Hoe dominant is de westerse cultuur

'De westerse cultuur is de beste', hoor je wel eens zeggen. Maar is dat wel zo? En sinds wanneer? Cultuurhistoricus Peter Rietbergen legt het uit: 'In Rome staat naast de St. Pieter een grote moskee, terwijl christenen in Mekka uberhaupt niet welkom zijn.'

door Peter Rietbergen

Hoe komt het dat Europa ooit gedacht heeft dat het beter was? Hoe komt het dat de landen van West-Europa multiculturele samenlevingen geworden zijn, waarin mensen van verschillende groepen elkaar 'anders' vinden en soms discrimineren? En hoe komt het dat het proces waardoor die mensen steeds meer op elkaar gaan lijken, niet snel en pijnloos k¿n verlopen?

Historisch gezien zijn culturen nooit in evenwicht met elkaar. Hun onderlinge contact is nooit gebaseerd op gelijkwaardige uitgangsposities waartussen compromissen worden gesloten die meteen aanvaardbaar zijn. Het verleden - de enige empirische kennis waarop wij kunnen vertrouwen - verschaft ons geen bewijs voor het idee dat culturele integratie zoals wij die in Nederland nastreven vreedzaam, moeiteloos en snel bereikt kan worden.

Dat betekent niet dat syntheses tussen culturen nooit tot standkomen. Integendeel: vrijwel alle bovenlokale culturen zijn mengvormen. Maar die mengvormen ontstaan in een proces dat zo traag verloopt dat het met het oog van één generatie nauwelijks waarneembaar is. Zodoende denken velen in Nederland dat de bestaande multiculturele problemen snel opgelost kunnen worden; die gedachte bemoeilijkt het multiculturele proces en het debat daarover nog meer.

Vaak beschuldigen culturele minderheden de westerse cultuur ervan zich dominant op te stellen, niet alleen tegenover andere delen van de wereld, maar ook tegenover de groepen die hier vanuit andere culturen pas zijn aangekomen. In die dominante houding zien velen de wortel van alle kwaad. Ze ontwaren haar in het westers imperialisme dat grote delen van de niet-westerse wereld heeft uitgebuit, met de slavernij als historisch dieptepunt, en dat wordt voortgezet in het huidige liberaal kapitalisme dat ongelijkheid sanctioneert en dus instandhoudt. Ze zien haar ook in het voortgaande culturele imperialisme dat regionale, westerse normen en waarden verheft tot universele geldigheid door concepten als democratie, individualiteit en mensenrechten aan alle culturen dwingend voor te schrijven.

Los van de vraag of dit alles juist is, kun je je afvragen hoe de westerse houding tegenover de 'Ander' is ontstaan. Tot het begin van de 14de eeuw kenden de Europeanen als 'Ander' alleen de islamitische cultuur. Langs de frontlijnen van de beide werelden bestond vijandschap die zich uitte in wederzijdse heilige oorlogen. Tegelijkertijd bestond er cultuuroverdracht, vooral in Spanje en op Sicilië. Geen van beide beschavingen kon de andere werkelijk domineren en assimilatie of integratie afdwingen.

Pas in de 14de eeuw maakte Europa kennis met een beschaving die buiten het bekende Middellandse Zee-gebied lag: de Chinese. China bleek niet alleen anders, maar ook rijker en machtiger. Dat China zichzelf bovendien beschaafder vond en de Europeanen zag als barbaren, zette in Europa wel kwaad bloed, maar bevestigde toch de status van de Chinese cultuur. In de 18de-eeuwse discussies over de noodzaak van hervormingen in Europa fungeerde China zelfs als modelstaat.

Wanneer de Europeanen vanaf de 16de eeuw op grote schaal contact gaan leggen met andere culturen, zie je steeds hetzelfde patroon. De grote, geletterde culturen doen niet voor elkaar onder. Buiten hun eigen regio spelen de Europeanen slechts een marginale rol. Het superioriteitsgevoel waarvan ze niettemin soms blijk geven, past in de verdedigingsstrategie van de underdog, en is niet gebaseerd op werkelijke dominantie. Veel niet-Europese volkeren, met name de Aziatische, blijven zichzelf als de meest hoogstaande beschouwen, ook al omdat ze erin slagen onafhankelijk te blijven.

De huidige verhouding tussen het Westen en de rest van de wereld is pas iets langer dan tweehonderd jaar geleden ontstaan, tegen het einde van de 18de eeuw. Dan gaat Europa zich langzaamaan onderscheiden en slaat de machtsbalans om in Europees voordeel, ook buiten de eigen regio. De veranderingen beginnen op het technologische vlak al in de 17de en 18de eeuw. In West-Europa gaat men op steeds grotere schaal anorganische hulpbronnen en grondstoffen gebruiken, zoals vallend water, hout en steenkool, voor de mechanisering van de nijverheid. Later komen technische vernieuwingen tot stand, zoals de stoommachine. Er komt steeds meer wetenschappelijk onderzoek in dienst van de nijverheid. De eerste industriële revolutie is een feit.

Er is geen sluitend antwoord op de vraag waarom die ontwikkeling zich wel heeft voorgedaan in West-Europa, en elders niet. Duidelijk is dat de hoge urbanisatiegraad in West-Europa leidde tot specialisatie in de beroepssfeer en tot een manier van denken die gunstig was voor de nieuwe industrieën. In Europa waren de centrale overheden zwakker dan in Azië. Daardoor kon in de Europese steden - waar ondernemers ook bestuurders waren en waar een cultuur heerste van scholing en brede intellectuele participatie - een mentaliteit van onafhankelijk denken en handelen ontstaan, die het particulier initiatief aanmoedigde. De centralistische, dirigistische staten van Azië zagen verandering veel meer als gevaarlijk. China brak zijn imperialistische politiek in de regio van de Indische Oceaan af. En in de islamitische wereld, die tot de 15de eeuw zo ontwikkeld was geweest, werd de boekdrukkunst niet ingevoerd, naar men aanneemt zowel om religieuze als politieke redenen. Dat beperkte de vrijheid van meningsuiting, verhinderde het ontstaan van nieuwe politieke en religieuze ideeën en maakte grootschalige scholing en de groei van een kenniseconomie onmogelijk.

In West-Europa resulteerde in de 18de eeuw de economische noodzaak van interactie en concurrentie ook in een geleidelijke juridische erkenning van de vrijheid van de individuele staatsburger. Dat had weer gunstige gevolgen voor de economische ontwikkeling. Zo kwam na de industriële de politieke revolutie. Vanaf de vroege 19de eeuw gingen deze dynamische West-Europese staten - overigens in een moordende onderlinge wedijver - de wereldmarkt op. Door hun economische en politieke kracht wonnen ze de concurrentie met de meeste niet-westerse economieën gemakkelijk. De stammenculturen van Afrika konden geen weerwerk bieden. Andere deelnemers aan de wereldeconomie, zoals China en India, die sterke concurrenten hadden kunnen zijn, stonden door interne problemen tijdelijk buiten spel. De westerse economische hegemonie duurde van ongeveer 1820 tot in de jaren vijftig van de 20ste eeuw. In de decennia daarna worden juist India en China opnieuw tegenspelers van formaat.

Voor de verdere economische ontwikkeling van Europa en ook van de jonge Verenigde Staten waren scholing en democratisering nuttig. Daardoor werden de bewoners van de geïndustrialiseerde wereld in de 19de eeuw mondiger. Ze werden ook trots op hun verworvenheden: hun welvaart, hun cultuur. Omdat zij door hun intensieve contacten met andere beschavingen daarvan steeds meer kennis kregen, gingen ze er ook anders naar kijken. Cultuurvergelijking, die zo oud is als de mens, kreeg in de 19de eeuw een nieuwe, scherpere toonzetting. Voor het eerst werd ze ook aangeleerd in het lager en middelbaar onderwijs dat, vanwege de leerplicht, het merendeel van de bevolking bereikte.

Overigens manifesteerde cultuurvergelijking zich het eerst in Europa zelf. Noties dat noord-Europa beter is dan zuid-Europa en west-Europa beter dan oost-Europa, werden al eeuwenlang gebezigd, maar werden in de 19de eeuw heftiger verwoord. Toch waren de westerse naties zich ervan bewust dat ze fundamentele kenmerken gemeen hadden: het christendom en de daarop gebaseerde cultuur, en de wetenschap en technologie die uit die cultuur voortkwamen. Door die karakteristieken onderscheidde het Westen zich van de rest van de wereld, waar alleen Japan nog een zeker respect kreeg, juist omdat het zich niet liet onderwerpen.

Dit alles moeten Nederlanders weten, oude en nieuwe Nederlanders. Alleen goed, beter geschiedenisonderwijs geeft hun het juiste perspectief om te denken en te handelen.

Dat onderwijs moet ook vertellen dat het breed aangehangen idee dat het Westen in de 19de eeuw de wereld heeft onderworpen, overdreven is. Het probeerde dat alleen maar. Nu het westers imperialisme sedert de tweede helft van de 20ste eeuw voorbij is, weten we dat die onderwerping lang zover niet ging als wel gedacht is. Lokale culturele structuren bleken veel taaier dan de oppervlakkige Europese beschouwer meende te zien. De recente constatering dat na vijf eeuwen Spaanse overheersing de Indiaanse religies en culturen in Midden- en Zuid-Amerika in veel opzichten nog levend zijn, heeft menigeen verbaasd.

De ideeën over superioriteit en lokale aanpassing waren Europese wensdromen die de werkelijkheid dubbel vervormden: niet alleen Europeanen, maar ook lokale elites zagen de westerse cultuur als veel dominanter dan zij in feite was. Zij gingen denken dat handhaving van hun eigen machtspositie gebaat was bij aanpassing aan de nieuwe, imperiale verhoudingen. Ze leerden, vaak uit puur eigenbelang, de taal van de koloniale machthebber en namen zijn religie over.

Integratie ontwikkelt zich in het spanningsveld van dominantie en ondergeschiktheid. Contacten tussen culturen leiden niet in één of twee generaties tot een comfortabele nieuwe synthese. Ontegenzeggelijk verliezen nieuwkomers elementen uit de eigen beschaving. Het is de prijs van de overleving, in een situatie van machtsongelijkheid tussen de dominante cultuur en de subcultuur van de nieuwkomers. De hiërarchie daartussen herhaalt zich tussen subculturen onderling, bijvoorbeeld tussen allochtone Nederlanders die hier allang wonen en zij die hier nog maar pasgeleden zijn aangekomen. Alleen ideale mensen hebben geen 'Ander' nodig om zich mee te meten en tegen af te zetten.

Van bijzonder belang zijn taal en communicatie. Het is onvermijdelijk en ook wenselijk dat nieuwkomers de centrale taal overnemen die communicatie, en dus samenleving en cultuur, structureert. Dat leidt tot taalverlies en daarmee tot een zeker cultuurverlies. Dat is de prijs voor integratie. Daarmee voorkomen nieuwkomers wel dat ze in een tijd van recessie als eersten uit de boot vallen en zodoende een nog veel hogere prijs betalen.

Maar waarom zijn alleen in de westerse wereld multiculturele samenlevingen ontstaan? Waarom leven hier nu zovelen uit andere culturen? Omdat onze cultuur hoogstaander is? Velen zoeken hier de vrijheid en tolerantie die het Westen in zekere mate te bieden heeft. Toch is het vooral de welvaart die mensen uit andere culturen hier brengt. Die verkiezen ze kennelijk boven een bestaan in hun eigen cultuur.

Precies die welvaart heeft de westerse vrijheid en tolerantie sterk bevorderd. Democratie en vrijheid van meningsuiting zijn luxe verworvenheden die het mogelijk maken te praten over de integratie van nieuwe culturen, en kritisch te discussiëren over bijna alle aspecten van de eigen cultuur. Die vrijheid van zelfkritiek heeft men elders lang niet altijd. De scheiding van kerk en staat en de daardoor bevorderde tolerantie maken het mogelijk dat in Rome naast de St. Pieter een grote moskee staat, terwijl christenen in Mekka uberhaupt niet welkom zijn. Door de gelijkberechtiging van de vrouw kunnen vrouwen uit alle in Nederland nu gevestigde tradities over hun eigen positie nadenken, en keuzes maken; in de islamitische en Afrikaanse werelden is dat toch een stuk moeilijker.

Heeft het Westen nu de rest van de wereld zijn democratie opgedrongen, zijn kapitalisme, zijn individualiteitsdenken? Ontegenzeggelijk is de wereldwijde acceptatie van deze concepten mede bevorderd door anderhalve eeuw westerse dominantie. Maar men kiest elders ook steeds meer bewust voor die concepten. Terecht of ten onrechte denkt men dat ze meer welvaart-voor-velen garanderen dan andere systemen en denkwijzen, en betaalt men de prijs van cultuurverlies of cultuurintegratie. De economische voordelen van het westers model zijn de afgelopen honderdvijftig jaar gebleken. De voor tallozen dodelijke welvaartsschommelingen die pre-industriële economieën doormaakten, zijn in Europa in de loop van de 19e eeuw verdwenen; het levenspeil is evident gestegen. En al menen sommigen dat ook dit zijn prijs heeft - in doorgeslagen individualisme, in politieke onverschilligheid? - diezelfde welvaart maakt het de Nederlandse samenleving mogelijk mensen uit andere culturen op te nemen zonder dat dit leidt tot gruwelijke spanningen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden