. We heetten hun welkom alsof ze de Verlosser in overall waren. En het is precies die erfenis waar de partijen van het volk mee worstelen. Want hoe vooruitstrevend is de onderkant van de samenleving eigenlijk?

Fictie

Terug naar Hendrik de Man. “De geestelijke souvereiniteit van de massa was een fictie”, schreef hij. Dat vond ook de socialistische cultuurcriticus Jacques de Kadt. Een begrip als proletarische broederschap was ‘klef’ en ‘opgewonden’ en ‘slechts tussen héél, héél weinigen mogelijk’. Daar kwam nog bij dat het socialisme moest ophouden te dobberen tussen ‘het geborneerde verburgerlijkte en werkloze verpauperde deel van de arbeidersklasse’; het moest inzien dat ‘verkrijging, verdediging en vergroting van vrijheid, welvaart en beschaving’ (De Kadts definitie van het socialisme) een zaak van de hele gemeenschap was. Het moest zowel het proletariaat als de burgerij opvoeden tot gemeenschapszin en medemenselijkheid, oordeelde ook de christen-socialistische PvdA-voorman Willem Banning in zijn boekje ‘Marx … en verder’ dat in 1934 werd gepubliceerd om Marx’ vijftigste sterfdag luister bij te zetten.

Dat was nuchtere kritiek. Maar het eiste ook veel van Jan met de pet en Jan op het kantoor. De gedachte dat de massa zich haar irrationele en onbewuste motieven en verlangens zou laten ontnemen ter wille van zoiets hoogdravends als algemene menselijke beschavingsplicht was wel erg optimistisch. Het was evenzo een vorm van wensdenken, van veredeling en overschatting van de massa als Marx’ eendimensionale proletariaat. En net zo’n lastige erfenis voor het socialisme. Zowel klassiek links als SP en PvdA, als het eigentijdse GroenLinks worstelen ermee.

De zaak van Marx & co is vastgelopen, als klassenexercitie en als ethische onderneming. Het proletariaat was geen vooruitstrevende kracht, in heel de wereld niet en al helemaal niet in ons polderland. Evenmin bleek de man van de straat het morele ijkpunt waarop een gemeenschap gebouwd kon worden.

Verworvenheden

Liever behield hij zijn verworvenheden, eigen patio achter het rijtjeshuis, caravan, jaarlijkse vakantie, en van alles en nog wat op afbetaling. Zijn bezit trok hem eerder naar het politiek rechtse dan naar het linkse spectrum, zo leert sociaal-democratische verkiezingsnederlaag op verkiezingsnederlaag, zo leert de structurele stagnatie van de gewonemanpartij de SP, en zo leert het electorale succes van de grote zittende behouden middenpartijen met een eigen-ik-eerstprogram.

In het aanvoelen en verwoorden van de zorgen van de massa hebben niet de erfgenamen van Marx, maar de volksvrienden van een ander soort de beste papieren: Nederland is vol; de straffen voor het geboefte moeten veel hoger; het milieu telt, maar het bezit van het eigen autootje ook; we moeten trots zijn op ons land en onze geschiedenis; en onze cultuur wordt bedreigd door het geloof van extremistische baardmannen.

Het klinkt allemaal heel vanzelfsprekend uit behoudende, rechts-populistische mond; voor een socialist of sociaal-democraat bekken zulke teksten niet lekker. En als linkse politici een dergelijk geluid op geciviliseerde wijze laten horen, worden ze vanzelf gewantrouwd. Want zeiden ze in ‘die club’ een tijdje geleden niet heel andere, halfzachte dingen over buitenlanders, nieuwkomers en zo meer?

De massa, zeker de massa die het sinds de jaren zestig beter heeft dan Drees of zelfs Den Uyl had kunnen denken, vertrouwt De Kadts drieëenheid ‘verkrijging, verdediging en vergroting van vrijheid, welvaart en beschaving’ bijna automatisch toe aan anderen dan zijn historische socialistische belangenbehartigers. Dat is het drama van de beheerders van het erfgoed van Marx. Ze mogen dan pal staan voor de zorg, het loonzakje en arbeidszekerheid; de gewone burger heeft heel andere bekommernissen, die hij in goede handen meent te weten bij de partijen van de zelfbenoemde westerse cultuurhoeders in Nederland.

Tweehonderd jaar na de geboorte van Marx moet het socialisme zichzelf weer opnieuw uitvinden, in het moeilijk te bevatten besef dat de massa’s niet de werkelijke helden zijn. 

Historicus en journalist Jos Palm (1956) publiceerde vorig jaar ‘De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis’.

Lees ook: Zorg dat de gewone man er weer bij hoort

De gewone man is weer de halfmens die hij eeuwenlang was. Hoogste tijd zijn verloren eer te herstellen, schrijft Jos Palm

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden