Hoe het geflirt met djihadisten ontaardde

Het Midden-Oosten is in de greep van djihadisten. Hoe hebben ze zoveel ruimte gekregen? En van wie?

De Arabische wereld is een hopeloos geval en het Midden-Oosten is onlosmakelijk verbonden met extremisme. Het zijn dit soort geluiden die je vaak hoort in kroegdiscussies en zelfs in academische kringen. Slecht gaat het altijd in het Midden-Oosten, zelden of nooit gaat het beter. Maar was dit altijd al zo?

In 2001 zag de regio er compleet anders uit. Hoewel het Midden-Oosten al decennia synoniem is voor oorlog en chaos, was het gebied op het moment dat de vliegtuigen zich in het World Trade Center boorden bijzonder rustig. In Algerije en Egypte hadden de regimes de islamisten inmiddels onder de duim gekregen, in Libië en Irak zaten de dictators nog stevig in het zadel en Israël was uit Zuid-Libanon vertrokken. In bijna geen land was er oorlog, en op de meeste plaatsen hield de angst voor de kerkers de maatschappij in het gareel.

In lichterlaaie

Dertien jaar later ziet de regio er compleet anders uit. Libië, Egypte, Syrië, Irak, Jemen, Gaza, en delen van Tunesië en Libanon staan in lichterlaaie. Djihadisten lijken overal op te duiken. Maar hoe heeft een betrekkelijk rustige regio in een aantal jaar kunnen omslaan in een met vele brandhaarden? En waar komen al die extremisten opeens vandaan?

Hoewel djihadisten al decennia actief zijn in de regio, was het de Amerikaanse 'oorlog tegen terreur' die gek genoeg hun zaak vooruit hielp. De oorlog tegen terreur liet veel obstakels voor djihadistische bewegingen wegsmelten. De VS openden weliswaar de aanval op Al-Kaida in Afghanistan, maar in het Midden-Oosten had Washington het vooral gemunt op de vijanden van Al-Kaida: de seculiere en sjiitische regimes in de regio.

Op het beruchte 'As van het kwaad'-lijstje van George W. Bush stonden op het sjiitische Iran na, alleen seculiere regimes vermeld. De omverwerping van het seculiere regime van Saddam Hoessein in 2003 en de ontmanteling van de Iraakse staat, was voor de djihadisten dan ook een geschenk uit de hemel.

Djihadisten gedijen doorgaans goed op plaatsen waar het centrale gezag ontbreekt, en toen Irak met chaos werd overspoeld, kwamen extremisten van verschillende nationaliteiten en pluimage als vliegen op een rottende wond af op het land. Hoewel de westerse invasiemacht Saddam makkelijk op de knieën wist te krijgen, waren de Amerikanen met hun conventionele krijgsmacht niet voorbereid op een guerrilla-oorlog tegen djihadisten. Toen de Verenigde Staten hun strijdwijze aanpasten tegen deze rebellen, was het eigenlijk al te laat: de extremisten waren het embryonale stadium ontgroeid. In 2004 bouwden de gewapende extremisten - de voorlopers van de Islamitische Staat in Irak en Syrië (Isis) - een groot netwerk op in Irak, dat de regio een decennium later op zijn grondvesten zou doen beven.

Chaos

Maar behalve in Irak functioneerden tussen 2004 en 2010 overal in het Midden-Oosten de staatsapparaten, en de geheime diensten in het bijzonder. Zonder chaos - hetzij door revoluties, hetzij door buitenlandse interventies - waren de extremisten kansloos tegen de ongenadig harde regimes.

In 2011 begon in de Arabische wereld de grootste politieke omwenteling sinds de militaire nederlaag tegen Israël in 1967. Van Marokko tot aan Bahrein gingen de mensen de straat om zich te ontdoen van hun ketens. In Tunesië verliep dat proces soepel, in Syrië, Jemen en Libië ontaardden de demonstraties in een regelrechte burgeroorlog. In de chaos wisten djihadistische netwerken zich te nestelen in de landen en zich verder te verspreiden.

In twee jaar tijd vond er zo op grote schaal kruisbestuiving plaats tussen djihadisten. Zo vochten er Irak-veteranen in Libië, Libië-veteranen in Syrië, en nu strijden er duizenden Syrië- en Libië-veteranen in Irak, zij aan zij met de eerste generatie Irak-veteranen. In minder dan vier jaar tijd deden zo tienduizenden jonge moslims uit tientallen landen vechtervaring op in het Midden-Oosten, en nog rukken zij op naar nieuwe plekken.

De plotselinge instabiliteit komt niet zomaar uit de lucht vallen. Paradoxaal genoeg is de onrust juist te wijten aan de jarenlange stabiliteit. Of beter: de pogingen van regimes om met repressie de stabiliteit in stand te houden. Decennia van extreme onderdrukking hebben geleid tot een verdord politiek klimaat, waarin alleen opportunistische schijnoppositie en extremisten konden bloeien.

De bloei van het islamisme is ook te wijten aan het gemanipuleer door Arabische regeringen. Van Marokko tot aan Jemen werden islamisten sinds eind jaren zestig ingezet om seculiere oppositiegroeperingen te bestrijden. Maar ook in de strijd tussen regeringen werden islamisten ingezet. Het Syrische regime hielp bijvoorbeeld in de jaren na de Amerikaanse invasie in Irak extremisten in hun strijd tegen de marionettenregering in Bagdad.

Het inzetten van islamisten als wapen brengt ook veel gevaren met zich mee: in de meeste gevallen keerden zij zich tegen hun voormalige broodheren. Zo vechten dezelfde extremisten, die tot nog geen vijf jaar geleden door de Syrische regering op pad werden gestuurd naar Irak, nu tegen Assad.

Niet alleen Arabische leiders droegen bij aan de bloei van de islamisten. Ook het Westen moedigde tot halverwege de jaren negentig islamisten aan. Washington beschouwde ze bijvoorbeeld als natuurlijke bondgenoten tegen Arabische nationalisten, als Saddam Hoessein, Moammar Kadafi en Hafez al-Assad (en later zijn zoon Basjar). Islamisten kregen asiel in de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, waarvandaan zij jonge moslims aanspoorden - onder het toeziend oog van de inlichtingendiensten - tot het voeren van de djihad tegen 'ongelovige' leiders in de islamistische wereld.

Djihadisten werden tot niet zo lang geleden door het Westen als ongevaarlijk beschouwd - de CIA schonk begin jaren tachtig aanvankelijk Osama bin Laden weinig aandacht vanwege zijn vrome en timide karakter. De overtuiging was toen dat islamisten zich liever bemoeiden met de maatschappelijke zeden in islamitische landen dan met het westerse beleid in het Midden-Oosten. Bovendien vonden de Amerikanen het wel prettig dat islamisten voorstanders zijn van een vrije markt, in tegenstelling tot de Arabische nationalisten.

Maar zelfs na de rampzalige ervaringen met gewapende islamisten, lijkt er nog geen einde te komen aan het geflirt met radicalen. Landen als Saoedi-Arabië en Koeweit steunen sinds het uitbreken van de Arabische Lente heimelijk verschillende extremistische groeperingen in de regio, waaronder Isis, en zijn daarmee medeverantwoordelijk voor het puin. Het voormalige hoofd van de Britse geheime dienst, Richard Dearlove, klapte vorige maand uit de school tijdens een bijeenkomst over deze kwestie. De opmars van Isis en aanverwante organisaties in Irak en Syrië 'gebeurt niet spontaan', zei hij. Dearlove zei zich vooral één verhitte discussie met een Saoedische prins te herinneren, zo'n tien jaar geleden - dezelfde prins zou later hoofd van de Saoedische geheime dienst worden. "Hij schreeuwde letterlijk naar me: '11 september is maar een speldeprik voor het Westen. Het is niets meer dan een reeks van persoonlijke drama's'." Maar deze prins was zich bewust van het boomerang-effect van de steun voor djihadisten. "Wat deze terroristen uiteindelijk willen is het Saoedische koningshuis vernietigen", zei hij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden