Hoe intolerant is de orthodox?

In Israël laten ultra-orthodoxe joden zich steeds luider horen, ten koste van liberalen en seculieren. Hoe zit dat in Antwerpen, waar een grote groep orthodoxe joden is gevestigd?

WILFRED VAN DE POLL

'Ik ben toch geen seksbom?' sist de 75-jarige Micheline Simon. Ze zit samen met haar zoon Jean-Jacques (40) aan een tafeltje in Hoffy's restaurant, een kosjere eetzaak in de joodse buurt van Antwerpen. "En toch gaan ze met hun gezicht naar de muur staan als ik langskom."

Ze heeft het over de vele ultra- orthodoxe mannen met hun pijpekrullen, bontmutsen en lange zwarte jassen die de wijk na bij het Centraal Station bevolken. Mevrouw Simon, naar eigen zeggen een 'normale orthodoxe' jodin, woont er al 43 jaar. "Vroeger was er maar een handjevol. Ik had respect voor ze. Maar nu ze met zovelen zijn, is de straat er echt op achteruitgegaan. Ze zijn asociaal en vies. Een getto, dat is het."

"Mais maman", zegt haar zoon sussend, de lippen getuit. "Dat is toch niet beleefd?"

Een ultraorthodoxe man, die zijdelings naar het gesprek had staan luisteren, steekt opeens een priemende vinger in de richting van mevrouw Simon. Zijn pijpekrullen zwiepen vervaarlijk. "Wij willen niks met vrouwen te maken hebben! Vermenging van de seksen leidt alleen maar tot narigheid!"

Mevrouw Simon, minachtend: "In Israël spugen jullie zelfs op meisjes!"

Inderdaad stijgen de spanningen tussen ultraorthodoxe en seculiere joden in Israël. Toen enkele weken geleden in Beth Shemes een achtjarig meisje bespuugd werd door een ultraorthodoxe man omdat het kind niet kuis genoeg gekleed zou zijn geweest, barstte de bom. Liberale joden trokken naar het woestijnstadje om te protesteren. Waarna ultraorthodoxen in Jeruzalem een tegendemonstratie hielden - in kampkledij van Auschwitz.

Aan de 90-jarige Jacob Friedrich is het allemaal voorbijgegaan. Als hij op zaterdagochtend met waardige tred naar de synagoge loopt, zegt hij: "Ik lees al veertig jaar geen kranten. Een tv heb ik ook niet. De media, die zijn de grootste leugen die er bestaat. Opgelet! Wij hebben het meegemaakt in Auschwitz: 'Jullie gaan de badkamer in'. Met handdoek en zeep. Maar het was geen badkamer. En zo functioneert de hele wereld. Liegen doen ze."

Ach, hij weet best dat er 'extremisten' zijn onder de ultraorthodoxen. "Ik praat dat niet goed, geweld is verboden! Maar dit is geweld uit zelfbescherming, niet uit agressie. Seculiere joden zijn nog erger dan de christenen. Ze dagen ons voortdurend uit. Opgelet! De vijanden in eigen kring zijn het gevaarlijkst."

Van de twintigduizend joden in Antwerpen is naar schatting een kwart tot de helft ultraorthodox. Het zijn zogeheten 'chassidische' joden, afkomstig uit Oost-Europa en Rusland. Als berooide immigranten kwamen ze na de Tweede Wereldoorlog naar de Vlaamse stad: overlevenden van de Holocaust, op de vlucht voor het stalinisme. Meer dan twintig verschillende chassidische groepen vestigden zich in Antwerpen, ieder afkomstig uit een ander gebied en met een andere mythische rabbi als stichter. Ze vormen samen een hechte sociale eenheid. Er zijn zeven scholen voor kinderen, tientallen synagoges en thora-opleidingen, rechtbanken, welzijnsorganisaties en zelfs een eigen ziekenhuis. Een stad in een stad.

Jacob Friedrich is een chabadnik, een lid van de chabad-lubavitch- stroming. Lubavitch is het stadje in Wit-Rusland waar de beweging in de 18de eeuw begon. Inmiddels is die wereldwijd de sterkst groeiende chassidische groep. Friedrich draagt een soort cowboyhoed en geen streimel (bontmuts), want chabadniki's, zo legt hij uit, dragen geen streimel.

Waarom dragen anderen ze wel? En waarom dragen ultraorthodoxen überhaupt kleren uit de 18de eeuw die elk praktisch nut verloren hebben? Een goede vraag, vindt Friedrich. Hij denkt lang na. "Wie begint met zijn kleding te veranderen, gaat ook aan andere zaken morrelen."

Hij houdt halt voor een pand aan de Brialmontlei dat er van buiten precies zo uitziet als alle andere huizen in de joodse buurt: gesloten, een beetje vervallen en slonzig, een weggemoffelde mezoeza naast de deur. Nergens een davidster te bekennen. Alleen de videocamera verraadt dat dit een synagoge is.

Maar wie de drempel overstapt, lijkt regelrecht een schilderij van Marc Chagall te betreden. Gehuld in witte gebedsmantels met zwarte strepen zitten zo'n zestig mannen aan langwerpige tafels boven hun gebedenboeken. Patriarchale baarden, prevelende lippen. Met op en neer gaande hoofden volgen ze gebeden van de voorzanger, die in de richting van Jeruzalem staat.

'Aiaiai' klinkt een lied, in zigeunerachtig mineur, monter en klaaglijk tegelijk. Overdreven hard zingt een tienjarig jochie mee, duidelijk de beste leerling van de klas. Zijn broertje staat er een beetje dromerig naast. Gedachteloos stopt hij de rafelige uiteinden van zijn gebedskwasten in zijn oor.

Als de thorarol naar de voorlees- tafel in het midden wordt gedragen, gaan er ineens allemaal handen de lucht in. "Ze bieden om voor te mogen lezen", fluistert Friedrich. Bieden? "Ja, om geld. De zeven hoogste bieders mogen naar voren komen." Iemand haalt een kaartenbak tevoorschijn en vist er zeven velletjes uit. "Voor ieder gemeentelid is er een kaartje", legt Friedrich uit. "Op de zijkanten staan bedragen. Als jij bent uitgekozen, wordt er een paperclip geschoven op het bedrag dat je geboden hebt, want schrijven is verboden op de sabbat."

De chabadniki's streken eind jaren zeventig in Antwerpen neer. Vanuit het hoofdkwartier van de beweging in New York zond de vermaarde rabbi Menachem Schneerson (1902-1994) vierduizend discipelen over de wereld uit om nieuwe gemeenschappen te stichten. Eén van die gezanten werd naar Antwerpen gestuurd: rabbi Shabtai Slavaticki.

Zegenend kijkt Schneerson, vanuit een lijst aan de muur, de huiskamer in van Slavaticki's appartement aan de Antoon van Dijckstraat. De zestigjarige rabbi woont al ruim twintig jaar in Antwerpen maar spreekt geen woord Vlaams. In het Engels zegt hij: "Ik was vanuit New York naar Israël verhuisd en liever daar gebleven. Maar de rebbe had me hier nodig."

"Overal waar coca-cola is, daar is chabad", zegt zijn vrouw - die niet met naam en leeftijd in de krant wil - als een volleerde marketeer. Ze is Vlaamse en geeft les op een joodse school. "De school vroeg me meer uren te werken, maar ik heb geweigerd. Ik heb negen kinderen en die gaan voor. De familie is het belangrijkste wat er is. In mijn familie bouw ik de samenleving van de toekomst en heb ik de kans mensen helemaal vanaf het begin, vanaf hun genen, te vormen."

In de wereld draait alles om geld, zegt ze. "Op zijn veertiende heeft een kind in het Westen al één miljoen reclame-uitingen gezien. Die boodschappen zijn koud en egocentrisch. Daar moet ik als moeder tegen opboksen. Ik moet concurreren met de straat. Dus ik moet wel heel extreem zijn, om tegenwicht te bieden. Mijn kinderen weten dat ze een missie hebben in het leven. Als jood heb je een zwaarder leven dan als heiden. Joden hebben een roeping."

Het probleem is, zegt ze, dat sommige joden die roeping zijn vergeten. "Het doet mij pijn als ik een jood zie autorijden op de sabbat. Zo'n jood is niet wie hij zou kunnen zijn. Zou móeten zijn. Hij is gehandicapt."

Buiten op straat stapt de 60-jarige Esther Ekstein - geblondeerd haar, kunstgebit - in haar auto. Ze is joodse, maar niet streng in de leer. "Ja, het is net een getto hier. Het hindert me niet. Als je hen niet lastig valt, doen ze jou ook niets."

Heupwiegend loopt een jonge, slanke vrouw over straat. Met haar strakke jeans en rode pumps valt de 35-jarige Sophie van der Walle nogal uit de toon in de wijk. Toch woont de Vlaamse er al tien jaar. "Mij vallen ze nooit lastig", zegt ze. "Een beetje arrogant zijn ze wel. Ze groeten me nooit. Allé, ze hebben ook echt eigen uniformen." Toch vindt ze de wijk 'geweldig'. "Het is hier heel rustig. Alleen jammer dat de wijk steeds viezer wordt."

Armoede is een reëel en groeiend probleem in de wijk. Met de dia- manthandel, waar de joodse gemeenschap in Antwerpen van oudsher op drijft, gaat het steeds slechter. Nog maar twintig procent van de dia-manthandel is in joodse handen, zegt de 38-jarige diamantair Joël Glecer. "De Indiërs hebben het overgenomen. Ze kunnen hun diamanten voor niks laten slijpen in India. Daar valt niet tegenop te concurreren."

En dus verpaupert de wijk. Zicht op een kentering is er niet. Ultraorthodoxe kinderen gaan naar aparte joodse scholen waar zij per week hooguit zes uur aan 'niet-joodse' vakken besteden. Zij krijgen geen door de Belgische staat erkende diploma's en weten vrijwel niets van de wereld buiten hun geloofsgroep. Daardoor zijn hun kansen op de arbeidsmarkt nihil.

"Men kiest voor vroomheid, de armoede neemt men op de koop toe", zegt Ludo Albicht. Hij doceerde filosofie aan de universiteit van Antwerpen en schreef acht boeken over het joodse leven in België. "Ik schat dat een kwart van de chassidische gezinnen een uitkering krijgt van de staat. Hun aantal stijgt snel."

De orthodox-joodse advocaat Henri Rosenberg spreekt van 'zelfverkozen armoede'. Hij maakt zich kwaad over het 'gemakzuchtige' beleid van de Belgische regering. "Het gaat om honderden kinderen per jaar. Die kiezen daar niet voor. Ze worden tot de armoede veroordeeld door hun ouders."

Rosenberg wijst erop dat Belgische kinderen leerplicht hebben en worden geacht te voldoen aan de eindtermen van het Belgische onderwijs. "De Belgische overheid heeft bovendien het VN-verdrag voor de rechten van het kind ondertekend. Dit verdrag stelt dat regeringen kinderen moeten voorbereiden op de arbeidsmarkt en ervoor moeten zorgen dat ze geïntegreerd raken in de samenleving. Dat gebeurt bij chassidische kinderen totaal niet. Maar het Belgische establishment sluit hiervoor de ogen. Men is als de dood voor antisemitisch te worden uitgemaakt."

Op de Jacob Jordaenstraat beklimt Menachem Tvardovitz (33) de nauwe trap naar zijn appartement - op sabbat mag je de lift niet gebruiken. De 33-jarige chabadnik komt uit Israël en is hierheen verhuisd om te trouwen. Hoewel dat inmiddels al negen jaar geleden is, spreekt hij nauwelijks Vlaams. Hij slist een beetje. Zijn ogen staan zacht en vriendelijk.

In de huiskamer groet hij zijn drie kinderen, de vierde ligt in de wieg te slapen. Menachems vrouw Rachel (31) knikt hartelijk naar de verslaggever - een hand geven is niet toegestaan. Elk fysiek contact tussen een man en vrouw buiten het huwelijk om is verboden. Ze draagt een zwarte wijde jurk met een rits aan de voorkant.

Het appartement ziet er armoedig uit. Twee versleten zwartleren banken, een paar boekenkasten met religieuze banden, een Yamaha-synthesizer van minstens veertig jaar oud. De muren zijn kaal, op de onvermijdelijke foto van rabbi Schneerson na. Voor de maaltijd worden de handen ritueel gewassen bij het teiltje naast de wc. Als de vierjarige dochter Chana haar handjes onder de kraan steekt, spreekt ze trots de zegen in het Hebreeuws uit die bij de handeling hoort. Ze kent die al helemaal uit haar hoofd.

"Ultraorthodoxe vrouwen zijn koninginnen in hun huis", zegt Rachel fel als ze de kugel opdient, een traditioneel aardappelgerecht. Ze begrijpt niet waar iedereen zich zo druk over maakt. "Dat ik geen hand mag geven, dat is juist bedoeld ter bescherming van de vrouw."

Israël, een vriend van Menachem, die vanmiddag ook te gast is, wijst naar de buik van zijn 22-jarige Oekraïense vrouw. "Ons eerste kind is onderweg," zegt hij trots. Acht maanden geleden trouwden ze - het huwelijk was door hun ouders gearrangeerd, zoals dat de gewoonte is bij chassidische joden.

Twee kinderen, zo onderwijst hij, is echt het minimum. Dan is je bestaan niet overbodig geweest. Maar pas bij zeven of acht begint het er een beetje op te lijken, vindt hij. Op fluistertoon: "Natuurlijk slikken onze vrouwen ook wel eens pillekes... Maar je moet wel een goede reden hebben. Als er echt geen geld is, bijvoorbeeld." Lachend: "Geen goesting hebben, dat telt natuurlijk niet."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden