ColumnRob Schouten

Hoe fijn is het om thuis te blijven en er niet op uit te trekken

Thuisblijven is als het mag een zegen en als het moet een vloek. Iemand met een enkelband en huisarrest zal zich niet gelukkig prijzen dat hij de deur niet uit kan en ook een ­corona-patiënt in quarantaine zou best eens bij iemand op bezoek willen, juist nu het niet mag. Maar wie vrijwillig thuis zit, heeft niets te klagen.

Ik werd vanochtend vroeg wakker, nog voor zevenen, en lag in bed te luisteren naar de dagelijkse geluiden van buiten, het doppler­effect van een ambulance in de verte, iemand die zo te horen met een kliko over het trottoir sleepte, en ik dacht terug aan de tijd dat ik als klein jongetje weleens ziek was, niet al te erg, gewoon een griepje of zo, en in bed lag te ­lezen, zo nu en dan onderbroken door een bordje met appel- en sinaasappelpartjes van beneden. Grotere geluksmomenten kan ik me eigenlijk niet voorstellen en ik koester ze dan ook nog steeds.

Pascal: “Al het leed der mensen spruit hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven”. Geen slogan voor buitenmensen, maar ik snap er wel iets van, ik heb nergens zoveel geleerd als thuis, of misschien nog specifieker in bed. Tegenwoordig woon ik tegenover de Jellinek-kliniek en elke ochtend komt daar de cateraar of de wagen met schoon linnen aangerateld om mij eraan te herinneren hoe fijn het is om nog in bed te liggen en er niet op uit te hoeven trekken. In bed, dat sneeuwwitte ei hoorde ik het eens noemen, in bed met een boek.

Een ­gezonde quarantaine zou de aarde misschien wel goed doen

Ooit registreerde ik dat ­geluk. Op 5 december 1971, een zondag, ik was zeventien, kreeg ik van Sinterklaas, zullen we maar zeggen, W.F. Hermans’ ‘De donkere kamer van Damocles’, waarmee ik onmiddellijk naar mijn jongenskamertje vertrok om het in één ruk in bed uit te lezen. Ik noteerde het voorin voor mijzelf en het nageslacht: ‘Gekregen en in bed uitgelezen 5 december 1971’. Het is niet toevallig dat in de vroegere serails en harems (van haram, zuiver), van Oosterse potentaten de kunst en cultuur bloeide (en de intriges ­natuurlijk, maar die zijn verwant).

Aan dat ­alles lag ik vanochtend te denken in de wetenschap dat steeds meer mensen ­deze dagen in quarantaine moeten vanwege het coronavirus. Het opmerkelijke is dat de buitenwereld er aanzienlijk van opknapt als wij ons er een tijdje lang niet zo mee komen bemoeien. In China is de haast chronische smog in grote steden als sneeuw voor de zon verdwenen nu de mens in plaats van in fabrieken rond te lopen, thuis blijft. Ik zou weleens willen weten hoeveel mensenlevens dat ­eigenlijk scheelt. Wat dat betreft zou een ­gezonde quarantaine zo nu en dan de aarde misschien wel goed doen, en dan niet veertien dagen, zoals tegenwoordig, maar de volle ­veertig dagen die het woord quarantaine ­betekent.

Het zal er wel niet van komen; we zijn te uithuizig geworden om nog teruggepropt te kunnen worden, onze spelonken, huizen en baarmoeders in. Maar kwaad kan het thuis­zitten niet, vooral als ook onze mobieltjes daarbij worden afgepakt en ingeruild voor een boek. Als ik cultureel dictator was, zou het een van mijn eerste maatregelen zijn.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden