Hoe nieuw is Thomas Vaessens' kijk op literatuur?

Studenten let op: realisme en avantgarde zijn slechts 'frames'

De recente discussie over het historische beeld van de slavernij maakt ons er weer eens attent op dat de verhalen over het verleden niet voor eens en altijd vastliggen, maar onderwerp zijn van een permanente herziening. Daarmee veranderen die verhalen van inhoud en karakter, nemen ze de toon, de opinies, de huidskleur aan van de vrouw of de man die de rol van verteller opeist. Je kunt wel wensen dat er zoiets als een stabiele objectiviteit bestaat, maar als je even nadenkt, besef je het gelijk van de dichter Jan Emmens: "Sta ik toevallig stil, dan heet dat het standpunt dat ik inneem." Niets staat vast, alles vloeit en beweegt, de geschiedenis voorop.

Dat Thomas Vaessens, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, in zijn nieuwe overzicht van de moderne Nederlandse letterkunde sinds 1800 een ferm standpunt inneemt, is dus weinig opzienbarend. Alle literatuurhistorici voor hem hebben dat gedaan, soms onder overhandiging van hun programma, dan weer zonder enige toelichting of verantwoording.

Waar staat Vaessens precies? Ver van zijn directe voorgangers, als het aan hem ligt. Naar zijn mening, al eerder verwoord in zijn voorlaatste boek 'De revanche van de roman' (2009), hebben zij zich zo krampachtig vastgelegd op het humanistische (lees: blanke, masculiene, westerse) waardensysteem dat ze zich daarmee in het postmoderne en multiculturele hier en nu hopeloos buitenspel hebben geplaatst. Ze horen tot een zelfbenoemde, maar niettemin 'vergrijzende kennersgemeenschap', die haar waarden en normen fundeerde op de grote, zogeheten 'klassieke' kunst en literatuur uit het verleden, en deed alsof het daarbij ging om absolute kwaliteit waaraan niet te tornen viel. Dankzij de pretenties van deze geleerden en experts is de door hen beoefende literatuurwetenschap in Vaessens' ogen volkomen achterhaald geraakt. Historisch belang en literaire waarde, zo vindt hij, vallen niet objectief te meten, maar zijn per definitie een kwestie van subjectieve voorkeuren en particuliere meningen.

Gelet op de frequentie waarmee deze waarneming binnen de cultuurwetenschap al decennia lang wordt uitgebazuind en onderschreven, is die opvatting eigenlijk niets nieuws. Vaessens doet bovendien alsof zijn voorgangers de historische ontwikkeling van de literatuur hebben beschreven in termen van 'nieuw', en dus beter, versus 'oud' en derhalve rijp voor de prullenmand. Hij brengt dat in verband met de vooruitgangsideologie van de Verlichting die ons al zo'n 250 jaar domineert. Aan het eind van de negentiende eeuw zou de dichter Herman Gorter dan 'verder' geweest zijn dan zijn collega Bilderdijk honderd jaar eerder, wat de suggestie wekt dat Gorter kwalitatief ook hoger staat.

Ik moet de eerste serieuze literatuurhistoricus die zo'n karikaturaal standpunt inneemt nog tegenkomen, maar laten we even doen of Vaessens' kritiek op de conventionele chronologie van 'eerst', 'vervolgens' en 'ten slotte' houtsnijdt. Merkwaardig is dan wel dat hij zijn eigen literatuurgeschiedenis ophangt aan de geleidelijke ontwikkeling van de zogeheten moderniteit, die uiteenvalt in fenomenen als de Industriële Revolutie, de verstedelijking, de democratisering, de emancipatie en de secularisatie en de rationalisering in wetenschap en techniek.

Net als neerlandici van vroegere generaties begint Vaessens heel conventioneel bij Bilderdijk en tijdgenoten, om keurig de chronologische route te volgen, gebruikmakend van geijkte richtingwijzers als 'romantisch', 'realistisch', 'avantgarde', 'modernistisch' en 'postmodern'. Wel drukt hij ons op het hart deze periode- en stijlaanduidingen niet op te vatten als iets 'essentieels' (lees: reëels), maar als een door ons geconstrueerd referentiekader. Zelf spreekt hij van een frame, en doet alsof hij zo het wiel uitvindt, alsof zijn voorgangers al niet sinds jaar en dag ervan uitgaan dat begrippen als romantiek, realisme en modernisme mentale concepten zijn, louter bedoeld om een verhaal te structureren. Vaessens giet belegen wijn over in schijnbaar nieuwe zakken, maar zelfs die zakken blijken bij nader inzien van een doorleefde ouderdom.

Door zich zo stevig af te zetten tegen oudere collega's verhult Vaessens hoeveel hij van hun bevindingen en ideeën heeft overgenomen. Zo suggereert hij, zonder verwijzing naar een voorganger als C. de Deugd die anno 1966 al hetzelfde beweerde, dat het 'romantische frame' kan worden toegepast op 'zo'n beetje alle kunst van de laatste tweehonderd jaar'. Zelfs het dwepen met het onvoltooide en fragmentarische, door Vaessens als typisch postmodern beschouwd, heeft zijn wortels in de esthetische opvattingen van Duitse romantici als Novalis en de gebroeders Schlegel. Overigens betwijfel ik of Vaessens De Deugds studies überhaupt kent. Als dat wel het geval was geweest, zou hij veel minder moeite hebben gehad om politiek en maatschappelijk conservatisme en sympathie voor het christendom in te passen in het romantische denkraam, zoals te demonstreren valt aan - alweer - Bilderdijk, maar ook diens buitenlandse tijdgenoten Novalis en Chateaubriand, en aan een nauwelijks door hem genoemde hedendaagse auteur als Frans Kellendonk.

Bij dit ene geval van gebrekkig huiswerk blijft het niet. Anders dan Vaessens lijkt te denken is het belang van de Franse dichter Baudelaire (1821-1867), nu beschouwd als de eerste moderne schrijver, pas na diens dood volmondig erkend. De filosoof Sartre mag dan beroemd zijn als publieke intellectueel, hij was zeker niet de eerste; denk aan Emile Zola (1840-1902), die met de verdediging van de ten onrechte veroordeelde Joodse officier Dreyfuss het progressieve en seculiere Frankrijk mobiliseerde. De slogan l'art pour l'art is niet gemunt door Théophile Gautier, maar door Victor Cousin. En zo verder.

De fouten, misgrepen en tekortkomingen zouden nog vergeeflijk zijn, als Vaessens niet zo polemisch en denigrerend schreef over vakgenoten die hij om de oren slaat met het verwijt dat ze als pedante connaisseurs uit waren op het veroveren en consolideren van machtsposities. Dat hij met dit boek, door hem duidelijk bedoeld als het verplichte cursusmateriaal voor komende generaties letterenstudenten, precies hetzelfde doet, valt kennelijk geheel buiten zijn frame.

Thomas Vaessens: Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur. Nijmegen, Vantilt, 472 blz. euro 24,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden