Hoe tieners moordenaars worden

Een jongen die het vuur opent op zijn klas, op zijn leraren; zulk nieuws schokt ons diep. Opvallend veel romanciers, onder wie Wally Lamb, schreven een boek over zo'n school shooting. En tonen de diepgaande nasleep van zo'n drama.

’Warum?’ stond er op een plakkaat dat vorige week donderdag was neergelegd bij de school in Winnenden, waar die dag zestien mensen werden doodgeschoten. De dader was een zeventienjarige scholier; een stille, niet onaardige jongen, zeiden de mensen die hem hadden gekend. Hij was lid van verschillende tafeltennisverenigingen, en niet iemand die in het middelpunt van de belangstelling wilde staan.

Waarom pleegt zo iemand zo’n gruwelijke moord? En waarom deden andere jonge mensen in zoveel andere steden hetzelfde? De oorzaken die wetenschappers de afgelopen dagen noemden, klinken niet bijster origineel: de invloed van het internet en gewelddadige computerspelletjes, de agressiviteit en depressiviteit van jonge jongens, het gevolg van problemen thuis – we kunnen het allemaal zelf bedenken.

Zou de literatuur betere en originelere antwoorden kunnen geven? Krijg je, door in de hoofden van fictieve daders en slachtoffers te kruipen, beter inzicht in het ’waarom’ van de afgrijselijke daden van de echte moordenaars?

Het is in elk geval vaak geprobeerd. De Noord-Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver vertelt in de bloedstollende roman ’We moeten het even over Kevin hebben’ vanuit het perspectief van een moeder het verhaal van een zestienjarige jongen die niet alleen zijn klasgenoten, maar ook zijn vader en zijn zusje ombrengt. De moeder moet vaststellen dat haar zoon vanaf zijn geboorte een akelig, ongevoelig kind is geweest, altijd in de weer om anderen pijn te doen.

’Negentien minuten’, een roman van Shrivers landgenote Jodi Picoult, gaat over een negentienjarige schooljongen die in negentien minuten negen scholieren en een leraar doodschiet. Dit verhaal concentreert zich vooral op de spanningen tussen verschillende groepen: tussen de dader en de jongens die hem jaren hebben gepest, tussen ouders en kinderen, en tussen leerlingen en leraren. In ’Speeldrift’ van de Duitse Juli Zeh ontbreekt het de twee scholieren die hun medeleerlingen en een leraar terroriseren simpelweg aan normen en waarden.

Toch geven deze romans geen nieuwe antwoorden op de vraag waarom schijnbaar gewone kinderen schijnbaar onverwacht aan het moorden slaan. Ook Shriver, Picoult en Zeh zoeken de oorzaak direct of indirect in psychosociale stoornissen, het vermeende morele verval van de maatschappij en verstoorde relaties. Niet iets waarmee we echt verder komen; niets wat de schok van ’school shootings’ dempt.

Aan de andere kant mogen verhalen als die van Shriver, Picoult en Zeh niet als kant en klare antwoorden worden beschouwd. Geweld op school is voor hen eerder een inspiratie, als je dat zo mag zeggen, dan een poging een fenomeen als massamoord door en op scholieren te begrijpen en te verklaren.

De nieuwste roman waarin een school shooting centraal staat is echter nadrukkelijk wél geschreven om die reden. In ’Vlinderslag’ doet de Noord-Amerikaanse schrijver Wally Lamb niet eens zijn best een massamoord te verzinnen, maar gebruikt hij het bloedbad dat twee jongens in 1999 op de Columbine High School in Littleton aanrichtten als uitgangspunt.

In zijn nawoord legt hij uit waarom. In de eerste plaats, schrijft hij, erken je door de slachtoffers van het drama bij naam te noemen ’zowel hun lijden als hun moedige stappen voorbij die verschrikkelijke dag, op weg naar betekenisvolle levens’. In de tweede plaats is ’Vlinderslag’ voor een groot deel zelfonderzoek. Lamb, van wie twee eerdere romans voor Oprah Winfrey’s boekenclub werden uitgekozen, was vijfentwintig jaar lang leraar op een middelbare school, en vroeg zich af hoe hij gereageerd zou hebben als hij op Columbine had gewerkt. Zou hij even dapper zijn geweest als Dave Sanders, de leraar die doodgeschoten werd terwijl hij leerlingen in veiligheid bracht? Zou hij de kracht hebben gehad om naar alle herdenkingsbijeenkomsten te gaan?

Maar Lamb schreef de roman ook om erachter te komen waarom de twee jonge jongens uit Littleton hun verschrikkelijke daad pleegden. „De diepte en reikwijdte van de woede van Harris en Klebold, en de verwrongen logica waarmee ze zich ervan overtuigden dat hun slachting van onschuldigen gerechtvaardigd was, beangstigden en verwarden me. [] Waren deze middelbare scholieren alleen maar ziek, of waren ze slecht?”

Het beantwoorden van die vraag neemt meer dan zeshonderd bladzijden in beslag. Lamb stuurt Caelum Quirk, een fictieve leraar aan de niet-fictieve Columbine highschool, op zoektocht uit.

Quirk lijkt daartoe in eerste instantie niet de meest aangewezen persoon. Zijn vader, als alcoholist teruggekeerd uit de oorlog in Korea, pleegde zelfmoord toen Caelum een tiener was. Zijn moeder is jong gestorven, hijzelf is twee keer gescheiden. Zijn derde huwelijk was bijna gestrand nadat hij de minnaar van zijn vrouw Maureen had aangevallen. Net als de relatie tussen Caelum en Maureen weer wat is hersteld, schieten Eric Harris en Dylan Klebold hun geweren leeg op hun medeleerlingen en leraren. Caelum bevindt zich op dat moment honderden kilometers verderop, in een plaatsje aan de oostkust van de Verenigde Staten. Daar bezoekt hij zijn stervende tante, op wier boerderij hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Zodra hij hoort wat er op Columbine is gebeurd, spoedt hij zich naar Littleton en gaat op zoek naar Maureen, die als verpleegster op Columbine werkt. Gelukkig heeft ze zich tijdens de schietpartij in een bureau kunnen wurmen en is ze zo aan de aandacht van Harris en Klebold ontsnapt.

Maar daarmee is voor Caelum en Maureen het drama niet voorbij. Integendeel. Het lukt Maureen niet haar traumatische ervaring te verwerken. Ze raakt verslaafd aan kalmeringsmiddelen, en rijdt onder invloed een jonge, veelbelovende scholier dood. Ze wordt veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

Caelum maakt intussen een ware odyssee door. Hij neemt ontslag en verhuist met Maureen naar de boerderij van zijn voorouders. Om Maureens hoge doktersrekeningen te kunnen betalen neemt hij verschillende banen aan, en verhuurt, wanneer Maureen de gevangenis in moet, een verdieping van de boerderij aan twee slachtoffers van de watersnoodramp in New Orleans, een echtpaar waarvan de vrouw genderstudies heeft gestudeerd. Zij stort zich op het archief van Caelums overgrootmoeder, die de vrouwengevangenis naast de boerderij – daar waar Maureen vastzit – heeft gesticht, en ontdekt dat die niet alleen beroemde mensen als Mark Twain heeft gekend, maar een van de belangrijkste sociale hervormers van de Verenigde Staten is geweest.

Van het een komt het ander, en zo ontdekt Caelum ook nog eens dat zijn moeder zijn moeder niet was, dat hij verwekt is door een neurotische rokkenjager en dat de broer van zijn betovergrootmoeder het buitenechtelijke kind van Caelums betovergrootvader heeft verkracht.

En dat is nog maar een tiende van alles wat Caelum ontdekt en overkomt.

Gelukkig vindt hij aan het slot van het verhaal rust en berusting. Hij vergelijkt zichzelf met de helden uit de Griekse mythologie, die aan het einde van hun beproevingen moeten vaststellen dat het leven irrationeel is en complex, maar niet zonder hoop. Of, zoals een van Caelums leerlingen het uitdrukt: „Het leven is smerig, gewelddadig, verwarrend en hoopvol.”

Hoe interessant zijn vergelijkingen met Griekse mythes ook zijn, de conclusies die Lamb trekt, leggen zowel de zwakke als de sterkte kanten van zijn roman bloot. ’Vlinderslag’ kun je lezen als Lambs eigen zoektocht door de sociale en politieke geschiedenis van de Verenigde Staten, waarin progressieve, liberale ideeën over zaken als strafmaatregelen, opvoeding en emancipatie de afgelopen decennia werden vervangen door conservatieve en onderdrukkende maatregelen. Die hebben, stelt hij vast, net als de oorlogen tegen het vermeende ’kwaad’, zoals de oorlogen in Korea en Irak, tot een massieve ontwrichting van de maatschappij geleid.

Dat is een overtuigende gedachte, vooral als Lamb daarbij naar een uitspraak van James Baldwin verwijst: „Mensen die andere mensen als minder dan menselijk behandelen, moeten niet verbaasd zijn als het brood dat zij hebben uitgeworpen over het water vergiftigd bij hen terugkomt.” Helaas geeft Lamb zijn genuanceerde visie prijs als hij Baldwins woorden terugbrengt tot de uitspraak dat ’liefde sterker is dan haat’. Zo kennen we er wel meer, nietwaar.

Dat laatste geldt ook voor de verrassende draai die Lamb geeft aan de vraag waarom rampen als ’Columbine’ gebeuren. Aan het einde van zijn queeste laat hij Caelum beseffen dat het helemaal niet gaat om de vraag naar het ’waarom’, maar om de vraag naar het ’hoe’: hoe tieners zich tot moordenaars kunnen ontpoppen en hoe hun slachtoffers op hun beurt weer nieuwe slachtoffers maken. Ook dat is een mooie gedachte, maar helaas draait Lamb ook die de nek om door hem te verbinden met het uitgekauwde idee dat een vlinderslag een orkaan kan veroorzaken.

Het had allemaal iets minder mogen zijn, in ’Vlinderslag’. Iets minder bladzijden, iets minder verwikkelingen, iets minder Oprah Winfrey. Dat laatste neemt niet weg dat Lambs hartstochtelijke poging menselijke wandaden onder ogen te zien je allesbehalve koud laat. Vooral wanneer fictie en non-fictie elkaar kruisen – niet alleen in deze roman, maar ook in de werkelijkheid, die dit keer niet Columbine, maar Winnenden heet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden