HOE MODERNER HOE ONINTERESSANTER NEDERLANDSE GESCHIEDENIS

Nederland doet veel te bescheiden over zijn verleden, zegt Jonathan Israel, in Londen hoogleraar in onze geschiedenis. Het kan dan ook amper toeval zijn dat zelfbeeld en mythevorming de belangrijkste thema's waren op de conferentie waarmee eind december het 75-jarig bestaan van zijn leerstoel werd herdacht. “De Nederlanders zien zich niet graag als degenen die anderen manipuleerden en domineerden.”

De voorbeelden volgen elkaar in snel tempo op, terwijl Jonathan Israel, de Britse hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan het University College in Londen (UCL), er eens goed voor gaat zitten: “Neem de Verlichting. Engelse, Franse en Duitse historici zien natuurlijk snel het aandeel van de Republiek daarin over het hoofd. Terwijl dat volgens mij zeker even belangrijk is als dat van Engeland en Frankrijk en het Duitse zeker overstijgt. Maar omdat geen Nederlander zich daar echt mee bezig houdt, blijft onbekend wat de Republiek bijdroeg.”

Dat het buitenland er niet snel toe komt zich in de geschiedenis van de Nederlanden te verdiepen, spreekt volgens Israel voor zich. “De hele Nederlandse cultuur blijft bij haar presentatie in het buitenland met het fundamentele probleem zitten dat ze zich bedient van een taal die niemand anders gebruikt. Kijk maar eens hoe lang de moderne Nederlandse literatuur er over heeft gedaan om in de naaste buurlanden een beetje voet aan de grond te krijgen. De schilderkunst blijft natuurlijk de enige uitzondering.”

“De situatie wordt echter nog verergerd doordat in Nederland de meeste studenten alleen belangstelling hebben voor moderne geschiedenis. Van de oudere perioden willen de meesten niets weten. Terwijl buiten Nederland niemand iets over dat recente verleden wil weten. Voor het buitenland geldt: hoe moderner, hoe oninteressanter.”

Een andere oorzaak: “De Nederlandse geschiedschrijving van de vroeg-moderne periode is nog steeds provinciaals. Ze heeft een zeer beperkt gezichtsveld. De werken behandelen steeds een beperkt onderwerp. Niemand slaagt erin de barrière van de 'vaderlandsche' geschiedenis te doorbreken en zijn verhaal te integreren in de grote Europese geschiedenis.”

Gebrek aan geld voor onderzoek is geen verklaring, zo stelt de Londense hoogleraar. Het is een intellectuele kwestie: in welk kader plaats je het onderwerp, hoe breed zet je een onderzoek op. “Nederlandse historici blijken niet in staat grote blokken van de geschiedenis aan te pakken. En - dat moet er bij gezegd worden - ze worden ook niet aangemoedigd om dat te doen.”

“Er speelt ook een institutionele factor mee. De opdeling in de verschillende specialisaties is in Nederland nog veel te sterk. Economische geschiedenis heeft zich afgescheiden en houdt zich alleen met het eigen vakgebied bezig. Kerkgeschiedenis blijft meestal ook buiten beschouwing, omdat die van oudsher bij theologie thuishoort. Ik zou willen pleiten voor een brede, geïntegreerde aanpak.”

“Een belangrijke rol speelt ook de afkeer die de Nederlanders voelen voor alles wat met nationalisme en chauvinisme te maken heeft. Op zich is dat een goede zaak. Maar het heeft als curieuze bijwerking dat de historici onderschatten hoe groot de rol van de Republiek in de 17e en 18e eeuw wel niet was. Zij hebben toch een zekere onwil om te laten zien wat die macht werkelijk inhield. Elke keer verbaas ik me erover. Nederlanders zien zich liever als slachtoffer dan als degenen die anderen domineerden en manipuleerden.”

Israel geeft toe dat de geschiedkundigen in Nederland, en ook daarbuiten, wel oog hebben voor de overheersende rol die de Republiek gedurende de zeventiende eeuw in handel en financiën speelde. Zelf schreef hij daar ook een dik boek over: Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740 (1989). “Maar waarom schrijft niemand over de voortrekkersrol die Nederland zo lang vervulde op het gebied van de stedebouw, de techniek en de medische wetenschap? Wanneer bekijkt iemand de geweldige invloed van de Republiek op Scandinavië? De hele Deense gouden eeuw was slechts een afgeleide van de Nederlandse.”

“In de ideeëngeschiedenis erkent iedereen de grootheid van Spinoza. Maar hij wordt steeds uit zijn Nederlandse context getild en gepresenteerd als een soort tijdloze figuur. De Nederlanden hebben echter een zeer grote invloed uitgeoefend op het Europese denken. Een belangrijk filosoof als Balthasar Bekker krijgt te weinig aandacht. Terwijl zijn werk 'De Betoverde Weereld' uit 1691-1693 (waarin hij het geloof aan duivels, heksen en spoken bestrijdt) door heel Europa voor opschudding zorgde.”

Toch zijn er op dit terrein wel enkele lichtpuntjes, zo erkent Israel. Hij noemt bijvoorbeeld de publicatie van de Rotterdamse hoogleraar Wim Klever uit 1992 die Spinoza's leermeester Franciscus van den Enden aan de vergetelheid ontrukte. Spinoza bleek op belangrijke punten schatplichtig aan zijn mentor. Klever toonde daarmee aan dat de filosoof geen eenzaam genie was, die uit het niets kwam opzetten.

Wie toch breed opgezette, internationaal georiënteerde, goed leesbare werken over de Lage Landen zoekt, komt de laatste decennia vooral uit bij Britse historici. Boeken als The Dutch Revolt van Geoffrey Parker, Culture and society in the Dutch Republic van Leslie Price, The Seaborne Empire van Charles Boxer en Embarrassment of Riches van Simon Schama gelden als standaardwerken, staan op de literatuurlijst van elke geschiedenisstudent en slaan aan bij een breed publiek.

Als verklaring voor het succes van de Britse historici wordt vaak verwezen naar de Londense leerstoel Nederlandse geschiedenis. Jonathan Israel en zijn vier Nederlandse voorgangers, Pieter Geyl, G. J. Renier, Ernst H. Kossmann en Koen Swart, zouden vanaf 1919 in Groot-Brittannië de belangstelling voor het verleden van de Lage Landen hebben opgewekt.

Volgens Israel wordt dat verband terecht gelegd. Leslie Price, die in 1994 nog een nieuw boek publiceerde over het politieke systeem van de Republiek, studeerde bij Ernst Kossmann. Ook Alistair Duke, een groot kenner van de Reformatie, werd sterk door Kossmann beïnvloed, hoewel hij formeel nooit een leerling van hem was.

De andere Britse historici die over de Nederlanden schrijven, zijn echter geen erfgenamen van de professoren op UCL. Over het algemeen kwamen zij via de geschiedenis van andere landen terecht bij die van de Republiek. Simon Schama, maar ook Israel zelf, zijn daar voorbeelden van. Beiden maakten de omweg via de Spaanse geschiedenis.

In 1985 werd Israel hoogleraar, de eerste niet-Nederlander op deze post. Wie meent dat Londen juist een Brit aanstelde om bij de vakbroeders en het grote publiek in eigen land meer belangstelling voor de Nederlandse geschiedenis te wekken, heeft het bij het verkeerde eind. Israel: “Er zaten geen ideologische redenen achter mijn benoeming. Het salaris was zo laag, dat geen enkel vooraanstaand historicus er zijn betrekking aan een Nederlandse universiteit voor wilde opzeggen.”

“Sommige van mijn voorgangers bleken trouwens uitstekende ambassadeurs voor de Nederlandse cultuur. Met name Renier (hoogleraar van 1936 tot 1957) wist zich erg populair te maken. Niet vanwege de Nederlandse geschiedenis - hij was niet bepaald een belangrijk historicus - maar door zijn andere publikaties. Hij schreef een boek over Oscar Wilde, dat eigenlijk ook niet echt bijzonder is en een bestseller: The British, are they human? Mijn landgenoten zwelgden toen nog in een arrogant superioriteitsgevoel. Ze vonden het heerlijk om als excentriekelingen afgeschilderd te worden.”

“Toch maakt het soms verschil dat ik een Brit ben. Een Nederlandse hoogleraar zou niet tegen mijn collega's kunnen zeggen: 'Jullie overdrijven steeds de betekenis van iemand als de zeventiende-eeuwse wijsgeer John Locke. Het is helemaal niet zo dat hij schreef en de rest van Europa simpelweg volgde. Kijk nu eens wat er in die tijd in de Republiek gebeurde.' Ze zouden het niet serieus nemen en zeggen: 'Hij moet dat wel beweren'. Als ik het doe, is het toch een ander verhaal.”

Wat het jarenlange verblijf in Londen precies betekend heeft voor de ontwikkeling van de vier Nederlanders die daar het hoogleraarschap bekleedden, kan Israel moeilijk aangeven. Hij wijst erop dat Kossmann zijn standaardwerk 'De Lage Landen, 1780-1940' tijdens zijn verblijf op UCL schreef en allereerst in het Engels. Ook staat voor hem vast dat Geyl zonder zijn tijd op UCL nooit zoveel internationale faam zou hebben vergaard. “Maar het waren natuurlijk nooit de eerste de besten die benoemd werden.”

Koen Swart, zijn directe voorganger, heeft volgens Israel echter nooit de erkenning gekregen die hem toekwam. In Londen ontwikkelde Swart zich tot een groot Willem van Oranje-kenner. Israel roemt zijn boek over de prins dat - posthuum - juist ten tijde van de Londense conferentie in Nederland uitkwam. “Swart plaatst hem eindelijk in een groter verband dan de Nederlanden. Oranje is bij hem een Europese vorst, afkomstig uit Duitsland, met heel goede contacten in Frankrijk, die bij alles wat hij deed de internationale situatie in de gaten hield.”

De Nederlanders mogen een ruimer perspectief hebben gekregen doordat ze in Londen op enige afstand van het 'vaderland' zaten, in hun methodiek zijn ze niet beïnvloed door de Britten. “De Engelsen hechten aan een verhalende geschiedschrijving, zijn weinig theoretisch onderbouwd. De Nederlanders zoeken die ideeën wel. Zij hebben altijd meer naar de Franse traditie geneigd.”

Pieter Geyl maakte als eerste hoogleraar jarenlang alleen de hele vakgroep uit. Driekwart eeuw later telt UCL naast die voor geschiedenis nog twee 'Nederlandse' leerstoelen, beide voor taal- en letterkunde. Samen met een Britse kunsthistoricus, die gespecialiseerd is in zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst, vormen de vakgroepen sinds 1986 het Centre for Low Countries Studies. De Vlaming Theo Hermans leidt dit onderzoeksverband, het grootste in zijn soort buiten de Benelux.

Het centrum floreert. Toen een paar jaar geleden de Britse universiteiten doorgelicht werden, kwamen de Low Countries Studies bijzonder goed uit de bus. Geen wonder dat UCL de financiering sinds enige tijd grotendeels voor zijn rekening neemt. De Taalunie levert op dit moment nog maar een kleine bijdrage, die vooral besteed wordt aan de bibliotheek. Het aantal studenten groeit voorzichtig. De meeste kiezen het Nederlands echter wel als bijvak. Dezelfde situatie doet zich voor bij geschiedenis: weinigen kiezen het als hoofdvak.

De vakgroep geschiedenis op UCL zal volgens Israel ook in de toekomst een belangrijke rol blijven spelen binnen de Nederlandse geschiedschrijving. Vanuit Londen wil hij zijn vakbroeders overzee blijven aansporen om breder te lezen en bij hun onderzoek over de landsgrenzen te kijken. Dit jaar nog moet zijn nieuwste, ongetwijfeld weer lijvige boek verschijnen. Het onderwerp is opnieuw ruim gekozen en is bedoeld als een synthese van het al onderzoek over de Republiek: The Dutch Republic: Rise, Greatness and Fall (1477-1806).

Hij hoopt dat de kritiek overzee dit keer wel voldoende oog zal hebben voor wat hij noemt zijn 'radicale' kijk op het Nederlandse verleden. “Het is toch opvallend dat binnen een cultuur die zich portretteert als open en cosmopolitisch, zo weinig belangstelling bestaat voor een internationaal geöriënteerde geschiedsschrijvijng. Dat zou er op kunnen wijzen dat die cultuur alleen in zijn eerste reacties zo naar buiten toe gericht is, maar onderhuids helemaal niet zo open is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden