Hoe God uit de Verklaring verdween

Een jonge Tsjetsjeense in een Russische gevangenis in de buurt van Grozni. Het is een van de foto¿s die vanaf vandaag te zien zijn rond het gebouw van de Franse ambassade in Den Haag. Iedere foto op de openbare tentoonstelling illustreert een artikel uit de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Deze foto staat voor artikel 9: Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning. (FOTO ERIC BOUVET, VII, HH )

Nederland probeerde in 1948 God in de preambule te krijgen van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Die poging mislukte. De verklaring bestaat vandaag zestig jaar.

De concepttekst van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens lag er al toen een VN-comité zich in 1948 boog over het vaststellen van de definitieve tekst. De opstellers waren met name de Amerikaanse voormalige First Lady Eleanor Roosevelt, een Canadees, een Fransman, een Chinees en een Libanees. De Nederlandse politici Marga Klompé (KVP) en Hilda Verweij-Jonker (PvdA) waren bij enkele voorbereidende vergaderingen geweest.

Het VN-comité moest de puntjes op de i zetten. De belangrijkste Nederlander daarin was een priester, Leo Beaufort (1890-1965). De KVP’er was een franciscaner pater (kloosternaam Didymus), die theologie, wijsbegeerte en rechten had gestudeerd. Hij was in 1947 benoemd tot hoogleraar volkenrecht. Beaufort wilde God vermeld zien in de preambule van de Verklaring en diende een amendement in dat de erkenning van mensenrechten gebaseerd is „op de goddelijke oorsprong (van de mens) en zijn lotsbestemming”. Dat niet iedereen in die goddelijke oorsprong geloofde, wist Beaufort wel. Maar het zou tegemoet komen aan de overtuiging van de meerderheid van de wereldbevolking, meende hij. En atheïsten en agnosten werden volgens hem niet beledigd, omdat ze het zinnetje ook konden negeren en zo ’onwetend’ mochten blijven.

De communisten voelden zich aangesproken. Sovjetafgevaardigde Bogomolov herinnerde Beaufort eraan dat na de Franse revolutie in 1789 in de Verklaring over de Rechten van de Mens en de Burgers er ook geen verwijzing naar God was gekomen.

De Poolse Kalinowska stelde dat een VN-verklaring niet ging over metafysische vragen. En als iedereen zinnen in de preambule mocht negeren, konden ze dat met de rest van de verklaring ook gaan doen.

Beaufort vond dat onzin. Hij hekelde de communisten door op „de bittere recente ervaringen” te wijzen, die „het gevaar hadden getoond van het monsterlijke idee dat de mens slechts een instrument is in dienst van de Staat.”

De communisten waren echter niet de enige met bezwaren. Atheïsten en agnosten lieten zich niet graag als ’onwetend’ bestempelen, en sommige religieuzen vonden dat religie en moraal gescheiden moesten blijven. De Chileense afgevaardigde zei dat zijn land vrijwel geheel katholiek was, maar dat er desalniettemin geen verwijzing naar God in de grondwet stond. De Fransman oordeelde dat een verdeeld comité over dit onderwerp afbreuk zou doen aan de wens van de opstellers om de verklaring zo universeel mogelijk aanvaardbaar te maken.

Te weinig steun dus. Beaufort trok zijn amendement in. Mensen zijn, volgens artikel 1 van de Verklaring, ’begiftigd met verstand en geweten’. Maar anders dan Nederland had gewild, stond er niet in dat God daar verantwoordelijk voor is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden