Hoe goud was die eeuw?

Nederland was in de zeventiende eeuw een toonbeeld van gelijkheid en vrijheid. Maar in de koloniën handhaafde het land ongelijkheid en gedroeg het zich hardvochtig.

Piet Emmer (1944) was hoogleraar koloniale geschiedenis. Met Jos Gom- mans schreef hij 'Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee, 1600-1800' (2012)

Nederland was in de zeventiende eeuw een uitzonderlijk land in Europa. Het begon al met de staatsvorm, een republiek. Dat was vreemd. Een beetje land had in die tijd wel een adellijke familie, die van vader op zoon het staatshoofd leverde, een enkele dochter daargelaten. Alleen in de Italiaanse stadstaten zoals Venetië en Genua en in havensteden zoals Hamburg en Bremen bestond het bestuur uit gekozen burgers.

In Nederland was bijna geen adel zodat het bestuur van ons land werd gekozen door vertegenwoordigers van de burgerij. Natuurlijk vonden die verkiezingen niet plaats volgens de hedendaagse normen en van echte democratie was geen sprake. Maar in vergelijking met de buurlanden in die tijd sloot de politieke elite van steden en gewesten in Nederland veel meer mensen in dan elders. In ieder geval was de toegang tot het Nederlandse regentendom in de Gouden Eeuw aanvankelijk meer afhankelijk van geld dan van erfelijke status. Dat betekende dat de sociale verschillen in onze ogen misschien groot mogen lijken, maar gemeten aan de landen om ons heen relatief klein waren.

Een anekdote kan dit illustreren. Toen Frankrijk en Nederland een einde aan de in 1672 begonnen vijandelijkheden wilden maken, vonden de vredesonderhandelingen in Nijmegen plaats. Op weg naar die stad passeerde de Franse ambassadeur in zijn imposante koets en met zijn indrukwekkende gevolg een aantal eenvoudige, maar net geklede heren, die hun bescheiden rijtuig aan de kant hadden gezet om in de berm gezeten de meegebrachte boterhammen op te eten. Op een vraag wie dat toch waren, wist zijn tolk te melden dat deze heren ook op weg waren naar Nijmegen als afgevaardigden van de stad Dordrecht, en dat zij bij de onderhandelingen evenveel invloed op oorlog en vrede in Europa zouden hebben als de ambassadeur van de Franse Zonnekoning.

Wat voor het bestuur gold, was ook van toepassing op de sociale verhoudingen. Alweer, vandaag de dag zouden we ons de ogen uit het hoofd schamen over de grote verschillen in inkomen en vermogen, maar in de zeventiende eeuw kende ons land een voor die tijd omvangrijk sociaal vangnet. De stedelijke overheid en de verschillende kerkgenootschappen financierden de armenzorg, weeshuizen, tehuizen voor bejaarden en pleeggezinnen. Dat was lang niet overal in Europa het geval.

Ook op godsdienstig gebied vormde de Nederlandse verdraagzaamheid een uitzondering. Vandaag de dag zouden we die 'verdraagzaamheid' kapot procederen, want er was wel degelijk sprake van discriminatie. Alleen lidmaten van de protestantse (Nederduits gereformeerde) kerk konden openbare ambten bekleden. Op voorwaarde dat ze een extra belasting betaalden mochten andere kerkgenootschappen hun gang gaan, als ze maar geen aanstoot gaven. Voeg daarbij het democratisch karakter van de protestantse kerken in Nederland met hun gekozen kerkeraad en weer wordt duidelijk dat ook dit instituut de sociale verschillen verkleinde en niet vergrootte, zoals kerken dededen met een hiërarchisch geordende structuur en zonder inbreng van leken.

Tot slot wijs ik nog op de unieke kanten van de Nederlandse arbeidsmarkt. In vergelijking met andere landen komt weer het relatief egalitaire karakter van het zeventiende-eeuwse Nederland naar voren. Als het om arbeid ging, was er geen staat met de omvang van Nederland te vinden waar de mensen zo vrij waren om te gaan en te staan waar ze wilden, en waren ze zo weinig aan het land gebonden.

In grote delen van Europa was dat toen heel anders. Daar dwongen de grootgrondbezitters de boeren vaak om van generatie op generatie op hun land te blijven en moesten zij bovendien vaak herendiensten voor de landeigenaar verrichten.

De Nederlandse arbeidsmarkt kende nauwelijks dwang; als er een tekort was dan werd dat niet met dwangarbeiders opgevuld maar met migranten, zoals de 'hannekemaaiers', seizoenarbeiders uit Duitsland.

Veel van zulke migranten vonden ook emplooi in de Hollandse steden, in het leger en op de koopvaardij, vaak in de lagere functies. Natuurlijk gaven al die buitenlanders wel eens overlast, maar daarvoor een meldpunt oprichten kwam bij niemand op. Anders dan vandaag leek in de Gouden Eeuw iedereen te beseffen dat economische groei zonder buitenlanders niet mogelijk was.

Dwangarbeid was in de ons omliggende landen en buiten Europa eerder regel dan uitzondering. Dat trof niet alleen boeren, maar ook gevangenen en krijgsgevangen soldaten. Nederland heeft zijn misdadigers en krijgsgevangenen nooit op grote schaal gedwongen aan het werk gezet.

Dat lijkt overdreven, want Engeland kende in die tijd ook al een vrije arbeidsmarkt en veel migranten. Maar liep in Engeland een werknemer weg voordat zijn of haar arbeidscontract was afgelopen, dan kon de politie worden ingeschakeld om de betrokkene weer terug te halen. Bovendien stuurden de Engelsen hun gevangenen wel als dwangarbeiders naar de koloniën, zoals het Caribische gebied en later Australië. In Engelse havensteden pakten pressgangs soms willekeurig jonge mannen op om in het tekort aan matrozen te voorzien.

Ook maakten de Engelsen overzee op grote schaal gebruik van contractarbeiders. Dat waren arme drommels, die zich hadden verplicht om een flink aantal jaren alleen tegen kost en inwoning te werken bij degene die hun overtocht had betaald. Wisselen van baas was bijna onmogelijk. In Nederland was de werving van zulke contractarbeiders geen groot succes, want bij ons was het nu eenmaal gebruikelijk dat je betaald kreeg voor je werk en dat het je vrij stond om van baas te wisselen.

Die unieke vrijheid op de vaderlandse arbeidsmarkt straalde niet af op de Afrikanen en Aziaten in de Nederlandse koloniën overzee. Na enige aarzeling werden de arbeidsregimes daar gewoon geënt op wat in die regio's gebruikelijk was.

Dat was wel zo gemakkelijk, want door de hoge sterfte in de Tropen waren de Nederlanders toch niet in staat om in Afrika en Azië omvangrijke vestigingskoloniën te stichten waar zij het alleen voor het zeggen hadden.

In Afrika en Azië waren nauwelijks vrije arbeiders, maar van de lokale handelaren konden de Nederlanders wel slaven kopen. Het ging om aanzienlijke aantallen, want de Nederlandse handelsvestigingen mochten dan klein zijn, voor vrijwel alles waren slaven nodig: voor het laden en lossen, repareren en bemannen van schepen, voor het werk in de pakhuizen en op het land en voor de huishouding van de Europeanen.

In totaal waren er in de Nederlandse enclaves in Azië en Afrika bij elkaar meer slaven dan in de Nederlandse plantagekolonies in de West. Alleen al in en rond Batavia en aan de Kaap bedroeg hun aantal in de achttiende eeuw ruim 40.000. Nergens blijkt dat de Nederlanders een aversie hadden tegen het verhandelen en in bezit hebben van slaven. 's Lands wijs, 's lands eer. Slaven uit India, Madagaskar en Mauritius waren normale handelswaar, zowel voor de Nederlandse als voor de Arabische, Indiase en Maleise kooplieden.

De echte lakmoesproef voor het liberale Nederland uit de Gouden Eeuw was de kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Anders dan in Azië en Afrika konden de kolonisten daar niet aansluiten bij de bestaande arbeidsverhoudingen. En zie, aanvankelijk leken de Nederlanders zich inderdaad wat liberaler tegenover hun koloniale onderdanen op te stellen dan de Spanjaarden en Portugezen. In Noord-Amerika maakten zij de indianen niet tot slaaf. Bovendien week de behandeling van de Afrikaanse slaven (in totaal overigens nooit meer dan vijfhonderd) daar af van het normale patroon. Sommige slaven werden aan het einde van hun werkzame leven in vrijheid gesteld, en mochten op zondag in de kerk zitten (achterin). Ook de indianen in het op de Portugezen veroverde deel van Brazilië werden door de Nederlanders anders behandeld dan door hun voorgangers. De indianen werden niet tot slaaf gemaakt en een aantal van hen werd zelfs in het Nederlands koloniale leger opgenomen.

Maar als het om de slavenhandel en slavernij van Afrikanen ging, verdween de Nederlandse afkeer van gedwongen arbeid plotseling als sneeuw voor de zon. Aanvankelijke had de directie van de West-Indische Compagnie (WIC) nog geaarzeld. Had een van de oprichters van deze Compagnie niet beweerd dat slavenhandel en slavernij alleen maar verlies zouden opleveren en daarom thuishoorden in de Iberische wereld vol katholieken, die niet konden rekenen? Daar bleek de gouverneur van Nederlands Brazilië, Johan Maurits, geen boodschap aan te hebben. Hij schreef naar de directie van de WIC dat Nederlands Brazilië met zijn vele plantages 'paarden en negerslaven' nodig had om economisch een succes te worden.

Dat de Nederlanders geen moeite hadden om onvrije arbeid te accepteren als het economisch voordelig was, werd ook duidelijk in de Nederlandse plantagekolonies en handelsposten in het Caribische gebied, waarvan Suriname de bekendste is geworden. Daar is in het Nederlandse koloniale beleid niets te ontdekken dat ook maar in de verste verte lijkt op de modern aandoende arbeidsverhoudingen van het moederland. Volgens buitenlandse waarnemers was er zelfs sprake van het tegendeel, want zij herhaalden keer op keer dat het slavenregime in Suriname hardvochtiger was dan in de plantagekolonies van andere landen.

Dat lijkt te duiden op een paradox. In Europa liepen de Nederlanders voorop met hun tolerantie, hun vrijheid om te gaan en te staan waar je wilde, een voor die tijd progressief juridisch systeem en de afwezigheid van dwangarbeid. In de West liepen de Nederlanders achterop, met veel dwang, onoverkoombare barrières tussen de rassen en sociale uitsluiting.

Nergens in de koloniale wereld waren de getalsverhoudingen tussen vrijen en slaven zo scheef en nergens sloot de officiële kerk zo'n grote groep koloniale onderdanen buiten.

Op den duur werd de verspreiding van het christendom onder de slaven in Suriname overgelaten aan de piëtistische zendelingen uit het Duitse Herrnhut, op Curaçao missioneerde de rooms-katholieke kerk aanvankelijk vanuit het nabijgelegen Venezuela.

Na afloop van de Gouden Eeuw begonnen de ontwikkelingen in het Europese en overzeese Nederland weer gelijk te lopen. Ons land verloor zijn voorsprong in Europa en werd voorbijgestreefd door Engeland. Ook in Azië werd het Nederlandse aandeel in de handel kleiner, en in de West gingen veel meer plantages failliet dan elders in de regio. Die tegenslagen maakten de Nederlanders behoudend en defensief.

Oproepen om de slavenhandel en de slavernij af te schaffen werden in Engeland en in Frankrijk steeds talrijker, maar in ons land was daar niet veel over te horen. Als je overal wordt weggeconcurreerd, wil je elke mogelijkheid om geld te verdienen openhouden, hoe klein ook.

Zo ontstond er weer een paradox. Als één land zonder veel economisch nadeel een eind aan de slavenhandel had kunnen maken, dan was het Nederland wel.

Terwijl de plantagesector in de Engelse, Franse, Spaanse en Portugese kolonies bloeide als nooit tevoren, schreef men in de Nederlandse koloniën rode cijfers.

De grote hypotheeklast (toen ook al) ruïneerde de planters, ze konden veel minder slaven kopen en daardoor kwam de Nederlandse slavenhandel bijna tot stilstand. In dezelfde tijd bereikte de slavenhandel van andere landen een omvang als nooit tevoren. Maar Nederland schafte de slavenhandel niet als eerste af. Dat deed het land pas onder druk van de Engelsen, die alleen op die voorwaarde een deel van de Nederlandse kolonies wilden teruggeven, die ze in de Franse tijd veroverd hadden.

De afschaffing van de slavenhandel is Nederland opgedrongen, en was niet het resultaat van een breed maatschappelijk debat zoals in Engeland.

En wat voor de slavenhandel gold, was ook van toepassing op de slavernij en andere vormen van gedwongen arbeid. Daar zou Nederland pas laat in de negentiende eeuw afscheid van nemen. Niet alleen in de West, maar ook op Java, waar de op gedwongen arbeid gebaseerde productie van koffie en suiker nota bene nog in 1830 was ingevoerd als belasting in natura. Pas in 1863 schafte Nederland de slavernij in de West af - dertig jaar na Engeland en pas nadat duidelijk was geworden dat de koffie en suiker uit Nederlands-Indië zoveel opbrachten dat daarmee de slavenhouders in de Nederlandse koloniën in het Caribische gebied financieel gecompenseerd konden worden voor het verlies van hun slaven. Nog weer later werd de gedwongen arbeid op Java afgeschaft.

Het Nederlandse optreden overzee illustreert dat de term 'Gouden Eeuw' maar beperkt toepasbaar is: alleen op het Europese Nederland en alleen gedurende de eerste zeven tot acht decennia van de zeventiende eeuw.

Een veel langduriger Gouden Eeuw is te vinden in Engeland, dat rond 1750 Nederland in vrijwel elk opzicht voorbijstreefde. Dat bleek allereerst uit het maatschappelijk debat, dat veel levendiger was dan bij ons, en waaraan allerlei nieuwe sociale en religieuze groepen deelnamen, vaak met radicale, in ons land onbekende opvattingen zoals de quakers, methodisten en baptisten.

Het bleef niet bij praten. Groot-Brittannië moderniseerde op allerlei gebieden, en hoewel het de Aziaten en Afrikanen in de koloniën zeker niet als gelijkwaardig aan zijn eigen onderdanen beschouwde, omvatte het Engelse hervormingspakket ook de afschaffing van de slavenhandel en slavernij overzee, naast het strafrecht, het gevangeniswezen, het kiesstelsel, importheffingen en de arbeidsmarkt in eigen land. Bovendien bleven de gevolgen van de Britse vernieuwingsdrang niet tot de eigen koloniën beperkt. Toen Londen eenmaal de eigen slavenhandel had afgeschaft, begon het met een campagne om de slavenhandel en de onvrije arbeid overal ter wereld uit te roeien zonder zich veel aan te trekken van de soevereine rechten van tegenstribbelende regeringen en heersers. Sceptische geesten beweerden wel dat deze Engelse 'philantropie' alleen maar ten doel had de eigen planters te beschermen, die na de afschaffing van de slavernij veel meer voor hun arbeiders moesten betalen dan hun collega's in kolonies waar nog wel slavernij was toegestaan. Maar de Engelse afschaffingscampagne ging veel verder dan alleen het economisch eigenbelang. Het werd een obsessie voor Engeland, en geen ander land heeft daar zo lang zoveel diplomatieke energie in geïnvesteerd en zoveel mensenlevens aan opgeofferd, want de sterfte aan boord van de Britse marineschepen, die voor de Westkust van Afrika toezagen op de naleving van de vele verdragen tegen de slavenhandel, was aanvankelijk schrikbarend hoog. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd die taak overgenomen door de Volkenbond en nog later door de Verenigde Naties.

De Gouden Eeuw mag Nederland dan in de eerste helft van de zeventiende eeuw tot het wonder van Europa hebben gemaakt, de Engelse Gouden Eeuw heeft dat land tot in de twintigste eeuw het wonder van de wereld gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden