HOE SCHEPPEN WIJ BANEN IN EEN VRIJ LAND

'U kiest voor de kilte van een uitkering boven de warmte van een baan', verweet Bolkestein de PvdA. Twee weken geleden reageerde Jos de Beus, mede-auteur van het ontwerpverkiezingsprogramma van de PvdA, in Trouw: 'Bij een fatsoenlijk kapitalisme hoort een beetje werkloosheid'. Vorige week antwoordden onder anderen Rinnooy Kan, en Bolkestein: 'De Beus is conservatief, destructief en harteloos. De VVD is de lobby voor werklozen'. Vandaag het klare antwoord van Jos de Beus in het debat over de werkloosheid en de kwaliteit van de arbeid, de insiders en outsiders. Dr. J. de Beus is bijzonder hoogleraar politieke filosofie Universiteit Twente, docent economie Universiteit van Amsterdam en medeauteur van het ontwerp-verkiezingsprogramma van de PvdA.

Bolkestein zal zeggen dat ik niet moet zeuren. Dit is een boze tijd waarin werklozen, werkgevers en beleidsmakers hun aspiraties rondom de kwaliteit van de arbeid neerwaarts moeten bijstellen. De kwantiteit, de groei van het aantal banen, moet nu voorop staan!

Ik ben het hiermee oneens. Zeker, we moeten het aantal banen maximaliseren. De PvdA heeft als enige grote partij een streefcijfer genoemd: 400.000 banen in de volgende kabinetsperiode. Daarmee wordt uitgedrukt dat de symbolische betekenis van bestrijding van werkloosheid tenminste zo groot is als die van andere doelstellingen die we van streefcijfers voorzien. Maar het scheppen van banen moet wel aan een kwaliteitsnorm worden gebonden. We moeten hier geen vrije-markteconomie willen met - de kreet is van romanschrijver John Le Carre - 'vrijheid voor sommigen en de tucht van de markt voor de rest'. Een baan moet bijdragen tot nuttige maatschappelijke produktie, tot het zelfrespect waarop elke burger recht heeft en tot zelfontplooiing van de betrokkene. Ik zeg er aan het adres van de vakbeweging meteen bij dat je per definitie minder banen kunt scheppen als je strijdt voor kwaliteit van arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen dan als je de eis van goede banen laat vallen.

In een verkiezingsjaar is er altijd het risico dat ronkende retoriek echte overeenstemming en echt meningsverschil aan het oog onttrekt. Het echte probleem is voor iedereen duidelijk. Er zijn in Nederland 2 tot 2,5 miljoen personen op werkzame leeftijd die een uitkering ontvangen in plaats van zelfstandig inkomen te verwerven via werk. Ook als alle fraude hier metterdaad is uitgehaald, blijft het 'volume' uitkeringsgerechtigden zeer omvangrijk. Geschat wordt dat volgend jaar het aantal werkloosheidsuitkeringen oploopt tot 715.000, een triest record. Daarbovenop komt dan de huidige recessie, met een dalende werkgelegenheid en een stijgende werkloosheid. Die recessie is minder ernstig dan de terugval in de jaren 1981-1982, maar gevoegd bij het Nederlandse fenomeen van geringe arbeidsdeelname, is de toestand al spook achtig genoeg.

Over de aanpak van het probleem bestaat eveneens een zekere consensus. In de eerste plaats moet de overheid actief optreden en daarbij verkalkte sociaaleconomische instituties durven afbreken.

We zijn het dus oneens met de optimistische econoom Milton Friedman, die suggereert dat je de explosieve groei van goedkoop en mobiel arbeidsaanbod op wereldschaal als gegeven moet aanvaarden. De tweedeling tussen een kleiner wordende groep met goede banen en een groter wordende groep mensen met marginale banen ('op de wip') en onzekere uitkeringen moet worden afgewend. Friedman kan wel roepen dat dit een noodzakelijke eerste fase is in de postindustriele revolutie, maar zulke revoluties duren soms een generatie lang. Mensen met achterstand en pech kunnen niet zo lang wachten.

In de tweede plaats moeten we de wetten van de economische vrijheid gehoorzamen en inspelen op de lopende omwenteling van economische structuren. Dus geen ontmoediging van de inhaalmanoeuvre van vrouwen, geen ontslagverbod voor Shell, geen beperking aan multinationale bedrijven die vestigingen naar lagelonenlanden verplaatsen (KLM) en, vooral, geen protectionisme. Tegen het harde metaal uit Oost-Europa is het moeilijk concurreren en bovendien krijgen we voor vrijhandel en spontane arbeidsverdeling tussen landen op den duur iets terug, namelijk afzetgebieden.

In de derde plaats moeten we op twee benen blijven lopen, zoals de Sociale Nota 1994 van minister Bert de Vries kalm uitlegt.

Het ene spoor is de kennisintensieve produktie in de sectoren met toekomst: micro-electronica, telecommunicatie, milieutechnologie e.d. Maar iedereen naar de universiteit jagen is een kostbaar en onzinnig streven, zeker in een tijd waarin aan de onderkant van het sociale bouwwerk 7 werkzoekenden moeten azen op 1 vacature.

Het andere spoor is dus de groei van laagproduktieve werkgelegenheid, met name in binnenlandse sectoren als handel en persoonlijke dienstverlening (horeca, reparatie, schoonmaak). Er zijn gewoon te weinig banen op of vlak boven het minimumloon.

In de laatste plaats moeten we niet zozeer onaardig zijn tegen de industrie of de landbouw (tenzij de leefbaarheid in het geding is, of machtsconcentratie) alswel vriendelijk voor de dienstverlening. Uit het onderzoek 'Werken in Nederland' (1991) van R. Kloosterman en T. Elfring rijst een helder beeld op. Nederland is al een dienstverleningseconomie, zoals de Verenigde Staten dat zijn. De bijdrage aan de werkgelegenheid komt vooral van de distributieve diensten (handel, transport, communicatie) en de kwartaire diensten (overheid, gezondheidszorg, onderwijs). De dienstverlening onderscheidt zich van de industrie door de stijging van laag betaalde banen, de daling van hoog betaalde banen en de constantheid van middelmatig betaalde banen. De dienstverlening is verantwoordelijk voor de forse groei van laag betaalde banen in de jaren 1979-1988, onder meer omdat de overheid niet meer de genereuze werkgever is van weleer.

Kloosterman merkt op dat we weinig weten over de doorstroming van 'secundaire' banen naar 'primaire' banen, met hoge lonen, gunstige arbeidsomstandigheden en promotiekansen. Hij houdt het erop dat schoonmakers, bewakers en kinder- en bejaardenverzorgers de nieuwe helden zijn. Nederland kent nog altijd geen hamburger-economie waarin drollenvangers, liftboys, sandwichmannen en schoenenpoetsers massaal hun rentree maken.

En hier zit de politieke kern van het debat. Er is een wijd verbreid gevoelen dat we er niet komen met kleine acties als jeugdwerkgarantieplannen, banenpools, arbeidsbureaus nieuwe-stijl, langere bedrijfstijden, verhoging van het arbeidskostenforfait en verschraling van de referte-eis in de WW (d.i. de periode die voorafgaand aan werkloosheid is gewerkt en die bepalend is voor de duur van de uitkering).

Volgens de terrein winnende school der laissez-faire liberalen is het tijd voor een grootschalige, ruige actie (het woord banenplan is uiteraard taboe in deze kring). Er zijn, natuurlijk, allerlei subtiele verschillen van inzicht tussen de leden van deze school. Zo wil Rinnooy Kan (VNO, D66) een laag minimumloon met toeslagen tot het sociale minimum, terwijl Bolkestein (VVD) afschaffing van het wettelijk minimumloon bepleit. Zij denken ook verschillend over juridische beschermingsconstructies van bedrijven en de plaats van de aandeelhouder. Maar de hoofdlijnen van het laissez-faire liberalisme beginnen zich steeds scherper af te tekenen, vooral in de verkiezingsprogramma's van VVD en CDA:

- schaf het minimumloon af of (als dit van de Internationale Arbeidsorganisatie niet mag) bevries het;

- verlaag de uitkeringen over de hele linie, met uitzondering van de AOW;

- verruim het begrip passende arbeid voor werklozen aanzienlijk;

- verminder de ontslagbescherming, om te beginnen met de afschaffing van de preventieve toetsing;

- continueer de deregulering, decentralisatie en flexibilisering van de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen met kracht;

- bevorder de ongelijkheid in de personele inkomens- en vermogensverdeling (want dat is economisch doelmatig en ook functioneel voor de groei van nieuwe functies);

- juich toe dat Nederland een vechteconomie wordt, met veel harde concurrentie (zoals verdringing van lager geschoolden door hoger geschoolden) en werkdruk maar ook met veel ondernemerschap en dynamiek.

De laissez-faire liberalen vinden zichzelf duidelijk, en ook duidelijk progressief, werknemersvriendelijk en hervormingsgezind. Maar bij mij roept dit liberalisme toch vele vragen op. Ik vraag mij zelfs af of ruigheid in het welbegrepen eigenbelang is van al onze ondernemers en managers.

- Ten eerste wordt de illusie gewekt dat volledige werkgelegenheid binnen handbereik ligt. Dat is curieus als men bedenkt dat Nederland met chronische en verborgen werkloosheid kampt in weerwil van decennia lange kamerbrede steun voor volumebeleid en een bloei van de dienstverlening. Dat wordt onrealistisch als men weet dat de topeconomen van de OESO zich het hoofd breken over algemene verschijnselen als baanloze groei, een duale arbeidsmarkt, falende industriepolitiek en gebrekkige afstemming en beheersbaarheid in het internationale stimuleringsbeleid.

- Ten tweede is men lang over het arbeidsaanbod maar kort over de arbeidsvraag. Men weidt gretig uit over de kenmerken van inactieven. In de genoemde nota van De Vries heet het dat ze te dom, te lui, te verwend en te berekenend zijn. Maar men zwijgt over de onderbesteding (overschot op de betalingsbalans, onderbezetting van de produktiecapaciteit), de lage inflatie, de harde-muntpolitiek en wat dies meer zij. En als men eens buiten de schuldvraag richting individuele werkloze treedt, wordt een idyllisch beeld geschetst van de mogelijkheid van lastenverlichting via verdergaande bezuinigingen (op de hypotheekaftrek voor huiseigenaren na), wordt gezwegen over de bestrijding van discriminatie door werkgevers en wordt het dilemma van loonmatiging weggepoetst: loonmatiging is een ongericht antwoord op het banentekort aan de onderkant en vertraagt de zo noodzakelijk geachte technische vernieuwing.

- Ten derde wordt het Amerikaanse model als liberaal paradijs voorgesteld. Maar het zijn juist de Amerikanen zelf (met Clinton, Reich en de oude Galbraith voorop) die zich afvragen of de gerichtheid op wegwerpbanen, korte-termijnwinsten en overwicht voor werkgevers wel zo gunstig is geweest voor de levensstandaard van de middenklasse, het gezinsleven, de grote steden, de arbeidsrust en de balans tussen publieke goederen (infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs) en private consumptiegoederen.

- Mijn grootste bezwaar is dat wordt gedaan alsof de meeste Nederlanders de kwaliteit van arbeid en het recht op sociale zekerheid willen prijsgeven. Waar ligt de grens op punten als beloning, zeggenschap, veiligheid en doorstroming? Waar ligt de grens bij de disciplinering van uitkeringsgerechtigden? De VVD rekent de bescherming van de meest kwetsbaren niet langer tot de kerntaken van de overheid. Maar stel dat de laissez-faire liberalen bij nader inzien toch aangeven waar de wetgever ondergrenzen moet trekken. Welke garantie is er dan dat een op drift geraakte vechteconomie niet door deze wettelijke grenzen heenschiet?

- Gelukkig is er nog steeds een alternatief voor laissez-faire. Dat is het sociale liberalisme, dat in de VVD door Nijpels wordt vertegenwoordigd. Sociaal-liberalen pleiten voor verlaging van de laagste CAO-schalen met tenminste 10 procent (desnoods door bepaalde CAO's onverbindend te verklaren), voor deeltijdarbeid (goed voor 100.000 extra banen), voor gerichte en ecologische lastenverlichting ten behoeve van de laagst betaalde arbeid, voor ruimte voor het kleinbedrijf, voor uitbreiding van het Jeugdwerkgarantieplan, voor tweede-kansonderwijs, voor sociale vernieuwing in de steden, voor een evenwichtig inkomensbeleid (met inbegrip van de belastinghervorming), voor een soberdere en selectievere uitvoering van de werknemersverzekeringen en voor experimenten met winstdeling, negatieve inkomstenbelasting of een partieel basisinkomen.

- Het verschil tussen laissez-faire en sociaal zit hem niet in de econometrische doorrekening van de effecten van een bepaalde verlaging van het minimumloon. Het verschil zit dieper. Laissez-faire liberalen willen vrij baan geven aan de onderscheidingsdrang. Goudkustbewoners mogen vuil werk overlaten aan de gewone man, en de gewone Nederlanders mogen het weer overlaten aan de buitenlanders. 'Ons soort mensen' komt in de beste aller werelden als zowel de Hollander als de Pool aan de deur belt om het gras te mogen maaien. Sociaal-liberalen redeneren anders. Als we ons met zijn allen te goed voelen voor bepaald werk, dan moet dat werk worden uitgedreven door machines (robots), dan moet het juist hoger worden beloond (compensatie van ongemakken in de vuilnisophaal), dan moet het een springplank worden naar volwaardiger werk (tijdelijkheid, mobiliteit), of dan moet het worden gespreid over de hele bevolking (maatschappelijke dienstplicht).

- Ik beweer niet dat sociale liberalen minder streng zijn dan laissez-faire liberalen als het op bestrijding van fraude en klaploperij aankomt. En het sociaal-liberalisme heeft de wijsheid niet in pacht. Zo is er gerede twijfel over de vraag of taakafsplitsing, het scheppen van eenvoudige functies, marktconform is. Ik beweer wel dat sociale liberalen realistischer zijn. Ze houden rekening met mislukking en vertraging in het werkgelegenheidsbeleid na 3 mei.

- Stel dat de overheid alles uit de kast heeft gehaald, dat vele uitkeringsgerechtigden uit hun isolement zijn gehaald, dat de misstanden in ons zorgbestel zijn weggenomen en dat de illegale sector onder controle is. Mochten er dan onverhoopt toch nog vele mensen buiten hun schuld werkloos zijn, dan is er geen reden om de Japanse weg (verborgen werkloosheid in de bedrijven) of de Amerikaanse weg (wegwerpbanen) af te lopen. In zo'n situatie is de koude solidariteit van een uitkering het warmste wapen tegen verpaupering en hevige conflicten tussen insiders en outsiders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden