Hoe niet te herinneren, hoe niet te vergeten Tegen de vergetelheid

Waarom zouden we de Holocaust moeten blijven herdenken? De ouders van Ruth Wisse, hoogleraar Jiddische literatuur aan Harvard, emigreerden in 1940 vanuit Roemenië naar Canada. „In mijn jeugd was ik er zeker van dat het ergste achter de rug was. Ik meende dat herdenking van de Holocaust betekende: leren van de geschiedenis. En dat die lessen vanzelfsprekend zouden zijn.”

’Weet je hoe mijn vader altijd een nieuwe pen uitprobeerde?”, vroeg de Joodse communiste begin jaren zeventig aan haar Amerikaanse bezoek. „Mijn vader was een vroom man, dus hij doopte de punt in de inkt, schreef in het Hebreeuws ’Amalek’ op een vel papier, en zette er vervolgens één zwarte streep doorheen.”

Op die manier rekenden traditionele Joden af met hun historische vijanden – in de Bijbel was het de stam van Amalek die de zwakke achterhoede van de Israëlieten aanviel tijdens hun vlucht uit Egypte. Maar wat de dochter duidelijk wilde maken was dat ’de geschiedenis’ ons alleen leert wat wij toch al geneigd zijn ervan te leren en dat Joden uit hun geschiedenis vooralsnog niet de juiste conclusies hadden getrokken. Haar vaders symbolische doorhaling van onrechtvaardigheid had zijn generatie niet voorbereid op een eeuw van échte Amalekieten. Zijzelf had, dacht ze, misschien nog slechter gereageerd op de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust door in Polen te blijven en mee te helpen bij de opbouw van een Arbeiders Internationale.

Mijn eigen familie kwam in 1940 naar Montreal, maar altijd als mensen het hebben over het herdenken van Hitlers oorlog tegen de Joden, moet ik denken aan de waarschuwende woorden van deze vrouw. Het is geen gemakkelijk onderwerp. Toen mijn man en ik in 1993 verhuisden van Montreal naar Cambridge, Massachusetts, waren de laatste verkoopsters met nummers op hun arm verdwenen uit de Joodse bakkerij waar wij vaak kwamen. Zij maakten plaats voor musea, archieven en onderzoekscentra, die door historische reconstructies moesten bevestigen wat niet langer vastgelegd en zichtbaar was in vlees en bloed. Joden verkeerden nu in de merkwaardige positie dat zij het bewijs van hun massavernietiging moesten conserveren. Hoe documenteer je een dergelijke schanddaad? En wat hoop je met deze inspanning te bereiken?

Toentertijd drong Hitlers oorlog tegen de Joden het huis van mijn ouders binnen in de vorm van dunne blauwe luchtpostbrieven waarmee ik mijn moeder aantrof als ik uit school kwam. Mijn ouders onthulden nooit iets over de inhoud van die brieven, behalve via de sfeer die zij verspreidden. Mijn vader had de gewoonte om te glimlachen bij het vreselijkste nieuws, mijn moeder haalde letterlijk uit naar het eerste het beste doelwit binnen handbereik. Hoezeer ik het ook verafschuwde om geslagen te worden, toch had ik liever het branden van mijn moeders hand dan het angstaanjagende, haast onaardse verdriet van mijn vader.

Al voordat hij te horen kreeg dat zijn eigen vader gestorven of gedood was in het getto van Bialystok, nam mijn vader het zichzelf kwalijk dat hij de man in de steek had gelaten wiens gezag hij trotseerde toen hij op veertienjarige leeftijd het ouderlijk huis verliet. Zijn oudere zuster Pola, of Perele, was achtergebleven om voor hun vader te zorgen.

Wij zijn nooit te weten gekomen wat er gebeurd is met haar, haar echtgenoot en hun twee kinderen – Hela, elf jaar oud, en Ada, die van mijn leeftijd was. Ik geloof dat van de vier gebroeders Roskies die in 1939 en 1940 veilig naar Montreal vertrokken, mijn vader het leeuwendeel van het schuldgevoel op zich nam over het feit dat zij hun vader en zuster hadden achtergelaten om te sterven.

Om een en ander in context te plaatsen: ik ben geboren in 1936 in Czernowitz, destijds Roemenië, tijdens het roerige bewind van koning Carol II. Mijn vader, een onbemiddeld ingenieur, was enkele jaren eerder vanuit Polen naar Czernowitz gekomen. De bouw van de eerste rubberfabriek in de regio leverde hem tijdelijke rijkdom en een koninklijke medaille op. Toen hij zag wat er om hem heen gebeurde, gebruikte hij die medaille in juni 1940 om uitreisvisa te regelen voor hemzelf, mijn moeder, mijn oudere broer Ben en mij. Tot zijn laatste dag heeft hij de groepsfoto voor het paspoort, gemaakt in Boekarest, bij zich gedragen in zijn portefeuille.

Onze avonturen tijdens de reis dwars door Europa verbleken bij de ervaringen van degenen die langer achterbleven op het continent (hoewel de herinnering aan gespannen confrontaties bij consulaten en bij grensposten mijn broer Ben zou blijven achtervolgen). Wij bereikten New York op een Grieks schip, dat tijdens de terugreis werd getorpedeerd en verging. Op 19 oktober kwamen wij heelhuids in Montreal aan. Mijn broer, vader en moeder – zij zouden in die volgorde overlijden, respectievelijk drieënveertig, zeventig en vierennegentig jaar oud – liggen op de Joodse begraafplaats aan de Rue de la Savanne in Montreal. De namen van de niet-begraven broers en zusters van mijn moeder en hun gezinnen zijn achter op haar grafsteen gebeiteld .

De manier waarop mijn moeder omging met de informatie die zij ontving in die brieven van en over leden van haar zeer uitgebreide familie drong pas vijftig jaar later goed tot me door, toen ik met een groep hoogleraren van de Hebreeuwse Universiteit door Litouwen reisde. Wij hadden de dag doorgebracht in Kovno (Kaunas) waar wij onder meer het fort bezochten waar veel van de 40.000 Joden uit die stad gemarteld en gedood waren. Het was ongeveer 10 uur ’s avonds – zeven uur later dan in Montreal en dus een uitstekend tijdstip om mijn moeder thuis te bereiken.

„Weet je waar ik ben, mamele?”, vroeg ik haar in het Jiddisch. Hoewel onze groep op weg was naar haar geboorteplaats Vilnius, leek het me veiliger om haar te bellen vanuit de nabijgelegen stad waar haar lievelingszuster Anushka had gewoond. „Ikh bin in Kovne”, zei ik.

Op de met bomen omzoomde boulevard waar ik haar belde zaten mensen in cafés of slenterden op hun gemak voorbij. Tegenover de telefooncel speelde een stel met zijn hond. Ik vertelde mijn moeder dat we ’s morgens aangekomen waren en de volgende dag rond het middaguur weer zouden vertrekken. „Ga je nog bij Anushka langs?”, vroeg ze. Ze stelde de vraag met zo’n vanzelfsprekendheid dat ik op mijn horloge keek voor ik haar antwoordde: „Nee, daar is het nu te laat voor.”

Ik zweer dat ik op dat moment niets anders bedoelde dan dat het te laat op de avond was om onaangekondigd langs te gaan. Zo levend had moeder de vermoorde leden van haar familie gehouden dat ik hen zonder meer een bezoek zou brengen. Als haar verdriet niet zo heftig was als dat van mijn vader, dan was dat omdat zij nooit had geaccepteerd dat de Joden uit Vilnius en Kovno dood waren.

Vader sprak zelden over het verleden. Hij was vier dagen per week bij zijn broers en twee neven op de fabriek buiten de stad, die zij als familiebedrijf runden. Tweemaal per week overnachtte hij daar met zijn broer Enoch. Misschien koesterden zij samen hun verdriet op de hotelkamer die zij deelden, want zij waren heel hecht: zelfs als ze niet op de fabriek waren belden ze elkaar elke dag. Naar aanleiding van deze telefoongesprekken vertelde moeder de grap over twee vrouwelijke Russische revolutionairen die hun straf van tien jaar in dezelfde cel van de Lubyanka-gevangenis hadden uitgezeten. Op de dag van hun vrijlating gaan zij elk hun eigen weg. Opeens draait een van hen zich om en roept: „Yentl, wacht! Wacht even! Ik moet je nog iets vertellen!” Ik vond dit een enige grap, maar mijn moeder vertelde hem met een flinke dosis wrok over de Yentls die zij in haar leven heeft moeten missen. Het verlies van Anushka en alle anderen maakte de band tussen mijn vader en zijn broer des te pijnlijker.

In ons gezin heette de oorlog gewoon de oorlog, di milkhome. Khurbn, het Jiddisch-Hebreeuwse woord voor vernietiging (in het bijzonder de vernietiging van de Tempel in Jeruzalem door de Romeinen), en Shoah, Holocaust, moeten later gekomen zijn, via de naoorlogse literatuur en de herdenkingen. Ik wist weinig over de rol van Canada in de oorlog, al herinner ik me wel een luchtalarmoefening waarbij onze ouders de blinden sloten en de lichten uitdeden. Veel later kwam ik erachter dat ook Joden gediend hadden bij de Canadese strijdkrachten overzee, en ook gesneuveld waren. Maar als recente immigranten in Canada was onze oorlog een heel andere.

Ik herinner me geen feestelijkheden op Victory in Europe Day of Victory over Japan Day. Voor mij was 12 april de gedenkwaardigste dag van 1945. Ik stond op het balkon van ons huis toen de dochter van de huisbaas al schreeuwend de straat in kwam rennen: „President Roosevelt is dood!” Mijn ouders waren binnen, en aan de toon van hun gesprek kon ik horen dat zij zich niet bewust waren van deze grootse gebeurtenis. Ik ging naar binnen, opgetogen over het gewicht van mijn boodschap: „President Roosevelt is dood! President Roosevelt is dood!” Vader sloeg me in mijn gezicht.

Dat was pas de tweede keer dat hij me ooit geslagen had. De eerste keer was ik vijf jaar oud. Toen stak ik, in het schemerdonker voor hem uitrennend, de weg over en werd bijna door een auto geraakt. Hij wachtte tot we thuis waren, legde me over zijn knie en gaf me een pak slaag door mijn winterkleren heen. Deze keer was hij zich er denk ik wel van bewust dat hij degene was die zijn zelfbeheersing verloor. Ik huilde niet. Stel je voor, mijn vader, onbezonnen! Had mijn moeder die klap uitgedeeld, dan zou ik me gekwetst hebben gevoeld door de onrechtvaardigheid ervan. Maar dat ik de oorzaak was van mijn vaders ongebruikelijke en misplaatste emotionele uitbarsting, maakte me trots.

Ik geloof niet dat ik iets tekortgekomen ben tijdens de oorlogsjaren. Ik kan me geen rantsoenering herinneren, of zelfs maar een vermaning om mijn ontbijt op te eten omdat de kinderen in Europa honger leden. In de zomer werden mijn broer en ik naar een zomerkamp op het platteland gestuurd, zogenaamd om ons te beschermen tegen het gevaar van polio. Wat ik vooral leek te missen waren ouders. Zij werden altijd wel ergens door in beslag genomen. Als het niet door de oorlog was, dan wel door de komst van mijn zusje Eva in november 1942, net voordat Rommel verslagen werd bij El Alamein (ze overwogen haar Victoria te noemen) en later door de geboorte van mijn broer David in hetzelfde jaar als de geboorte van de staat Israël.

Een van de vrienden van mijn ouders vertelde me later dat ik liep te mokken toen ze mijn zusje meebrachten uit het ziekenhuis. Als dat al zo was, dan was ik daar snel overheen. Ik was niet boos over de afwezigheid van mijn ouders. Integendeel, ik genoot enorm van mijn onafhankelijkheid. Als ik iets wilde weten vroeg ik het mijn oudere broer Ben, die sowieso alles, inclusief de Engelse taal, veel beter begreep dan zij deden. Het kwam niet eens in me op om met belangrijke kwesties naar mijn moeder of vader te gaan. Als het me uitkwam vertelde ik ze waar ik mee bezig was. Meestal deed ik wat mij goeddunkte.

Dat was tijdens de oorlog. Na de oorlog maakte de komst van vluchtelingen naar Montreal ons heel duidelijk hoeveel geluk wij hadden gehad.

Bij ons thuis waren ’overlevenden’ gewoonlijk ’Vilner’. Sommigen van hen hadden mijn ouders echt gekend in Vilnius (Wilno voor de Polen, Vilnius voor de Litouwers). Een ervan had bij mijn moeder op school gezeten, een ander was de beste vriend van haar broer, de derde de collega van mijn vader in het laboratorium aan de Stefan Batory Universiteit. Voor zijn verhuizing naar Czernowitz had mijn vader tien jaar lang in Vilnius gewoond en scheikunde gestudeerd. Hoewel mijn vader en moeder dus veel gezamenlijke vrienden hadden, herinnerde zij zich ook nog buren en klasgenoten uit haar vroegste jeugd.

De naoorlogse stroom van Vilner hield niet op. Toen ik in de jaren zestig een keer onverwacht bij mijn moeder langsging, was ze zo diep in gesprek dat ze nauwelijks de tijd nam om mij voor te stellen aan de vreemde die aan tafel zat: een vrouw van haar leeftijd die precies hetzelfde Jiddisch sprak. Dit was, hoorde ik later, een oud-klasgenote van mijn moeder wier zoon zich in Montreal had gevestigd. Zij was zelf voor de oorlog met haar man naar België verhuisd, had zich in de nasleep ervan samen met hem bekeerd tot het katholicisme en had ook haar zoon in dat geloof laten dopen.

Ik laat het aan de familie van deze vrouw over om haar verhaal te vertellen als zij dat willen; relevant voor mijn verhaal was mijn moeders oude en diepe afkeer van afvallige Joden – de enige categorie mensen (behalve nazi’s) die ze zonder voorbehoud veroordeelde. Maar toen ik haar vroeg waarom ze in dit geval haar principes opzijzette leek ze verbaasd. „Ach kind, wat weet jij van de beproevingen die deze Jiddische tokhter heeft moeten doorstaan?” Iedere overlevende uit Vilnius was een ’dochter van het Joodse volk’, en had derhalve recht op mijn moeders bescherming. Alle regels gingen overboord voor deze gezanten uit het verleden.

Is het vreemd dat deze mensen voor mij veel echter waren dan gewone stervelingen? Op een dag vertelde mevrouw D., een andere voormalige Vilner, gezeten aan onze eetkamertafel hoe haar man haar ’ten huwelijk had gevraagd’ in het concentratiekamp Dachau, enkele dagen na de bevrijding in 1945. Zij kenden elkaar uit Vilnius en hadden het contact hernieuwd door het prikkeldraad heen dat het mannenkamp van het vrouwenkamp scheidde.

Ik geloof dat beiden in de tussentijd een echtgenoot hadden verloren. Nadat de Amerikanen de leiding hadden overgenomen, was mevrouw D. erin geslaagd een tobbe en wat zeep te vinden en was zij buiten gaan zitten om haar kleren te wassen. Elke keer als ze haar handen in het water onderdompelde, kwamen ze er door de luizen en het vuil smeriger uit. Plotseling stond achter haar een man die met zijn vinger langs haar arm streek en het vuil wegveegde. Kijk, zo – terwijl ze naar haar man keek liet mevrouw D. zien wat hij precies had gedaan en hoe hij daarna de plek kuste die hij schoongeveegd had. Voor mij werd hier, door deze grote man van middelbare leeftijd die onverstoorbaar zijn thee dronk, een romantisch ideaal gecreëerd. Bij dit echtpaar vroeg ik me nooit af of ik ze aardig vond, zoals ik wel deed bij andere vrienden van mijn ouders. Zij waren echter dan echt, belangrijker dan literatuur.

Ik voelde deze bewondering ongeveer voor iedereen die de oorlog aan ’de andere kant’ had meegemaakt, zelfs voor de leerkrachten die wij toegewezen kregen op de Joodse school, die ik de hele lagereschoolperiode bezocht. In de drie daaropvolgende jaren ging ik er naar de middagschool. Ongeveer het enige wat ik mij herinner van mijn officiële schooltijd zijn de antwoorden die ik af en toe fout had. In de lessen van deze leerkrachten sijpelden andere belangrijke boodschappen door: hun bereidheid om bij kinderen te zijn ook al hadden sommigen hun eigen kinderen verloren; hun respect voor de Joodse onderwerpen die zij onderwezen ondanks de prijs die zij hadden betaald omdat zij als Jood geboren waren; de omvang van hun kennis, die onlosmakelijk verbonden leek te zijn met hun ervaringen. Ik ben vooral dankbaar dat zij nooit toespelingen maakten op die ervaringen, aangezien ik het altijd verkeerd heb gevonden om jonge kinderen te onderwijzen in de vernietiging van de Europese Joden, tenzij en totdat zij eerst grondig geïnformeerd zijn over het incasseringsvermogen van de Joodse beschaving. Mede door het feit dat deze oorlogsoverlevenden bereid waren om ons te onderwijzen over die beschaving, raakte ik overtuigd van de waarde ervan.

Vanaf ongeveer mijn twaalfde tot en met mijn zestiende kreeg ik lessen in voordrachtskunst en speelde ik in het kindertheater; hoogtepunten waren mijn rollen als Jo in ’Onder moeders vleugels’ en de heks in ’Hans en Grietje’. In die tijd wilde ik actrice worden, en ik ging zo vaak als ik kon naar het theater. Maar de intensiteit van het drama dat ik op het toneel zag viel in het niet bij de herdenkingsbijeenkomsten waar ik met mijn ouders heen ging: herdenkingen voor de doden van Vilnius en omstreken en, op de verjaardag van de opstand in het getto van Warschau, omvangrijker ceremonies voor de hele gemeenschap. De mensen droegen dikke winterjassen op weg naar deze bijeenkomsten, ook al vonden ze in de vroege lente plaats. Zij herinnerden me aan de razzia’s in het getto, waarvan de beelden net zo gewoon voor me begonnen te worden als mijn gezicht in de spiegel.

Het duurde eindeloos eer de deelnemers aan deze ceremonies tot rust kwamen. Uiteindelijk riep de voorzitter iedereen op ernstige toon tot de orde. Een cantor reciteerde de El moleh rahamin, het traditionele gebed voor de doden. Maar onrust stak de kop weer op tijdens de toespraken, die zelden ieders goedkeuring konden wegdragen. Gekwelde uitroepen van Nekomeh! – ’Wraak!’ – onderbraken iedereen die adviseerde om het ergste achter ons te laten. ’Schande!’, was het antwoord voor hen die opriepen tot wraakzuchtigheid.

Mijn hart ging uit naar de eenzame enkelingen die riepen om wraak, hoewel alleen God weet welke middelen zij daarvoor in gedachten hadden. De bijbelse plagen die Farao troffen? Bloed, kikkers, ongedierte, de dood van Duitslands eerstgeborenen? Hun uitroepen in de zaal leken mij even zinloos als de gebeden van hun ten dode opgeschreven familieleden op weg naar hun executie. Toch, gezien moeders temperament had ik eigenlijk wel verwacht dat zij het met hen eens zou zijn. Zij was een uitstekende hater en kon goed wrok koesteren. Maar op een dag, toen ik haar vroeg naar een vriend die al een tijd door niemand gezien was, zei ze smalend: „G.! Na de oorlog spoorde hij de man op die zijn familie vermoord had en doodde hem!”

Ik was geschokt. Meneer G.! Dat vreemde mannetje, zo veel kleiner dan zijn vrouw, dat nauwelijks een woord sprak tijdens hun bezoeken aan ons huis? Meneer G., een wreker? En waarom deed dit verbazingwekkende feit hem niet in moeders achting stijgen? Haar norse oordeel ergerde mij zo dat ik vergat naar details te vragen. Zo liet ik de kans voorbijgaan om erachter te komen hoe hij zijn wraakactie had aangepakt.

Nu denk ik dat mijn moeder alleen de conventionele naoorlogse Joodse wijsheid in zich had opgenomen, namelijk dat het zeker stellen van de toekomst belangrijker was dan energie verspillen aan vergeldingsacties. En ondanks mijn eigen sympathie voor degenen die ernaar hunkerden om af te rekenen met massamoordenaars, moet ik die conventionele opvatting toch gedeeld hebben. Het was een kwestie van prioriteiten – opbouwen of vernietigen. Hoewel bij die naoorlogse bijeenkomsten openlijk gehuild werd en de rondzwevende geesten van de doden alle lucht uit het volgepakte auditorium leken te persen, leken we tegen de tijd dat we opstonden om de laatste liederen te zingen een zegevierend leger.

Eerst kwamen de krijgshaftige ritmes van de ’Partizanen Hymne’, van de Vilner dichter Hirsch Glik: „Wij zweren nooit het doodvonnis te zullen aanvaarden* onze vastberadenheid en moed zullen opbloeien daar waar bloed vergoten is* dit lied van ons is geen lieflijk vogelgezang, maar een oproep tot gewapend verzet tussen de vallende muren.” Maar onze rechte ruggen werden pas echt gerechtvaardigd door de hymne waarmee onze ceremonie afgesloten werd – ’Hatikvah’, het Joodse nationale volkslied en vanaf 1948 het volkslied van de staat Israël. Dit lied, dat sinds 1897 bij elk zionistisch congres gezongen wordt, bevestigde dat de terugkeer van het Joodse volk in het eigen land begonnen was vóór de vernietiging door Hitler en dat die ondanks die vernietiging toch gerealiseerd was. „Onze hoop – tweeduizend jaar oude hoop – is niet verloren: om een vrij volk te zijn in ons eigen land.”

Ik heb de Hatikva nooit gezongen of horen zingen zonder een golf van dankbaarheid te voelen jegens diegenen die deze woorden hebben doen uitkomen. Het gebeurt niet vaak dat onze eigentijdse ervaring de beschrijvingen die we lezen in de Bijbel overtreft, maar over het moderne Israël had mijn moeder kunnen zeggen: Yehezkel iz a hunt kegn unz. Ezechiël is als een jochie vergeleken bij ons. De profeet vertelt ons dat de adem van God de botten van dode Joden zal binnendringen en hen weer tot leven zal wekken: „Er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok. [...] En de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. ”

Precies zo: vijf dagen na de bevrijding van concentratiekamp Belsen in 1945, hield een Joodse geestelijke in de open lucht een vrijdagavonddienst voor enkele honderden Joodse overlevenden. In de geluidsopname hiervan is de stem van een Britse radiopresentator te horen die, duidelijk aangedaan, een beschrijving geeft van de 40.000 lijken die al opgeruimd zijn, de duizenden die nog overal verspreid liggen, de levende kadavers die overal om hem heen liggen te sterven. De bevrijde gelovigen-rouwenden huilen openlijk. De dienst wordt afgesloten met Hatikvah. „Deze mensen wisten dat er opnames werden gemaakt”, zegt de verslaggever. „Zij wilden dat de hele wereld hun stem zou horen. Deze enorme inspanning heeft hen uitgeput.”

De mensen tussen wie ik stond tijdens die naoorlogse samenkomsten waren geen kadavers, maar leden van een volk dat opgestaan was uit de dood. Wie had er tijd voor wraak terwijl er Joodse kinderen geboren moesten worden?

Toch was dit niet de prangendste kwestie die zich zou blijven opdringen, noch voor de Joden noch voor anderen.

Enkele decennia na de oorlog ging de verantwoordelijkheid voor de herdenking van de massamoord op de Joden over van de Jiddische kringen van immigranten en vluchtelingen, naar de officiële Joodse gemeenschap, naar mensen die niet uit de eerste hand de uitgeroeide personen of gemeenschappen hadden gekend. Overlevenden die hun ervaringen graag bekend wilden maken troffen een steeds ontvankelijker Engelssprekend publiek. Dankbaar dat er geluisterd werd, kon het hun niet altijd schelen hoe anderen zich hun getuigenissen toe-eigenden. Zwarte laarzen en swastika’s. Auschwitz en Zyklon B. Bergen met lijken. Amerikaanse en Russische bevrijders. Ik had zo in de schaduw van de milkhome geleefd – en deed dat nog steeds – dat ik het gemak waarmee Joodse organisaties en anderen van buiten de gemeenschap de oorlog ’Holocaust’ gingen noemen niet vertrouwde, en de overgang naar een algemeen symbool van „de onmenselijkheid van de mens jegens zijn medemens” nog minder.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw bereidde ik mij voor op een academische loopbaan in de Jiddische literatuur. Totdat ik een manier vond om mijn onderwerp op een van de plaatselijke universiteiten te introduceren zocht ik een tijdelijke baan.

Dankzij een welwillende directeur kon ik de Young Men’s/Women’s Hebrew Association in Montreal overhalen om een instituut voor Joodse studies op te zetten dat cursussen voor volwassenen zou verzorgen, waaronder een cursus Jiddische literatuur. Het instituut ging succesvol van start met elf cursussen, maar in de jaren daarna liep het aantal cursisten terug. Wij besteedden veel tijd aan het bedenken van de beste manier om de altijd ongrijpbare groep ’jongeren’ binnen te halen. De Holocaust werd voorgesteld als onderwerp dat de veel potentiële aantrekkingskracht zou hebben. En dat bleek ook zo te zijn, niet alleen daar, maar overal.

Toen Joodse studies later onderdeel werden van het curriculum op de McGill Universiteit, besteedden mijn collega’s en ik uiteraard de nodige aandacht aan de vernietiging van de Europese Joden, maar wij gaven geen aparte cursus over het onderwerp. Onze eerste plicht, vonden wij, was om het volledige scala van de Joodse geschiedenis, cultuur en het Joodse denken te behandelen, vanaf de Bijbel tot en met de moderne staat Israël. Maar een groep overlevenden verzocht ons per petitie om onze prioriteiten aan te passen, en studenten ondersteunden hun eis. Waar de meeste van onze cursussen over Joodse geschiedenis, literatuur, filosofie en religie twintig tot dertig geïnteresseerden trokken, was de Holocaust, onder deze of elke andere naam, regelmatig goed voor honderd aanmeldingen.

Wat kun je tegen hebben op succes? Veel aanmeldingen waren gunstig in een tijd waarin het bestuur begon te kijken naar het aantal studenten om de ’effectiviteit’ van een vakgroep te bepalen. En in de twintigste eeuw waren er ontegenzeglijk weinig onderwerpen die zo’n grote dramatische betekenis, historische complexiteit, en intellectuele uitdaging kenden als de Duitse genocide op de Joden.

Wij probeerden onze Holocaust-cursus breed en wetenschappelijk op te zetten, en ons niet te laten verleiden tot emotioneel of ideologisch misbruik. In navolging van Lucy S. Dawidiwiczs ’The War Against the Jews’ (1975), behandelden wij het onderwerp vanuit het perspectief van respectievelijk daders, collaborateurs, omstanders en slachtoffers, waarbij we probeerden zowel het ontstaansproces van massamoord te traceren, als de reactie van degenen die erdoor overvallen werden. Het team doceerde dit overzicht jaar na jaar, en het half dozijn vaste stafleden probeerde op de hoogte te blijven van de handboeken, syllabi, memoires, historische verhalen, films, documentaires en het primaire bronnenmateriaal over dit snelst groeiende onderwerp van ons vakgebied.

Maar wat voor succes was dit? Hoe gewetensvol we het onderwerp ook doceerden, het ontbeerde de glans van de Bijbel, de intellectuele soliditeit van de Talmoed, de pracht en praal van middeleeuwse Hebreeuwse poëzie, en het morele inzicht van Maimonides.

In historisch opzicht hadden de Joden een alternatieve beschaving geboden voor de beschaving waaruit Hitler was voortgekomen – en toch waren we hier druk bezig met het analyseren van de wapenfeiten van onze vernietigers. Waarom zouden wij ons verplicht voelen om Duitse pathologie te doceren? Was het niet aan hen die medeschuldig waren aan het kwaad om te worstelen met de kwestie waar het was misgegaan en hoe de verrotting zich had verspreid? De Joden hadden te maken met het tegenovergestelde probleem – hoe een einde te maken aan hun slachtofferschap.

De Holocaust was niet het werk van de Joden – hoe verwoed hadden zij geprobeerd aan die klauwen te ontsnappen! Maar de duivelse ironie was dat juist door dit onderwerp de Joden de meeste bekendheid verwierven. Door de Joden op een dergelijke, ongeëvenaarde manier te vernietigen hadden de Duitsers hen verpulverd, maar in de geschiedenis verheerlijkt. En toch, de Joden konden het evenmin aan de Duitsers of hun collaborateurs overlaten om die geschiedenis voor hen te schrijven, want zij en hun erfgenamen zouden natuurlijk hun eigen aandeel willen afzwakken en waarschijnlijk boos worden op diegenen die hen daaraan herinnerden. Gerechtigheid zou onbereikbaar zijn. De Joden hadden geen andere keuze dan de wreedheden en de doden die daar het gevolg van waren zo volledig mogelijk te boek te stellen.

Gedenken, althans een zeker soort gedenken, is altijd essentieel geweest in het Joodse bestaan. Joden rouwden 2000 jaar lang om de vernietiging van Jeruzalem in de verwachting dat zij hun nationale thuisland zouden herwinnen. Hadden zij Jeruzalem vergeten – zoals de psalmist belooft niet te zullen doen – dan zouden zij nooit lang genoeg overleefd hebben om het terug te winnen.

Veel dagboekschrijvers tijdens en memoireschrijvers na de oorlog hadden hetzelfde belang bij Joodse herrijzenis. De plicht om te boekstaven was voor gettohistorici zoals Herman Kruk en Emanuel Ringelblum heiliger dan de geboden die Mozes ontving op de berg Sinaï. In haar schuilplaats in het Arische deel van Warschau bracht Rachel Auerbach haar avonden door met het op schrift stellen van het lot van iedereen die zij in het getto kende, en van iedere dode over wie zij informatie had. Na de oorlog werkte zij, op veel grotere, nationale schaal, mee aan de oprichting van het documentatiecentrum Jad-Vasjem in Jeruzalem. Vroeg of laat voelden de meeste getuigen zich verplicht om vast te leggen wat hun was aangedaan. Het resultaat was een stroom getuigenissen die zou doorgaan zolang de laatste overlevende nog adem in zijn lijf had.

Mijn jongere broer David, grootgebracht met herinneringen aan oorlog, stelde een bloemlezing samen van de Joodse literatuur over vernietiging – van de eerste Tempel tot de teksten die klinken op militaire begraafplaatsen in Israël. In de loop van de eeuwen, schrijft hij, „ongeacht hoe lang de lijst van martelaren ook werd, en ongeacht hoe veel rampen de herdenkingskalender bevolkten, uiteindelijk bevestigden zij het verbond tussen de Joden en de God van de geschiedenis”. In onze tijd zouden seculiere Joden, even vastbesloten om te herinneren en vast te leggen, de taal van ’de God van de geschiedenis’ omzetten in de taal van de geschiedenis tout court: catastrofes werden geïncorporeerd om een hernieuwd streven naar nationaal besef te voeden.

Dit was de les die de staat Israël in praktijk bracht. Hoewel er ongeveer een halve generatie nodig was voor de taak, nam ook de jonge natie de Shoah in zich op, even onverbiddelijk als zij oorlogsvluchtelingen in het weefsel van de samenleving integreerde. (En ook vluchtelingen uit latere oorlogen: dezelfde Joodse communiste die ik hierboven beschreef zou zelf spoedig op de vlucht slaan voor het communistische antisemitisme in Polen, om zich te vestigen in Israël.) Israëliërs wisten dat er een miljoen méér Joodse kinderen op het strand hadden kunnen spelen als de staat er tien jaar eerder was geweest. Maar laat of niet, het Joodse thuisland was het enige geloofwaardige morele antwoord op Hitlers genocide. Monumenten voor gettostrijders in kibboetsen bevestigden de postume overwinning. De herdenking van de Holocaust in Israël leek op de tekst van de Hagadah van Pesach, die opnieuw het bijbelse verhaal van de Exodus vertelt, vanaf ’Wij waren slaven van Farao in Egypte’ tot het bereiken van de vrijheid. Op dezelfde manier werden bezoekers van het Jad-Vasjemmuseum langs de genocide in Europa geleid om vervolgens vrijgelaten te worden in de levendige hoofdstad van een Joodse staat. Quod erat demonstrandum.

Maar welke betekenis had de Holocaust buiten de Joodse geschiedenis? Aan het einde van de oorlog schreef Primo Levi, overlevende van Auschwitz, zijn beroemde memoires (’Is dit een mens’, 1947). In het Italiaans voor zijn landgenoten. Als scheikundige, humanist in de Italiaanse traditie, enigszins een vreemde in zijn eigen Joods-zijn, was Levi de ideale literaire gids in een onvoorstelbare wereld. Hij kon het enigszins uitleggen aan degenen die daar niet waren geweest. Ergens beschrijft hij hoe hij een medegevangene, een Fransman die geen Italiaans verstond, opbeurde door een passage uit Dantes ’Inferno’ voor te dragen en toe te lichten. Hij moet gehoopt hebben dat zijn eigen voorstelling van de hel het fundamentele vertrouwen van zijn lezers in de mensheid zou versterken, net zoals Dante zijn vertrouwen had versterkt.

Veertig jaar later beschrijft Levi in ’De verdronkenen en de geredden’ (1986) zijn falen. Hij had zich verplicht gevoeld zijn getuigenis van de daken te schreeuwen, om te ontdekken dat „de man die van de daken schreeuwt iedereen en niemand toespreekt, [...] een roepende (is

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden