Hoe gelovigen afscheid kunnen nemen van hun gewelddadige heilige teksten

De drie monotheïstische godsdiensten – jodendom, christendom en islam – kennen een lange traditie van gewelddadigheid. Zie bijvoorbeeld het bijbelverhaal van Pinechas, kleinzoon van hogepriester Aüron. Hij vermoordt in naam van God een liefdespaar en hij wordt om zijn daad uitbundig geprezen.

Religie is in staat daden van grote zelfopoffering en naastenliefde in een mens boven te roepen, maar ze kan evenzeer het vuur van de totale destructie aanwakkeren. Het verhaal van Pinechas – niet de meest bekende figuur uit het Oude Testament, wél een die tot op de dag van vandaag doorwerkt – laat zien hoe ver religie kan gaan.

Geweld vinden we terug in alle grote monotheïstische godsdiensten – het jodendom, het christendom en de islam. De Aziatische religies vormen een verhaal apart. Uit de praktijk van India begrijp ik dat geweld niet beperkt is tot de monotheïstische religies, maar ik heb mijn handen hier wel vol aan en ik laat de godsdiensten van Azië rusten.

In elk geval is er tot op de dag van vandaag een verband aan te wijzen tussen geweld en deze drie religies. Yigal Amir is de 20ste-eeuwse Pinechas, die de afvallige Rabin doodschoot, omdat hij buiten de grenzen van de (goddelijke) wet ging. Dominee Paul Hill vermoordde in 1994 de arts John Britton en diens bodyguard James Barrett, die op weg waren naar de abortuskliniek. Uit islamitische hoek worden ons dagelijks voorbeelden geleverd.

Seksuele omgang

Het bijbelverhaal van Numeri 25 vertelt hoe het volk Israël, op weg naar het beloofde land, aan de grenzen van het land Moab komt en daar geconfronteerd wordt met de kracht van de Moabieten en de Midjanieten. Die bestaat niet uit het wapengeweld van hun mannen, maar uit de verleiding van hun vrouwen. Seksuele omgang met ’vreemde vrouwen’ is voor Israëlitische mannen een doodzonde. Buiten en binnen het huwelijk. Dat heeft niets met een puriteinse visie op seksualiteit te maken, ook niet met de ideologie van ’eigen volk eerst’, maar alles met het gevaar dat Israël via vreemde vrouwen voor vreemde goden zal bezwijken. Dat speelt ook in Numeri 25. De Israëlieten offeren voor Baül-Peor, de god van Moab. Niet vreemdelingenhaat is in het geding, maar afgodendienst en dus verlies van Israëls identiteit.

Mozes treedt op goddelijk bevel en gezag streng op. De opdracht luidt: „Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van de heer” (vers 4a). Maar dat is nog niet afdoende, want er volgt nog een verhaal over Zimri, een Israëlitische man, die een Midjanitische vrouw aan zijn zijde meevoert naar zijn tent. En dat en plein public.

Pinechas, kleinzoon van de hogepriester Aüron, en dus zelf ook hogepriester in spe, ontsteekt daarbij in woede, achtervolgt de twee en steekt hen beiden met zijn speer in het onderlijf. De tekst suggereert dat hij het met één stoot afkan. Dat zal wel betekenen dat die twee intussen een bepaalde houding hadden aangenomen. De rabbijnen wisten later te vermelden dat de speerstoot als door een goddelijk wonder precies door lid en schede heenging ten bewijze van de wandaad voor de buitenstaanders.

In het vervolg van de tekst wordt Pinechas om deze daad geprezen. Een godswoord tot Mozes zegt dat Pinechas door deze daad de goddelijke toorn over Israël heeft afgewend. „Hij heeft met een ijver voor Mij in hun midden geijverd.” Pinechas krijgt de belofte voor zijn nageslacht van een eeuwigdurend priesterschap. De perikoop eindigt met de opdracht om de Midjanieten uit te roeien vanwege hun listige handelwijze.

Het woord is intussen gevallen: ijver, geloofsijver – qin’ah in het Hebreeuws, zèlos in het Grieks. De Joodse zeloten van alle tijden hebben zich op Pinechas beroepen als hun schutspatroon. Elia lijkt op hem als hij op de Karmel vuur van de hemel doet neerkomen als bewijs dat jhwh de ware God is en niet Baül, en daarna de 450 profeten van Baül afslacht.

Mattatias, de vader van de makkabese broers, lijkt op hem als hij voor de God van Israël ’ijvert’ en de vertegenwoordiger van de Syrische koning, die het volk tot afgodendienst wil dwingen, doodt en het altaar omverhaalt. Het apocriefe boek 1 Makkabeeën vertelt hoe in de strijd die ontbrandt, de wetsverachters worden gedood en onbesneden kinderen alsnog onder dwang besneden worden. Want het gaat in de makkabese vrijheidsoorlogen niet alleen om vrijheid van religie en van godsdienstuitoefening voor Israël, maar ten diepste om de theocratie, om de ordening van het publieke leven volgens de geboden van God. Wie zich niet vrijwillig daaraan onderwerpt, moet ertoe gedwongen worden.

Dit is niet het hele Oude Testament. Die karikatuur is vaak gegeven als zou het hele boek van geloofsfanatisme, bloeddorst en wraakzucht getuigen. Het oudtestamentisch ideaal is dat iedereen in Israël in vrede ’onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom kan zitten (1 Koningen 4:25). Het profetisch visioen is dat de zwaarden omgesmeed worden tot ploegijzers (Jesaja 2:4). In het boek Zacharia staat de prachtige zin: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest!, zegt de here der heerscharen” (4:6). Daar gaat het de here der heerscharen dus uiteindelijk om.

Maar de teksten over en van de ijveraars staan er ook in. Geloofsijver die, zoals Israëls ijveraars geloven, van godswege geboden is en zelfs beloond wordt. Geloofsijver die de goddelijke toorn over de zonde verzoent en de straf doet ophouden.

Doodzwijgen

Nu zijn er binnen het christendom en het jodendom ook pogingen ondernomen om Pinechas onschadelijk te maken. Opvallend genoeg wordt hij in het Nieuwe Testament doodgezwegen. De grote favoriet van de makkabese vrijheidsstrijd (rond 160 voor Christus) wordt door Jezus en zijn volgelingen, voorzover wij weten, volledig genegeerd. Dat is een gebruikelijke vorm van kritische verwerking: doodzwijgen, negeren en intussen een ander spoor trekken.

Dat kon niet met die andere ijveraar, de profeet Elia. Zijn plaats in de Schriften en in de volksreligie was te prominent om hem te verzwijgen. Wat gebeurt er met hem in het Nieuwe Testament? In de traditie is hij onafscheidelijk verbonden met zijn opvolger Elisa. De boeken Koningen bieden een verhalencyclus over deze twee profeten waarin het ene wonder na het andere staat vermeld. Elia houdt de regen tegen, vermenigvuldigt meel en olie bij een arme weduwe, wekt haar zoon uit de dood op, laat vuur uit de hemel komen op de Karmel, vervolgens regen uit de hemel en nog eens komt er vuur dat hoofdmannen met hun soldaten verteert. Elisa werkt in dezelfde geest: er is sprake van een wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, 46 knapen die de profeet bespotten worden door twee berinnen verscheurd, ook hij laat de olie van een arme weduwe rijkelijk stromen, een kind wordt uit de dood opgewekt, Naüman wordt van zijn melaatsheid genezen, terwijl zijn knecht Gechazi voor straf melaats wordt. Enzovoorts, enzovoorts.

Het is bijbelgeleerden al lang opgevallen dat deze wonderverhalen model staan voor wat de evangelisten over Jezus’ wonderen vertellen. Met één restrictie. Alleen wonderen met een positieve afloop worden aan Jezus toegeschreven, niet die met een gewelddadig, negatief effect. Zo vermenigvuldigt ook Jezus het brood, geneest hij melaatsen en wekt hij de zoon van een weduwe op uit de dood. Maar vuur komt niet van de hemel om tegenstanders te verteren, berinnen verscheuren geen spottende knapen en niemand wordt met melaatsheid gestraft.

Dat is niet toevallig, dat is programmatisch. Een aanwijzing staat in het verhaal dat in Lucas 9:51-56 te vinden is. Jezus is met zijn discipelen in een Samaritaans, een voor Joden vijandelijk dorp aangekomen en zoekt logies. Maar de vijandschap zit zo diep dat de Samaritanen zelfs de oosterse deugd van de gastvrijheid niet in acht nemen. De reactie van Jakobus en Johannes is dan: „Heer, wilt u dat wij zeggen dat er vuur van de hemel neerdaalt om hen te verteren?” De zinspeling op het verhaal van 2 Koningen 1, waar Elia vuur van de hemel doet neerkomen om zijn tegenstanders te vernietigen, is duidelijk. Cruciaal is het antwoord van Jezus: „Maar Hij keerde zich om en bestrafte hen.”

Dit betekent niet dat geweld geheel en al uit het Nieuwe Testament is uitgebannen. Maar het wordt gelegd in de handen van God. Er is er Een die oordeelt en uiteindelijk afrekent met het kwaad en de kwaden, en dat moeten wij, mensen, niet willen. De regel die Jezus aan zijn discipelen geeft bij afwijzing van hun boodschap is: „Schud het stof van je voeten.” Meer niet.

Op drie manieren wordt dus in het Nieuwe Testament de ’zelotische’ erfenis van het Oude Testament verwerkt. Door moeilijke passages te negeren, door uit de veelheid van daden van de geweldenaars de positieve te selecteren, en door de ijveraars zelf te bekritiseren.

In het jodendom zien we korte tijd na Jezus een vergelijkbare reactie. Het heeft daar alles te maken met het debacle van 70 na Christus, toen stad en tempel door de Romeinen in de as gelegd werden. Daar was de Eerste Joodse Opstand aan voorafgegaan, waarin de zeloten een belangrijke rol speelden. Ze droegen hun naam met ere en stonden bewust in de traditie van Pinechas, Elia en Mattatias. De theocratie van Israël verdroeg zich niet met de heerschappij van de Romeinse keizer en vroeg om een totale inzet, ook met de wapens.

De rabbijnen die na 70 van de Joodse gemeenschap probeerden te redden wat er te redden viel, hebben zich diepgaand beziggehouden met hun verleden en met de heilige Schriften waarop de ijveraars zich beriepen. De neerslag van deze rabbijnse theologie vinden we onder andere in de grote verzamelwerken, de Babylonische en Jeruzalemse Talmoed. De theologische tendens daarvan is duidelijk antizelotisch. De Joden moeten zich schikken in vreemde heerschappij, als tenminste het recht op een vrije godsdienstuitoefening gewaarborgd is.

Daarbij was er één probleem, en wel hetzelfde dat Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament hadden: konden de ij veraars zich niet met recht en reden beroepen op de geschiedenis van Israël en op de Schriften die hun geestelijke voorvaders beschreven en verheerlijkten? Het is boeiend om te zien hoe de rabbijnen daarmee worstelen. De Jeruzalemse Talmoed, in traktaat Sanhedrin, laat dat zien. Was het niet eigenmachtig wat Pinechas deed en handelde hij niet buiten een legitieme rechtbank om? Uiteindelijk kan deze Talmoed-tekst niet om de goedkeuring heen die in Numeri 25 ligt. De oplossing is dan dat hij als charismaticus die de Geest ontvangen heeft, de van godswege gelegitimeerde uitzondering is op de normale rechtsgang. Maar een spoortje van kritiek op zijn geloofsijver is te vinden in het achterwege laten van de belofte aan Pinechas, anders dus dan het bijbelverhaal doet. Net als in het Nieuwe Testament kunnen we verzwijgen hier opvatten als een vorm van kritiek.

Afscheid van Pinechas

Er is trouwens ook expliciete kritiek in de rabbijnse geschriften op de ijveraars. Zelfs ten aanzien van de grote profeet Elia. In de Mechilta van Rabbi Jisjmael, een commentaar op het boek Exodus, wordt gezegd dat Elia wel de eer van de Vader (God), maar niet van de zoon (Israël) zoekt . Dat hij Elisa moet zalven als zijn opvolger betekent dat hijzelf ontslagen wordt. Het achterliggende besef is dat er een ijver is voor God, die voor het volk Israël catastrofaal is. Hier vinden we een reactie op de zelotische opstanden en een besef dat het lot van Israël hierdoor in de waagschaal is gesteld.

De conclusie kan zijn dat het jodendom en het christendom afscheid van Pinechas hebben genomen, beter gezegd: Pinechas en zijn zelotische erfenis kritisch verwerkt hebben. Dat wil niet zeggen dat ’ijver zonder verstand’, zoals Paulus het in Romeinen 10:2 noemt, in deze beide religies niet meer zou voorkomen.

Pinechas steekt telkens opnieuw de kop op. Overal waar fysieke middelen ingezet worden om mensen tot de ware religie te dwingen, werkt de erfenis van Pinechas door. Na keizer Constantijn de Grote bezondigen ook christenen zich eraan. Een edict van 3 juli 352 verbiedt, onder dreiging van de doodstraf, de overgang van het christendom naar het jodendom. Onder keizer Theodosius II (rond 425) mogen Joden geen eigen rechtszaken meer voeren en geen christelijke slaven meer houden. Een bepaling van 438 zegt dat nieuwe synagogen niet gebouwd mogen worden, wel mogen oude synagogen hersteld worden. De christelijke keizers trekken de oude, pagane identificatie van staat en religie door en beroepen zich daarvoor op de oudtestamentische theocratie. Deze discriminerende wetten zijn later door de moslimheersers overgenomen en zijn zo in de sjaria terechtgekomen. De christenen kregen na de opkomst van de islam vele koekjes van eigen deeg te eten, en de smaak ervan was bitter.

De lijn die Paulus in zijn brief aan de Romeinen aangaf, was anders. Hij doet, geheel in de geest van Jezus’ Bergrede, een oproep aan de gelovigen om zich niet te wreken, maar de vergelding aan God over te laten, terwijl hij in hoofdstuk 13 stelt dat de (Romeinse) overheid ’een wreekster’ is tegenover allen die kwaad doen. Dat laatste hoofdstuk is nooit populair geweest bij progressieve christenen, maar de winst ervan is wel dat het geweldsmonopolie bij één instantie wordt neergelegd, bij de overheid, zoals Gerrit Manenschijn in zijn boek ’Religie en haat’ opmerkt. Hij maakt verder een zinnig onderscheid tussen de rechtsstaat en de heilsstaat: de heilsstaat kunnen wij niet bereiken, en dat moeten we ook niet proberen. Alle sekten en ideologieën die dat wel deden, hebben tientallen, respectievelijk miljoenen slachtoffers gemaakt. Wij hebben onze handen vol aan de rechtsstaat. Dit lijkt me in de geest van Romeinen 12 en 13.

Vredelievend

Hoe ligt dit in de islam? In de Koran komt Pinechas niet voor. Daar moeten we niet te veel achter zoeken. De Koran noemt een betrekkelijk kleine selectie van bijbelse namen. Pinechas zou op zichzelf goed passen in het religieuze plaatje van de islam. De islam weet van een theocratie die hier en nu gevestigd moet worden. Van Mohammed en de rechtgeleide kaliefen kunnen we leren dat geweld daarbij is toegestaan. Hier ontbreekt in principe de tweedeling die het christendom, blijkens zijn bronnen, wel kent: die van kerk en staat. In de praktijk kent de islam wel een tweedeling van wereldlijke en geestelijke macht, maar dat is bij gebrek aan beter – namelijk bij gebrek aan een kalief.

Nog in Trouw (Letter & Geest) van 21 mei 2005 zegt Harun Yildirim dat hij hoopt op een nieuwe kalief. Daarmee bedoelt hij niet een messiaanse figuur die aan het eind der tijden van boven neerdaalt, maar aan een volstrekt aardse heerser voor alle moslims, die de belangen van de oemma zal behartigen en, als ik me niet vergis, de strijd met de ongelovigen zal aanbinden. Hij mag, zo stelt Yildirim, anders dan de imams en de moefti’s van nu, de totale oorlog uitroepen. Als hij in de geest van Mohammed en de rechtgeleide kaliefen werkt, zal hij dat zeker doen. Deze veroveraars hebben binnen veertig jaar een gebied van Libië tot Afghanistan veroverd, een territorium met een spanwijdte van 4000 km. Dat is meer dan honderd kilometer per jaar. Daar kunnen de Amerikanen met hun hig tech wapens nog wat van leren.

De islam verenigt de theocratie van het Oude Testament met de missionaire ijver van het Nieuwe Testament. Dat levert een explosief mengsel op. Heel de wereld zal buigen voor Allah, liefst goedschiks, en anders kwaadschiks. Ik weet dat dé islam niet bestaat (ik zeg het maar, voor iemand anders mij erop attent maakt), maar de theocratische zienswijze dat mensen zo nodig met uiterlijke, fysieke middelen in het religieuze gareel gespannen moeten worden, is volgens mij een breed aanvaarde zienswijze binnen deze religie. Het doel is uiteindelijk om de grenzen van het dar al-Islam (het huis van de islam) uit te breiden en binnen dat gebied de voorlopig getolereerde minderheden via een sterfhuisconstructie te isoleren en uiteindelijk te laten uitsterven. In veel landen in het Midden-Oosten is dat model toegepast, en met veel succes.

Maar hoe flexibel is de islam? Is hier een vergelijkbaar proces mogelijk als in het jodendom en het christendom, een proces van herbronning en heroriëntatie ten aanzien van de eigen gewelddadige teksten? Een proces van negeren, selecteren en kritiseren van ’zelotische’ daders en hun daden?

De eerste twee benaderingen komen we duidelijk tegen in de islam. Op verschillende manieren. Liberale moslims benadrukken graag de tolerante en vredelievende, vroege woorden van de Koran, uit de tijd dat de profeet Mohammed in Medina verbleef. Maar ik begreep van Aboe Zaid (Trouw, 27 oktober 2005) dat in de dominante lijn van de islamitische koranuitleg juist de latere, strijdlustige en onverdraagzame teksten uit Mohammeds Mekkaanse tijd naar voren zijn gehaald en gebruikt worden als de hermeneutische sleutel voor de hele Koran. Mij dunkt dat hier nog ongebruikte mogelijkheden voor de gezaghebbende moslimgeestelijken liggen om de islam vanuit de bronnen duidelijker als vredelievende religie te presenteren.

Het negeren komt ook voor. Ik ben tegengekomen dat een ontwikkelde moslim beweerde niet te weten dat Mohammed een Joodse stam had laten uitroeien. We kunnen dit positief duiden. Het is in elk geval beter dan dat deze massamoord verdedigd en verheerlijkt wordt.

Toch wordt het pas echt spannend bij het derde punt. Is er binnen de islam ruimte voor een kritische doordenking van het eigen geweld? Als ik Harun Yildirim hoor, ben ik bang van niet. Hij zegt in het voornoemde artikel: „De islam heeft tot op de dag van vandaag nog geen één gewelddaad gepleegd.” Dit geluid is niet uitzonderlijk, maar symptomatisch. Waar zijn de moslimtheologen die kritisch over Mohammeds gewelddadige optreden willen nadenken? En over de imperialistische veroveringsoorlogen van de ’rechtgeleide kaliefen’ en het koloniale bewind dat daar eeuwenlang op volgde? Geen westerse macht heeft zo lang en met zoveel succes gekoloniseerd als de islam.

Deze zelfkritiek is belangrijk om twee redenen. Ik houd rekening met de mogelijkheid dat de moslim die zei niets van Mohammeds moord op Joden te weten, het not done vindt om dit in een westerse context ter sprake te brengen. Misschien doet hij alsof hij van niets weet om de imagoschade voor de islam te beperken. Het lijkt me goed dat hij toch een keer zijn kaarten op tafel legt, en wel al zijn kaarten. Dat hoort bij een volwassen dialoog.

In de tweede plaats houd ik rekening met de mogelijkheid dat de man wél oprecht is en het werkelijk niet weet. In dat geval is hij vrij weerloos tegenover zijn extremistische zoon bij de Hofstadgroep, die zijn klassieken wel kent, hem wijst op deze afrekening van de Profeet, en daaruit conclusies voor vandaag trekt: „Joden, het leger van Mohammed komt eraan.” Daar heeft deze vader niet van terug.

Pinechas en zijn zelotische navolgers zijn als ijkpunt voor de huidige islam buitengewoon relevant. Want het raakt niet alleen de vraag of moslimoverheden de islamitische religie met drang en dwang aan hun onderdanen moeten opleggen, de vraag is ook of moslimindividuen op dit punt hun zelotische plicht moeten vervullen als de overheden het af laten weten.

Wat Pinechas doet, is het beste met het Arabische woord takfir te typeren: moslims die Allah niet op de juiste wijze vereren, moeten ontmaskerd en gedood worden, en iedere rechtgeaarde moslim is daartoe geroepen. Takfiristen duiken met enige regelmaat in de islamitische geschiedenis op. We zouden Osama bin Laden en Mohammed B. ook in die hoek kunnen zetten.

Mohammed B.

Ik ken geen betere beschrijving van takfir dan die van de Joodse wijsgeer Philo van Alexandrië, een tijdgenoot van Jezus, die dus leefde lang voor de islam bestond. In zijn werk ’De Specialibus Legibus’ schrijft hij dat er duizenden zèlootai nomoon zijn, ijveraars voor de wet, die de geschonden regels van God wreken. Zeer waarschijnlijk heeft hij het over de praktijk in de grote Joodse wijk van de metropool Alexandrië. En het is veelzeggend dat de evenwichtige, gematigde, Alexandrijnse wijsgeer-theoloog deze praktijk niet afkeurt.

In hetzelfde geschrift wordt duidelijk dat hij het zelotisme niet met een bepaalde groep Joden verbindt. Iedere Jood kan zeloot zijn of beter: zeloot worden. Dat wil zeggen: wie geconfronteerd wordt met flagrante schending van Gods wetten, kan de Geest krijgen en als charismaticus geroepen worden onmiddellijk het oordeel te voltrekken. Ook bij Philo is het klassieke voorbeeld Pinechas en het woord dat diens Geest-drift uitdrukt is enthousiaoo, ’door een god bezeten zijn’ (dat wij nog kennen in ons geseculariseerde woord ’enthousiasme’). Een dergelijke ijveraar heeft volgens Philo geen rechtbank nodig en moet zo nodig het doodvonnis voltrekken, zonder rekenschap af te hoeven leggen aan welke rechtsinstantie ook. Zijn goddelijk mandaat maakt hem onaantastbaar.

De parallel is frappant. Het is alsof Philo Mohammed B. gekend heeft. De eigenrichting, het besef door God/Allah gestuurd en gesanctioneerd te worden en dus door geen politieke en rechterlijke instantie gekapitteld te kunnen worden: het was er allemaal al in het jaar nul en het is er nog.

Het christendom heeft afscheid van Pinechas genomen. Hoewel hij altijd weer opduikt, zeker als er macht in het spel is. Het jodendom heeft zich ook van deze ijveraar gedistantieerd, hoewel er steeds opnieuw mensen zoals Yigal Amir opstaan. Maar in de islam heeft dat afscheid bij mijn weten nog niet plaatsgevonden. Of marginaal. Het is daar ook moeilijk, gezien de bronteksten en de identificatiefiguren. Maar het is wel nodig, willen we in Nederland, in Europa én in de wereld kunnen samenleven en de clash of civilizations voorkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden