Hoe kunnen wij doordringen tot rare woorden als Tao en Li

Een delegatie van vijf Chinese filosofen is naar de Katholieke Universiteit Leuven gekomen om de verschillen tussen het Chinese en Westerse denken bloot te leggen. Kan de Tao de jing wel als een filosofisch werk worden opgevat? Was Confucius' leer een filosofie?

Stel je voor: in het begin van deze eeuw wordt Bertrand Russell in een Chinees dorp neergezet waar men nog nooit van stenen huizen, stromend water en elektriciteit heeft gehoord. Als hij daar aan zijn publiek een beschrijving van Piccadilly street in Londen zou geven, zou niemand, zelfs al werd het keurig in het Chinees vertaald, kunnen begrijpen waar hij het over heeft. Men zou misschien uit zijn woorden opmaken dat hij spreekt over geesten met brandende rode ogen, over een fonkelende sterrenhemel, of een weelderig paleis vol lawaaiige monsters. Maar echt begrijpen? Nee. Uiteindelijk spreekt hij vanuit een leefomgeving en een denktraditie die zijn gehoor niet kent.

Russell, die in 1920 als leraar naar China ging, schreef dat een absolute overeenstemming tussen de gedachten van een spreker en een toehoorder een onmogelijkheid is, en, als het wel mogelijk zou zijn, ongewenst: “Het zou absoluut fataal zijn wanneer ieder hetzelfde bedoelt als een ander”, schreef hij twee jaar voor zijn vertrek in Logic and Knowledge. “Het zou al het sociale verkeer onmogelijk maken en taal tot het meest hopeloze en nutteloze ding reduceren dat je je maar kunt voorstellen. De betekenis die je aan je woorden ontleent, is afhankelijk van de objecten waar je bekend mee bent. Aangezien verschillende mensen met verschillende objecten vertrouwd raken, kunnen ze niet met elkaar praten tenzij ze verschillende betekenissen aan hun woorden toeschrijven.”

Nu, tachtig jaar later, is een delegatie van vijf kleine wijze Chinezen naar de Katholieke Universiteit Leuven gekomen om de verschillen tussen het Chinese en Westerse denken bloot te leggen. De filosofen Chen Lai, Wang Bo, Zhang Xianglong, Wang Shouchang en Guo Jianning van de Peking Universiteit spraken een week lang over neo-confucianisme, taoïsme en moderne Chinese filosofie.

Het waren moeilijke onderwerpen die de overvolle zaal, gevuld met jonge filosofiestudenten en fanatieke sinologen die de alternatieve mode van de jaren zestig nog niet achter zich hadden gelaten, vijf ochtenden voor de kiezen kreeg. Chinese filosofie is ook een vreemd onderwerp, aangezien de term filosofie tot voor kort niet eens bestond in de Chinese taal. Het begrip 'filosofie' werd aan het eind van de negentiende eeuw in China geïntroduceerd door de Japanners. De Jingshi Universiteit, nu bekend als de Peking Universiteit, richtte in 1914 een filosofiefaculteit op. Vanaf dat moment werd de geschiedenis van de Chinese filosofie bestudeerd, maar wel zo dat de cultuur en het gedachtengoed van China op een Westerse wijze werden bediscussieerd en geïnterpreteerd. De Chinese filosofie werd ontwikkeld door klassieke Chinese kennis te analyseren en te bestuderen met behulp van Westerse filosofische concepten.

Hu Shi die, als één van de eerste filosofen, een overzichtswerk over de geschiedenis van de Chinese filosofie schreef, zei hierover: “Als we een grondige kennis van de geschiedenis van de Chinese filosofie willen krijgen, kunnen we ter interpretatie en gevolgtrekking niets anders doen dan een andere filosofie als instrument gebruiken.”

Lange tijd is de geschiedenis van de Chinese filosofie op marxistische wijze bestudeerd. Maar de afgelopen jaren zijn steeds meer academici zich gaan afvragen welke beperkingen zij zichzelf opleggen met het gebruik van Westerse concepten ter interpretatie van Chinese kennis. De vraag is of het Chinese gedachtengoed wel binnen 'een geschiedenis van de filosofie' geplaatst kan worden. Kan het bekendste geschrift van het taoïsme, de Tao de jing (Het boek van Weg en Deugd) wel als een filosofisch werk worden opgevat? Was Confucius' leer een filosofie? De academici uit Peking bevinden zich op dit moment in een verknipte situatie. Enerzijds kan men Chinese filosofie bestuderen door haar als filosofie te benaderen, maar daarmee wordt haar Chinese karakter te kort gedaan. Anderzijds kan men zich toeleggen op de Chinese aspecten, maar daardoor kan blijken dat er eigenlijk niets filosofisch in de oude teksten terug te vinden is.

Chen Lai, hoogleraar aan de Peking Universiteit en voormalig gastdocent aan de Universiteit van Harvard en Tokio, geeft aan waar de problemen liggen. De centrale ideeën en uitdrukkingen in de klassieke Chinese filosofie zijn slecht in een Westerse taal over te brengen. De teksten waarin de Chinese klassieken zijn geschreven, zijn zelfs moeilijk om te buigen naar het moderne Chinees. Voor sommige klassieke begrippen uit het confucianisme of het taoïsme heeft men in China nog steeds geen toereikend equivalent gevonden. Daarbij zijn er verschillende betekenissen voor begrippen ontstaan al naar gelang de context waarbinnen ze door Chinese denkers zijn gebruikt. Deze kunnen al helemaal slecht geplaatst worden binnen de filosofische categorieën van de Westerse filosofie.

Chen Lai geeft een voorbeeld. Lao Tzu, de anonieme Oude Meester van wie wordt beweerd dat hij de auteur is van de Tao de jing, schreef over het begrip 'Tao': “Er was iets ongedifferentieerds en tegelijkertijd compleet dat al bestond voor hemel en aarde. Beschouw het als de moeder van het universum. Ik ken haar naam niet, maar ik noem het 'Tao'.”

Tao's cosmologische rol is die van 'oorsprong'. Maar de betekenis van Tao als oorsprong moet niet verward worden met hoe in de Westerse filosofie met hetzelfde begrip wordt omgegaan. In het Westerse denken wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën (zoals 'idee', 'water', 'vuur' of 'atoom') om de oorsprong van het universum mee aan te duiden. Elke categorie kan worden opgevat als een beginpunt van een metafysica. Maar 'Tao' is meer dan dat. Het is een allesomvattend begrip dat niet binnen een categorie kan worden ingedeeld.

Een ander concept dat in China door de eeuwen heen een geheel eigen betekenis heeft gekregen is het idee van tijd. Professor Zhang Xianglong, die in de Verenigde Staten promoveerde met een proefschrift over 'Heidegger en Taoïsme', zet uiteen hoe de Chinese opvatting van tijd in een totaal andere, niet-Westerse denktraditie staat. Vanaf de middeleeuwen zijn er in het Westen twee begrippen van tijd ontstaan. Binnen de christelijke traditie wordt tijd op een theologische manier begrepen via de verhouding tussen mens en God. Tijd, of de geschiedenis, is lineair en gericht op een eindpunt: het Laatste Oordeel. Het andere begrip is wetenschappelijk. In het Westen wordt tijd ingedeeld en onderverdeeld in eenheden en steeds nauwkeuriger gemeten. Tijd wordt functioneel gebruikt.

Volgens Xianglong was dit in de klassieke Chinese filosofie anders. Voor de Qin-dynastie (221 voor Christus) was het begrip van tijd nauw verwant met het leven.

In de I Ching, het canonieke Boek der Veranderingen dat waarschijnlijk dateert uit de vijfde eeuw voor Christus, wordt de gedachte uitgedrukt dat alle processen, zowel in de kosmische als in de mensenwereld, worden beheerst door twee complementaire oerprincipes: yin en yang. De tekst van de I Ching bestaat uit 64 hexagrammen: 64 mogelijke combinaties van zes gebroken of ongebroken lijnen. Elk hexagram beeldt, door een mix van yin en yang, een karakteristieke situatie uit (bijvoorbeeld opkomst, conflict of aarzeling). Het lijkt een statisch schema, maar de boodschap die erachter steekt is dat elke situatie in beweging is en overgaat in de volgende. Het lot van de individuele mens maakt deel uit van één grote bewegingscyclus die de drie niveau's van hemel, aarde en de mensenwereld omvat. Het juist interpreteren van een hexagram brengt iemand terug naar een oorspronkelijke situatie. Tijd wordt op een existentiële manier begrepen. Tijd krijgt een in het Westen onbekende ethische dimensie, vanwege zijn nauwe verbondenheid met het menselijke bestaan en gedrag.

Xianglong legt het als volgt uit: “Tijd is niet alleen verbonden met het ritme van de seizoenen maar bijvoorbeeld ook met de staat en maatschappij en de fysieke en psychische componenten van de mens. Rond 300 voor Christus verenigde de denker Zou Yan het binaire systeem van yin en yang met vijf elementaire krachten: hout, metaal, vuur, water en aarde. Daarmee maakte hij een netwerk van correlaties en cyclische processen mogelijk dat betrekking heeft op alle aspecten van het menselijk leven. Zo kan de werking van de organen en de emoties van de mens worden beschreven in termen van yin en yang en de vijf elementaire krachten. Het vertelt hoe je in bepaalde periodes moet leven om gezond te blijven en hoe je bepaalde ziektes kan voorkomen. De lente is bijvoorbeeld een tijd van ontluiking en bloei. In die tijd is het verstandig om vroeger op te staan, luchtige kleding te dragen en het haar vrij te laten. In het Westen wordt hiermee geen rekening gehouden: Als je ziek bent neem je gewoon een pil zonder na te gaan wat voor een seizoen het is.”

Wat zegt dit alles over ons mogelijk begrip van de Chinese filosofie? Als er zulke grote verschillen in de Westerse en Chinese denktraditie zijn, stuiten we dan niet op een eindeloos onbegrip? Of kunnen we, zoals Russell daadwerkelijk heeft gedaan, ons wel verplaatsen in de denktraditie van een ander?

Volgens Herman de Dijn, vice-rector humane wetenschappen in Leuven, zal het ons niet gemakkelijk afgaan. Sinds een aantal jaren onderhoudt hij contacten met Chinese filosofen en in april van dit jaar bracht hij een bezoek aan de Peking Universiteit: “Filosofie bestaat voor de Chinezen meer uit levenswijsheid. Sommigen in het Westen zullen de teksten van Confucius niet als filosofie opvatten. Het zijn eerder voorschriften, existentiële uiteenzettingen en weergaven van dialogen. Het verhalende karakter van het denken is in de Chinese filosofie zeer groot. Wij gaan heel anders met filosofie om. Binnen onze metafysische traditie plaatsen wij alles binnen categorieën en brengen onderscheid aan tussen verschillende disciplines zoals ethiek, natuur, politiek of religie. In het boeddhisme en het confucianisme is dat niet het geval. Hoe wij kunnen doordringen tot de betekenis van rare woorden als 'Tao' en 'Li' weet ik niet. Op dit moment hebben wij het inlevingsvermogen voor dit soort oorspronkelijke begrippen verloren. De Westerse metafysica is totaal inadequaat om te vatten wat zowel in ons eigen, als in het Chinese oorspronkelijke denken ooit aanwezig was. Wat we nodig hebben is het terugvinden van een waarheid die in de huidige wetenschap niet meer aan bod komt. Wij hebben geen greep meer op grote begrippen als natuur, onszelf, de medemens en God. Ook de Chinezen hebben dit verloren. De mate waarin zij nu onze Westerse metafysica nabootsen is symptomatisch. In plaats daarvan zouden ze terug moeten gaan naar een oorspronkelijk denken dat in het taoïsme en confucianisme te vinden is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden