Hoe Roos (9) met haar twee zusjes de Hongerwinter overleefde

Roos Derks-Bazuijnen, 86-jaar oud, komt uit een communistisch verzetsgezin en overleefde in de oorlog drie jaar lang met haar twee jongere zusjes in Rotterdam. Beeld Sjaak Verboom

De zusjes Roos, Magda en Clara Bazuijnen waren 9, 8 en 5 jaar oud toen ze in de herfst van 1942 alleen achterbleven in hun woonhuis in Rotterdam. Hun beide ouders waren door de Duitsers opgepakt. Drie jaar lang overleefden deze kinderen samen de oorlog. Maandag verschijnt het verhaal van Roos in boekvorm.

“Ik ben er nog. En ik kan nog over die Tweede Wereldoorlog vertellen, al zitten er natuurlijk ook gaten in mijn herinneringen”, zegt Roos Derks-Bazuijnen met heldere stem. “Ik was 7 jaar, toen de oorlog begon.” Ze kijkt door het raam naar de grazende schapen in het omringende weiland rond haar hoekkamer in een Fries zorgcentrum. Ze is 86 jaar oud. Als oudste kind sleepte zij haar twee jongere zusjes Magda en Clara door de Hongerwinter van 1944. Ternauwernood, want ze waren bijna omgekomen in de sneeuw tijdens een zoektocht naar eten buiten Rotterdam.

Magda en Clara zijn inmiddels gestorven. Roos verloor acht jaar geleden ook haar man, psycholoog en criminoloog Willem Derks, met wie ze 54 jaar gelukkig samenleefde. “Het leven is niet altijd leuk, meisje, maar je moet verder”, zegt ze nuchter. Op de koffietafel stapels boeken, Roos leest graag, ze volgt colleges filosofie, is geïnteresseerd in kunst. Ze lacht hartelijk op de vraag hoe ze het zo goed alleen redt. “Het is mijn karakter: ik kan blijkbaar overal tegen.”

Ze woont tijdelijk in het zorgcentrum in Oudemirdum vanwege een operatie aan haar been. Binnenkort verhuist ze naar een eigen appartement in het nabijgelegen Balk.

De journalisten Bert van Slooten en Elly van der Klauw hoorden over haar bijzondere oorlogsverhaal. Ze zochten Derks op, wisten haar vertrouwen te winnen en interviewden haar de afgelopen maanden herhaaldelijk. Waar mogelijk checkten zij feiten en vulden haar verhaal aan. Maandag verschijnt ‘Zo, ben jij er ook nog? Kind in de Tweede Wereldoorlog’. 

De zussen Roos en Magda Bazuijnen op een schoolfoto uit het begin van de oorlog.

Als mensen u vragen naar uw oorlogstijd, wat is dan het eerste dat u vertelt?

“Ik begin altijd met: mijn ouders waren communisten.”

En dat betekende?

“Dat we anders waren. Dat merkte je als kind. Sinterklaas? Dan zei mijn moeder al toen ik piepklein was: Sinterklaas bestaat niet. We waren een arbeidersgezin in een volkswijk in Rotterdam. Mijn vader Hendrik Bazuijnen was fanatiek in zijn strijd voor een beter leven voor de arbeiders. Hij debatteerde heftig met mijn moeder, dat weet ik nog, zij was ook fanatiek communiste. Mijn moeder, Cor van der Heijden, kwam uit een christelijk gereformeerd gezin uit Oud-Beijerland. Ik was een vaderskind, want ik was slim en dat vond hij leuk. Ik heb later wel eens gedacht dat mijn moeder geërgerd was omdat hij te veel aandacht aan mij gaf, maar in elk geval kon ik het niet met haar vinden, nooit. Ik herinner me ook niet dat ik bij haar op schoot zat, al moet dat weleens zijn gebeurd.”

Tijdens de oorlog regelde uw vader het drukken en de distributie van De Waarheid. Gevaarlijk verzetswerk. Hij werd thuis opgepakt eind juni 1941, daar heeft u niets van gemerkt?

“Nee, ongelooflijk toch? Op een ochtend vertelde mijn moeder rustig: jullie vader is vannacht opgehaald door de moffen. Ze lieten ons gewoon doorslapen toen de Duitsers kwamen. Geen afscheid, niks. Wij kinderen namen het voor kennisgeving aan. Wij praatten niet met elkaar over emoties, we wisselden mededelingen uit. Zo was het nu eenmaal, daar moest je maar mee leven, zo dacht mijn moeder, en zo dachten wij dus ook. Je kunt het je nu niet meer voorstellen. We hebben hem nooit meer gezien. Later hoorden we dat hij was vermoord in een concentratiekamp.”

Uw vader was de centrale figuur voor het gezin en uw moeder nam die rol direct over?

“Ze bleef nuchter, zorgde voor ons, tranen waren er niet. Maar ík had ook geen zin om erover te praten, ik was een klein kind. Ik dook thuis in mijn boeken en genoot van school. Ik was echt dol op mijn meester. Ik voelde me veilig in zijn klas.”

Hoe herinnert u zich het oppakken van uw moeder eind oktober 1942?

“Dat was me een toestand. We lagen te slapen, toen werd er op de deur gebonsd, hard: aufmachen, aufmachen. Mijn moeder had een nieuwe vriend uit het verzet, die sliep bij haar. Ze probeerde hem snel via het balkon weg te smokkelen, maar uiteindelijk kwamen de Duitsers met hem door de voordeur weer naar binnen. Hij zei later tegen haar, dat hij zich expres liet pakken, zodat ze haar zouden laten gaan. Maar ze namen haar dus ook mee. Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder nog iets tegen ons zei. Dus toen hebben we van haar ook geen afscheid genomen. We zijn weer gaan slapen en de volgende dag zijn we maar weer naar school gegaan.”

Op school wisten ze wel dat jullie nu alleen woonden?

“Ja, ik merkte dat. Ik moest mijn jongste zusje van de bewaarschool halen en dus altijd op tijd weg. De meester hielp me, dan zei hij: Roosje, ga maar vast, het is tijd. De school bleef voor mij in de oorlog een toevluchtsoord. Ik vond het verschrikkelijk als het vakantie was.”

U bleef met uw zusters drie jaar lang alleen in het huis wonen, zonder zorg, hoe deed u dat?

“Ja, nou, we werden in eerste instantie door de bovenburen opgevangen. De buurvrouw kookte, maar we waren bang voor de buurman, een driftkop. Hij was heel naar tegen zijn vrouw. We zaten als muisjes aan tafel en gingen zo snel mogelijk weer terug naar ons eigen huis. Vanaf het begin sliepen we met zijn drieën in één bed. Warm, ja, maar ook als een soort veiligheid. Want ’s nachts werd de haven vaak gebombardeerd, dichtbij. We zeiden: als je de bommen hoort fluiten, vallen ze niet op je. Onze houding verder was: vooral niet opvallen. Want waar zouden we anders heengaan? Hier kenden we alles.”

Hendrik Bazuijnen, de vader van Roos, begin jaren dertig. Hij zat in de oorlog bij het communistisch verzet werd in 1941 opgepakt door de Duitsers. Beeld rv

De bovenbuurvrouw verliet haar man, de buurman trok zich niets van jullie aan, hoe kwamen jullie vervolgens bijvoorbeeld aan eten?

“Ik ging naar de winkel waar mijn moeder ook boodschappen deed, de kruideniersvrouw hielp ons. Ze was ook van de gestaalde kaders, weet je wel. We hadden bonkaarten, want alles was op rantsoen. Die vrouw van die winkel zei: er staan een heleboel dingetjes op die bonnen die jullie niet gebruiken, zoals tabak. Geef die kaarten maar aan mij, dan verkoop ik ze door en geef jullie wat extra’s mee, zo ging dat.”

Toen kwam de hongerwinter, die van 1944/45. Winkels gingen dicht, wat deden jullie?

“Het ergste voor mij was dat de school dichtging in die herfst van 1944. Het ritme van naar school gaan was het doel in ons leven. Maar er was geen brandstof meer, de klassen waren te klein, ach, het leven was zo ontwricht. Je zag mensen op straat in elkaar zakken. De bomen in de straat waren allemaal opgestookt. Onze dag bestond uit: slapen, naar de gaarkeuken, weer slapen. Praten deden we nauwelijks.”

Jullie lagen aldoor in bed?

“Exact. Ik denk dat we echt sliepen. Anders zouden die dagen toch eindeloos hebben geduurd, maar dat herinner ik me niet. Misschien is dat normaal, als je niet genoeg te eten hebt. Je spaart je krachten, een soort winterslaap. We hadden ook van die dikke buikjes van de honger, zoals je op beelden van hongersnoden in arme landen ziet.”

Uw jongste zusje was erg ziek, vertelt u in het boek, wat betekende dit voor U?

“Ziek is het woord niet helemaal. Ze was erg lusteloos, ze was er het ergst aan toe van ons drieën. Toen gingen we op die hongertocht. Dat liep uit op een totale mislukking.”

Mensen op hongertocht in de winter van 1944-1945.

Wat gebeurde er?

“Als je in de rij stond bij de gaarkeuken hoorde je mensen praten: dit en dit gehaald bij de boer. Maar wat ze vergaten te vertellen is dat ze hun sieraden meenamen om te ruilen. Wij hadden niks. Maar we gingen op een dag ook op pad, richting IJsselmonde, dat kenden we wel, langs het Feyenoordstadion. Als we dan een boerderij zagen, vroegen we eten. We kregen die dag helemaal niks. We zijn ergens in de sneeuw gaan liggen in de avond, uitgeput. En ik vergeet nooit meer het zalige gevoel dat ik had toen daar ik in slaap viel. Dat gevoel van loslaten en welbehagen.”

U lag op sterven?

“Tot drie mannen ons oppakten. Ik weet nog dat de man die mij droeg ontzettend aan het vloeken was. Hij liep naar een boerderij waar we al waren geweest. Die laten ons er niet in, zei ik. Nu wel, zei hij. We kregen toen inderdaad wel warme melk en sliepen onder het vloerkleed in de huiskamer, dat gaf een beetje warmte. De volgende morgen moesten we weer weg. We zijn naar huis gelopen.”

Uiteindelijk besloot u naar een zus van uw moeder te gaan?

“Dat was een tijdje later. We waren totaal vervuild, onder de luizen en de wonden. Bij de gaarkeuken zag ik de mensen naar ons wijzen. Wassen of warm water was er niet bij. Clara, mijn jongste zusje, werd nu echt apathisch, er zat geen leven meer in. Er moest wat gebeuren, dus toen dachten we aan tante Bets.”

Hoe kan het dat de familie van uw moeder niet al eerder met jullie contact zocht?

“Zij wisten wel dat onze ouders weg waren, maar ze dachten dat die buren voor ons zorgden. En wij waren communistenkinderen: wij zorgden voor onszelf. Maar nu zag ik geen andere weg meer. We zochten voor de oorlog tante Bets met mijn moeder op met de stoomtram, die reed niet meer, maar we volgden het spoor en zo vonden we haar huis. Tante Bets had zelf een traditioneel christelijk gezin met vijf kinderen. Ik was bang, dat zij ons er niet bij kon hebben. Maar dat mens was een engel. Ze ving ons op, waste ons. Mijn zusjes bleven uiteindelijk bij haar en ik ging naar mijn opa, daar hoorde ik uiteindelijk over de bevrijding. En opa had bonen uit eigen tuin.”

De titel van uw boek slaat op de eerste opmerking die uw moeder maakte, toen zij u terugzag na de bevrijding. U vloog elkaar niet in de armen?

“Ze kwam pas in juli, op een ochtend zat ze opeens aan de keukentafel van mijn opa. De weg terug uit Mauthausen was niet zo snel gegaan, ze heeft in verschillende kampen gezeten, beschadigd was ze ook, natuurlijk. Ik dacht, is dat mijn moeder, dat scharminkel? Ik geloof niet dat we elkaar hebben omhelsd. En zij zei: Zo, ben jij er ook nog? Zo van: ik ben er nog en hey, jij ook. Ze vroeg of de andere kinderen nog leefden, ik knikte. Na de koffie gingen we naar tante Bets, waar de anderen waren. In mijn herinnering stormden zij wel op mijn moeder af. Dat weerzien was roerender.”

Uw ouders waren heel actief in het communistisch verzet. U en uw twee jongere zusjes leefden drie jaar alleen, zonder volwassenen in bittere armoede. Hoe kijkt u nu terug op hun keuzes?

“Ze waren ontzettend dapper. Ik dacht als jonge vrouw wel eens angstig: als het nog eens oorlog wordt, ben ik vast niet zo moedig. Kijk, achteraf denk je: voor ons kinderen was het erg zo onverzorgd achter te blijven. Maar als kind zag ik dat niet zo. Je leefde door. En na de oorlog heb ik dit allemaal achter me gelaten.”

Uw moeder is eind jaren zeventig overleden, hoe was uw verhouding met haar sinds de oorlog?

“Ik heb nooit het contact verbroken, maar het boterde niet tussen ons. We konden niet met elkaar overweg.”

Heeft dit oorlogsverleden uw verdere leven beïnvloed?

“Niet echt. Ik ben jong heel zelfstandig geworden. Ik durf niet snel op anderen te vertrouwen, ben gewend alles voor mezelf te regelen. Ik ben na de middelbare school eerst verpleegster geworden, heb in het onderwijs gewerkt en later rechten gestudeerd en bij de Bijlmerbajes gewerkt. Willem en ik hebben geen kinderen gekregen, dat vonden we jammer. Maar ik heb een mooi leven gehad met hem en nu denk ik: ik ga nog maar even door met leven, ja, want anders is het toch ook zonde? Ik ben er tenslotte nog.”

‘Zo, ben jij er ook nog? Kind in de Tweede Wereldoorlog’, Bert van Slooten en Elly van der Klauw. Uitgever Noordhoek 2019, 201 blz., 22,50 euro.

Lees ook: 

Hongerwinter trok sporen in het DNA van baby’s

Hongerwinterkinderen zijn vaker te dik, hebben vaker suikerziekte en een te hoog cholesterolgehalte, en lijden vaker aan schizofrenie dan eerder of later geboren broers en zussen. Dat was al bekend, nu begint duidelijk te worden waarom: door veranderingen aan het DNA van de ongeboren vrucht, al in het prilste begin van de zwangerschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden