Hoe men de filosofie een dienst bewijst

Geen lof is te groot voor de filosofie. Zij geeft vertroosting in moeilijke tijden en helpt ons het leven door te komen zonder angst. Dat schreef de Romeinse politicus en filosoof Cicero na de dood van zijn dochter, terwijl hij tot overmaat van ramp ook nog eens in ballingschap verkeerde. Filosofie is een soort wereldse wijsheid die ons, net als religie, kan leren met dit leven in het reine te komen. Maar in de tijd van Cicero was de filosofie nog een overzichtelijke erfenis van Grieks gedachtengoed. Men had Socrates, Plato, Aristoteles en de stoïcijnen. Deze figuren dachten grotendeels vanuit verwante vooronderstellingen.

Wie tegenwoordig vertroosting zoekt bij de wijsbegeerte moet kiezen uit een veelheid van totaal verschillende stelsels en personen. Zelf leerde ik de eerste ditjes en datjes uit Joachim Stoerigs tweedelige 'Geschiedenis van de filosofie'. Ook nu nog zijn dat alleszins lezenswaardige boekjes. Na verloop van tijd ging echter één ding opvallen: al die filosofen hebben volgens Stoerig min of meer gelijk. Eerst heb je filosoof A. Die is heel knap en hij zegt dit en dat. En dan heb je filosoof B. Die is ook heel knap, maar hij zegt zus en zo. Nu wil je als lezer dat knappe wel geloven, maar als die filosofen allemaal verschillende dingen leren moet toch een deel van hen het bij het verkeerde eind hebben. Wanneer je die filosofen daarna zelf gaat lezen, blijkt dat ze elkaar niet alleen tegenspreken, maar dat zij elkaar bovendien uitmaken voor alles wat lelijk is. Karl Popper is van mening dat het werk van Theodor Adorno een obscuur soort Wichtigtuerei is. Arthur Schopenhauer noemde de filosofie van Hegel gekkengeklets en waanwijsheid. In de Middeleeuwen, en in de zestiende en zeventiende eeuw werd het wijsgerig debat verlevendigd door af en toe een filosoof die verdacht werd van ideeën die niet met de kerkleer overeenkwamen op de brandstapel te gooien, zoals Giordano Bruno overkwam.

Een kritisch consument van de wijsbegeerte kan geen allemansvriend zijn, zoals Stoerig. Want filosofen die elkaar zo heftig bestrijden kunnen niet allemaal gelijk hebben. De enige manier om die conclusie te vermijden is door filosofie te zien als een kunst waarover slechts een smaakoordeel valt te geven.

De wijsgeer Fichte bracht dat tot uitdrukking met de woorden: wat voor soort filosofie men kiest, hangt ervan af wat voor mens men is. Het probleem is echter dat wie die weg gaat, van filosofie een soort geloof (fides) maakt, terwijl het pretendeert verstandelijk toetsbaar te zijn (ratio).

Maar hoe toets je of een filosofie juist is? Een vermakelijk en even briljante als voor de hand liggende antwoord op deze vraag, stamt van de Amerikaan Alan Sokal en de Belg Jean Bricmont. Zij hadden het vermoeden dat een groep postmoderne filosofen eigenlijk niets te melden hadden (Zie ook: 'Het intellectueel bedrog van de postmodernisten', van Rosan Hollak in Trouw, 29-10-98). Jean-Francois Lyotard en Jacques Lacan betoveren hun publiek met bezwerende gemeenplaatsen, maar ze stellen in wezen niets voor. Nu is dat natuurlijk bekend, maar het probleem is: hoe ontmasker je de bedriegers? Het is op dit punt dat Sokal en Bricmont een prachtige zet hebben gedaan. Zij hebben een natuurwetenschappelijke achtergrond en dus kozen zij voor een experiment om hun punt duidelijk te maken. Zij schreven een obscuur artikel met daarin dezelfde onzinnige dingen als deze postmoderne filosofen beweren. Vervolgens stuurden zij dat artikel op naar een tijdschrift dat door postmodernisten wordt beheerd en wachtten af wat gebeurde. En inderdaad, hun stuk werd geplaatst.

Als je het mij vraagt hebben Sokal en Bricmont de filosofie een grote dienst bewezen. Vindt u niet?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden