Hoe Mao moeiteloos werd ingeruild voor Jezus

Het aanpassingsvermogen van de SP komt voort uit haar maoïstische traditie, zegt historicus Gerrit Voerman die de geschiedenis van de partij bestudeert. Ook de recente herwaardering van het christendom onder SP’ers sluit hierbij naadloos aan.

Mijn vriend had een wijngaard.

Omheinde woestijn, ruimde stenen.

Zaaide water, stekte het licht.

Wat oogstte hij? Ontuig.

Mijn vriend is rechtlijnig, een dromer.

Hij ziet de armen geplunderd.

Doorziet de clevere aanpak, het grootste

gelijk van de markt.

Mijn vriend is een drammer.

Het kwaad noemt hij kwaad.

Hij is mijn enige god.

Hij zegt: Breek het recht van de sterkste.

Dit ’Lied van de wijngaard’ staat afgedrukt in een brochure die recentelijk is uitgegeven door de Socialistische Partij (SP). De titel van die publicatie is ’Red hen die geen verweer hebben’, de auteur is de bekende dichter en theoloog Huub Oosterhuis. Het is opmerkelijk dat uitgerekend de SP een bundel met christelijk geïnspireerde overdenkingen en liederen uitgeeft. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Lange tijd had de SP immers weinig op met religie. De partij hing het marxisme-leninisme aan, en in deze maatschappijopvatting was het christendom primair een middel van de heersende klasse om de bestaande maatschappelijke ongelijkheid in stand te houden.

De SP kwam aan het begin van de jaren zeventig voort uit de maoïstische beweging, die in het decennium ervoor was ontstaan. De partij beriep zich op het marxisme-leninisme, ’verrijkt met het denken van Mao’, en zette zich in voor een socialistisch Nederland. Ze baseerde zich daarbij op een wat gesimplificeerde versie van het klassieke marxistische ontwikkelingsmodel van de samenleving, die zich van een primitieve vorm van communisme via de slavenhoudersmaatschappij, het feodalisme en het kapitalisme met een ’ijzeren noodwendigheid’ zou ontwikkelen tot het socialisme. De slotfase van dit ’objectieve’ historische proces zou zich kenmerken door het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. De klassentegenstellingen zouden zijn verdwenen, de mensheid was bevrijd.

Dit profetische perspectief op een nieuwe wereld zonder uitbuiting en vervreemding mag in veler ogen sterk religieuze trekken vertonen, de SP zelf zag het als de wetmatige uitkomst van de tegenstelling tussen de zich ontwikkelende productiekrachten en de productieverhoudingen.

Het filosofische uitgangspunt van de SP was in die tijd het historische en dialectische materialisme. „Het bewustzijn is op geen enkele wijze te scheiden van de materie”, aldus de SP in haar scholingsmateriaal in 1974. In deze zogenaamd ’wetenschappelijke’ theorie van het socialisme was vanzelfsprekend geen plaats voor metafysische elementen. Godsdienst werd gezien als het gevolg van een vals bewustzijn, dat door de heersende klasse zou worden bevorderd om de uitgebuitenen tot aanvaarding van de bestaande, ’door God gegeven’ orde te brengen en hen van verzet af te houden. „Religie is opium van het volk”, schreef Marx. „Het werkelijk geluk van het volk eist de opheffing van de religie als het imaginaire geluk van het volk. [] De kritiek op de hemel wordt zodoende getransformeerd tot de kritiek op de aarde [], op het recht [], op de politiek.” Marx’ instrumentele, negatieve visie op religie werd door de SP geheel onderschreven. „De sterke greep van de kerkelijke instellingen op het openbare leven bijvoorbeeld, maakte het haar gemakkelijk om godsdienstige tegenstellingen boven de klassenstrijd te stellen. De oprichting van konfessionele vakbonden en politieke partijen getuigt daarvan.”

De SP mocht Mao dan als een lichtend voorbeeld beschouwen, na zijn dood in 1976 schoof de partij een aantal van zijn leerstellingen terzijde. De grillige buitenlandse politiek van China speelde hierbij een rol, maar waarschijnlijk ook de nogal teleurstellend verlopen kamerverkiezingen van 1977. De SP verklaarde zich nu vooral op Nederland te willen richten. Mao verdween uit beeld, maar het marxisme-leninisme bleef onverkort gehandhaafd. In de nieuwe beginselverklaring die het partijcongres in 1987 aannam, stelde de partij: „De SP is marxisties-leninisties omdat zij het wetenschappelijk socialisme hanteert als uitgangspunt en leidraad. [...] Met behulp van onze wereldbeschouwing, het dialektisch en historisch materialisme, zijn wij in staat een konkrete analyse te maken van de konkrete situatie.” De negatieve opvatting van religie bleef dan ook bestaan – in ieder geval op ideologisch niveau. In de dagelijkse praktijk was daarvan niet zoveel te merken.

Stuwende kracht achter het voortdurende aanpassingsproces van de SP was haar populistische oriëntatie, die in het maoïsme besloten ligt. Van meet af aan was de partij beducht voor stellingnames die haar van de bevolking zouden kunnen isoleren. Op cruciale momenten in haar geschiedenis bleek de SP bereid afstand te doen van opvattingen die een barrière vormden voor het winnen van nieuwe aanhang. Daarbij bleef ze altijd wél binnen de door haar identiteit bepaalde bandbreedte. Zo heeft de partij gemakkelijk afscheidgenomen van standpunten over het koningshuis en de Navo, die ze als minder fundamenteel beschouwt. Maar de SP zal niet ineens de marktwerking in de gezondheidszorg omarmen.

Na de demaoïsatie aan het einde van de jaren zeventig raakten rond 1990 opnieuw enkele ideologische uitgangspunten in het ongerede. In de jaren tachtig was de electorale steun van de partij op lokaal niveau toegenomen, maar bij de kamerverkiezingen kwam de SP steeds adem te kort. Toen in 1989 opnieuw de landelijke doorbraak uitbleef, besloot zij tot een nieuwe lijn. Het beeld van lokale actiepartij moest ingeruild voor een helder nationaal profiel. Verder schrapte het partijcongres na de ondergang van het communisme in Oost-Europa en de Sovjet-Unie in 1991 het begrip marxisme-leninisme, omdat het te veel verwarring zou wekken. Volgens partijleider Jan Marijnissen was „het etiket langzamerhand als een molensteen om onze nek gaan hangen”.

Het socialisme van de SP kreeg geleidelijk aan een sterkere morele invulling. In plaats van het gemeenschapsbezit van de productiemiddelen kwam nu de trits menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit centraal te staan. Tegelijkertijd verdween het begrip ’socialisme’ als zodanig naar de achtergrond. In het verkiezingsprogramma van 1998 bijvoorbeeld kwam de term in het geheel niet meer voor.

Deze veranderde invulling en positie van het socialisme werd gecodificeerd in een nieuw beginselprogram ’Heel de mens’, dat in 1999 werd vastgesteld. Na deze derde ideologische facelift was het socialisme voor de SP niet langer meer de uitkomst van een objectief, wetmatig historisch proces – het werd voor haar zelfs niet meer een richtinggevend perspectief.

In ’Heel de mens’ stelde de partij expliciet dat het socialisme geen blauwdruk is voor een toekomstige samenleving, noch een ’heilsprofetie’ die volstaat met de belofte dat het achter de horizon allemaal beter is. De SP beschouwde zichzelf nog wel op weg naar een ’betere wereld’, maar stapte af van het bepalende leerstuk van het socialisme dat de rechtvaardige maatschappij zou zijn bereikt wanneer de productiemiddelen waren vergemeenschappelijkt.

Deze vernieuwing had opnieuw tot doel om obstakels weg te nemen tussen de partij en haar potentiële achterban, aldus partijsecretaris Tiny Kox. Zij was bedoeld „om een brug te slaan naar mensen die in het verleden wellicht goede gronden hadden om zich niet bij ons aan te sluiten”. Het electorale potentieel van de partij werd door de herdefiniëring van het socialisme inderdaad groter. Stemmen op de SP betekende – in theorie althans – niet langer het instemmen met een marxistische zienswijze, maar het delen van zekere waarden en normen. Deze fundamentele Umwertung had tevens als gevolg dat de opstelling van de partij tegenover godsdienst veranderde. „Die morele waarden zijn niet bij Pinksteren als heilige tongen op ons neergedaald, van een hogere macht gegeven”, aldus partijleider Jan Marijnissen in december 1994, en dat lijkt nog niet op al te veel waardering voor religie te duiden. Hij voegde er echter aan toe: „Die morele waarden zijn het resultaat van Europese geschiedenis. De SP sluit aan bij het rationalisme, het humanisme, gedeeltelijk ook het christendom.” Die laatste toevoeging is betekenisvol: voor het eerst knoopte de SP – voorzichtig, dat wel – aan bij de christelijke traditie, en dan in het bijzonder bij de sociale stroming binnen het christendom.

De vervanging van de marxistisch-leninistische, ’wetenschappelijke’ invulling van het socialisme door een moreel getoonzette inhoud, maakte ruimte voor een positievere benadering van religie en christendom. Partijleider Marijnissen lijkt een vergelijkbare ontwikkeling te hebben doorgemaakt. Opgevoed in een rooms-katholiek milieu brak hij al op jeugdige leeftijd met het geloof, op grond van persoonlijke ervaringen en rationele overwegingen. Nadat zijn vader was gestorven, ging hij – tien jaar oud – naar een rooms-katholieke kostschool, waar hij naar eigen zeggen de ’hypocrisie van het geloof’ aan den lijve ondervond. Daarnaast kon de jonge Marijnissen de goddelijke voorzienigheid niet in overeenstemming brengen met de eigen verantwoordelijkheid van ieder mens. Ook al het maatschappelijke onrecht liet zich in zijn ogen niet verenigen met het bestaan van een opperwezen. Hij vond het „ongerijmd om te spreken over een almachtige God, die wel de meest vreselijke dingen laat voortbestaan”. De hierboven beschreven negatieve kijk van het marxisme op de godsdienst klinkt ook bij hem door. „Religieus denken is in de politiek inproductief”, zei Marijnissen in 1996. Het draagt „in het algemeen niet veel bij aan maatschappelijke verandering”.

Net als zijn partij nam Marijnissen tegen het einde van de jaren negentig een welwillender houding tegenover de godsdienst aan: van atheïst (hij was ooit lid van vrijdenkersvereniging De Dageraad) werd hij agnost. De SP-leider zei nu zich aangesproken te voelen door het katholieke gedachtengoed „in termen van naastenliefde, altruïsme en gedienstigheid”. Bij deze herwaardering speelden opnieuw persoonlijke ervaringen een rol; Marijnissen zag dat zijn moeder veel steun aan het geloof ondervond. Later zou hij opmerken dat er in de geschiedenis van het christendom vele inspirerende figuren waren geweest, zoals Jezus Christus en Johannes de Doper.

Het is zeer wel denkbaar dat op deze herwaardering niet alleen Marijnissens moeder, maar ook Huub Oosterhuis van invloed is geweest. Deze prominente dichter en theoloog was in 1964 tot priester gewijd. In 1970 ontnam het Vaticaan hem zijn priesterschap, waarna Oosterhuis als ’buitenkerkelijk priester’ zijn ecclesia voortzette. Daarnaast richtte hij in Amsterdam de culturele centra De Populier en De Rode Hoed op. Politiek stond Oosterhuis links. Eerst was hij lid van de PPR, maar uit bewondering voor Joop den Uyl trad hij toe tot de PvdA. Toen de SP na de verkiezingen van 1994 in de Tweede Kamer was gekomen, voelde Oosterhuis zich al snel aangesproken door Marijnissen. Hij nodigde de SP-leider uit voor een debat over het thema ’Een hemel op aarde?’. De bijdrage van Marijnissen getuigde toen nog geheel van de klassieke marxistische kijk op de godsdienst. „Het christendom en andere bestaande religies houden de mensen eerder passief. [] Er zijn maar weinig religieuze mensen die teruggaan naar hun roots en daaraan inspiratie ontlenen om de hand aan de ploeg te slaan.”

Oosterhuis was wél zo’n persoon, en Marijnissen zal dat ongetwijfeld hebben gezien. Net als de SP-leider was de gewezen priester „verontwaardigd en woedend over deze wereld”. Oosterhuis zag een sterke verwantschap tussen Jezus en Marx. Hij beschouwde „het profetisch-bijbelse en het socialistische visioen [als] geestverwant”, want beide streefden naar een nieuwe, rechtvaardige wereld. „De mens de mens een naaste”, zo typeerde Oosterhuis in 1996 de essentie van het socialisme. En dat kwam niet alleen inhoudelijk, maar ook in woordgebruik heel dicht in de buurt van hoe de SP er in deze periode over was gaan denken. De ’politieke lezing’ van de Bijbel door Oosterhuis – vanuit het perspectief van de armen en onderdrukten – zal Marijnissen hebben aangesproken, evenals diens pleidooi dat mensen elkaar moeten inspireren om te werken aan ’een nieuwe wereld’.

Al met al wekte het dan ook geen verbazing dat de twee na hun eerste ontmoeting in 1994 met elkaar bevriend raakten. Ze zouden elkaar regelmatig zien, en ze sloegen ook de handen ineen. Beiden waren gangmakers achter het initiatief ’Stop de uitverkoop van de beschaving’, waarbij ook Freek de Jonge en Dorien Pessers waren betrokken. Ook hielp Oosterhuis Marijnissen bij het schrijven van diens in 2003 verschenen boek ’Nieuw optimisme’. Oosterhuis was toen inmiddels lid van de SP. En hij vereenzelvigde zich geheel met zijn nieuwe politieke onderkomen. „Als ik moet uitleggen wat de Bijbel bedoelt, kom ik toch uit bij het SP-partijprogramma”, zei hij in een interview met het SP-blad De Tribune.

Zoals de SP-leiding zich in 1994 realiseerde dat haar traditionele marxistische interpretatie de verdere electorale groei wel eens zou kunnen belemmeren en dat aanpassing van het ideologische profiel geboden was, zo lijkt zij na 2003 te hebben gedacht dat er winst te behalen zou zijn onder de meer sociaal ingestelde CDA-kiezers. Door zich nadrukkelijker positief tegenover het christendom op te stellen, kon zij schieten onder de duiven van het CDA. Geen vreemde gedachte, gezien de grote impopulariteit van het tweede, centrum-rechtse kabinet-Balkenende en het feit dat ook een deel van de achterban van het CDA uiterst kritisch stond tegenover de sociale politiek van de regeringscoalitie en haar beleid ten aanzien van asielzoekers. De positieve positionering ten opzichte van het christendom bleek onder meer uit een welwillend dubbelinterview in De Tribune van januari 2006 met hulpbisschop Everard de Jong van Roermond en partijleider Marijnissen, en uit het optreden van een gospelkoortje tijdens het verkiezingscongres in oktober van dat jaar.

Ook anderszins maakte de SP in de aanloop naar de kamerverkiezingen van november 2006 avances naar de sociaal voelende christen-democratische kiezer. Ronald van Raak, directeur van het wetenschappelijk bureau van de partij en senator, probeerde inhoudelijk een brug te slaan tussen socialisme en christendom. Aan de ene kant benadrukte hij de ethische kanten van het socialisme, door uitgebreid in te gaan op de morele aspecten van de kritiek van Marx en Engels op het kapitalisme in het ’Communistisch manifest’. Relevanter en ongetwijfeld aansprekender was zijn beklemtoning van de socialistische traditie binnen het christendom, die hij zichtbaar maakte in de personen van de (voormalige) predikanten Domela Nieuwenhuis, Bart de Ligt en Jan Buskes. In lijn hiermee positioneerde Van Raak de SP „als wijkplaats voor christelijke socialisten”.

Natuurlijk werd dat laatste niet krachtiger gesymboliseerd dan door Oosterhuis als lijstduwer op de kandidatenlijst van de SP te plaatsen. De gewezen priester verheelde niet waarom Marijnissen hem had gevraagd. „De SP is een goede partij die ik duw om vooral aarzelende christenen, die zich niet meer herkennen in het CDA, een zetje te geven richting de SP.” Het zal niemand verbazen dat Oosterhuis van mening was dat het CDA zijn inspiratiebron, de Bijbel, ’ontrouw’ was geworden, vooral als het ging om het asielbeleid. Hoewel reeds op leeftijd, zette Oosterhuis zich volop in voor de campagne van de SP. Zo sprak hij het partijcongres toe en trok hij door het land.

De recente herwaardering voor religie is het zoveelste voorbeeld van het grote adaptatievermogen van de SP. De toenadering tot het christendom past in haar strategie om het electorale bereik te maximeren, desnoods ten koste van vroegere stellingnames. Huub Oosterhuis speelde in dit proces vermoedelijk een belangrijke rol – voor de partij én voor Marijnissen. Zijn succes als lijstduwer die het sociale christenen eenvoudiger moest maken om SP te stemmen, was op het eerste gezicht beperkter: 1.721 mensen stemden op hem, 0,6 procent van het totaal aantal SP-stemmers. Uit kiezersonderzoek blijkt bovendien dat acht procent van de SP-kiezers in november 2006 eerder CDA heeft gestemd.

De inbraak van de SP in het christen-democratische electoraat is vooralsnog beperkt gebleven. Het CDA trekt in de strijd om de christelijke ziel voorlopig aan het langste eind.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden