Hoe dom is de Nederlandse lobby?

Het Europees Parlement in Brussel.Beeld Hollandse Hoogte

'Lobbyprofessor' Rinus van Schendelen spaart niets en niemand in zijn nieuwe boek. Nederlanders die besluitvorming willen beïnvloeden, doen van alles fout. 'Wie met lobbyen volstaat, is een kansarme geveltoerist.'

Voor de Nederlandse Spoorwegen is 'buitenlandse overname per 2025' onvermijdelijk als ze zo dom blijven omspringen met de kansen die de open EU-markt de NS biedt. Vakbond FNV faalt in zijn lobbywerk, 'stamgast bij polderoverleg, maar zonder lokkende agenda – moet qua beïnvloeding van haar buitenwereld nog veel (leren) verbeteren'.

Tweede Kamerleden hebben geen benul van hoe ze besluitvorming in Brussel kunnen beïnvloeden, maar waar ze wel goed in zijn, is achteraf jammeren over de uitkomsten ervan. 'Dan blijven zij verliezers van EU-integratie en moeten ze niet klagen over de EU, maar over zichzelf'.

Zomaar wat snoeiharde oordelen van 'lobbyprofessor' Rinus van Schendelen in zijn boek 'Beïnvloeding in Nederland en Europa' dat maandag verschijnt.

Over weinig beroepsgroepen bestaan zo veel mythes en vooroordelen als over lobbyisten. In de beeldvorming zijn dat sluwe, doorgaans door het grootkapitaal aangestuurde gladjakkers die met een glas champagne in de hand Haagse en Brusselse recepties afstruinen om daar de machtigen der aarde onder de kin te kietelen.

Zeg 'lobby' en de burger denkt aan sjoemelende autofabrikanten, bankbobo's in krijtstreep en handelaars in teer en nicotine. Terwijl een blik in de spiegel volstaat om te beseffen dat we allemaal lobbyisten zijn, elke dag opnieuw. Dat begint al als baby, als we krijsend lobbyen om melk.

In zijn boek legt Van Schendelen gedetailleerd uit hoe die beïnvloeding wel en niet werkt. Daarbij kijkt hij specifiek naar de politieke arena in zowel Nederland als de Europese Unie.

Van Schendelen (1944) is emeritus hoogleraar politicologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en auteur van een reeks boeken waaronder het internationale standaardwerk 'The Art of Lobbying the EU'. Hem mogen we gerust de Nederlandse lobbygoeroe noemen, al zal hij gruwen van dat etiket. Dat begint al met het volgens hem te smalle begrip 'lobby', dat te pas en te onpas wordt gebruikt als 'pars pro toto' van het veel bredere 'beïnvloeding, het op een na oudste beroep' in de wereld.

Wandelgangengedrag

Beïnvloeding begint met een grondige inwinning van informatie over het te beïnvloeden thema en eindigt met het trekken van lessen over wat goed en fout ging. Aan beide uiteinden gaat in Nederland veel mis, concludeert Van Schendelen. Zij die willen beïnvloeden, lezen zich slecht in en zijn te verwaand om achteraf hun fouten toe te geven.

Ook cruciaal zijn de verkenning van het speelveld en het zoeken naar bondgenoten. Ergens in dat proces moet de beïnvloeder soms inderdaad lobbyen, ofwel 'wandelgangengedrag' vertonen, maar: 'De ouderwetse lobby neemt vooral op EU-niveau snel af', stelt Van Schendelen. Elders schrijft hij: 'Wie met lobbyen volstaat, is een kansarme geveltoerist'.

Zijn boek bevat een rijke verzameling praktijkvoorbeelden van zowel 'domme' als 'intelligente' beïnvloeding, zonder ontzag voor de machtspositie van een bedrijf of organisatie. Iedereen krijgt billekoek van Van Schendelen, van de kleinste belangenvereniging tot multinationals en (ex-)ministers.

Want dat vooroordeel ontkracht Van Schendelen meteen: er is 'géén stelselmatig verband tussen invloedsmiddelen en feitelijke invloed'. Dat je met geld invloed en macht koopt, is onzin. Neem de steenrijke tabakslobby, die al decennialang bijna elke slag verliest. 'Onbekende groepen of personen kunnen achter de schermen meer feitelijke invloed hebben dan bekende'. 

Wie niet rijk is, hoeft niet ook nog eens dom te zijn. Een ander sprekend voorbeeld is Shell. De Brits-Nederlandse energiereus beschikt over een van de best geoliede beïnvloedingsmachines in de wereld, 'strak georganiseerd, proactief, intern en extern grondig, met één stem en boodschap'.

Toch handelt ook Shell soms dom, volgens Van Schendelens definitie. 'Energiesector-breed (wind, zon en dergelijke) zit het vaak aan tafel met de reputatie van 'horen, zien en zwijgen': uithoren om zo nodig te hinderen.' Met de 'onderbuik' van de samenleving lijkt het concern weinig op te hebben, terwijl die maatschappelijke onderstroom Shell vaak succesvol in een isolement weet te duwen.

De Europese Unie is een verhaal apart. Nergens in de wereld bestaat een internationaal samenwerkingsverband dat erop lijkt. Toch hollen Nederlandse beïnvloeders blind naar Brussel alsof het Den Haag in het groot is. 'Pressiegroepen die de 'EU-eigenaardigheden' niet kennen en in de EU rondgaan als thuis, verdwalen, irriteren anderen en gaan huiswaarts met een illusie armer en een inburgeringsproject rijker', schrijft Van Schendelen genadeloos.

Nog zo'n misverstand is dat de EU een onbereikbaar, bureaucratisch bastion zou zijn. Pressiegroepen 'weten nauwelijks hoe de EU precies functioneert en hoe toegankelijk en beïnvloedbaar zij is (vaak meer dan de eigen overheid).' Van Schendelen noemt het voorbeeld van een groep (ex-)borstkankerpatiënten die hem in 2000 als adviseur inschakelt wegens hun ergernis dat onder anderen artsen en zorgverzekeraars over hun hoofden beslissingen nemen.

Daarvoor moet je niet in Den Haag zijn, maar in Brussel, zo begint het advies. Bijna letterlijk enkele muisklikken later heeft Van Schendelen hen binnengeloodst bij de Europese koepelorganisatie die hun belangen behartigt en nog geen Nederlandse vertegenwoordigers had. 'Zo vlot gaat de opstart soms.'

Soms ziet de lezer bijna het meewarige hoofdschudden van Van Schendelen voor zich, terwijl al die domme pogingen tot beïnvloeding zich aaneenrijgen. Niet alleen de FNV en de Nederlandse Spoorwegen worden geknipt en geschoren, ook private instellingen in onderwijs, zorg, cultuur en sport krijgen ervan langs: 'begerig naar extra geld, tegen bemoeienis van buitenaf met 'professionals als wij zijn', hoge eigendunk van hun 'sacrosancte werk' en gefixeerd op hun eigen overgeorganiseerde sector'. Zo breekt hun beïnvloeding nauwelijks potten.

Het boek bevat ook talrijke 'intelligente' praktijkvoorbeelden, eveneens op alle niveaus. Vol lof is Van Schendelen over de kabinetsformatie van 2012, met VVD en PvdA. 'De spelers doen enkele logica's van beïnvloeding goed: na de stembus snel om de tafel (anderen vóór zijn), vlot een akkoord maken (tempo houden), verzet opdelen in thema's (front breken).' 

Hoe vaak heeft Van Schendelen in Den Haag echter niet de woorden 'het moet van Brussel' moeten aanhoren van instanties die zelf hebben zitten te suffen in de aanloopfase naar EU-regelgeving?

Tekst loopt door onder afbeelding. 

Rinus van Schendelen - Beïnvloeding in Nederland en EuropaBeeld rv

Cruijffiaanse taal

De Tweede Kamer is wat de politicoloog betreft een dieptepunt. 'Zij praat vooral' en 'reageert op mediagepiep'. Serieuze beïnvloedingspogingen op EU-processen ondernemen parlementariërs niet, al hebben ze daar de instrumenten voor. Als zij blijven doen 'alsof de EU ver weg of kabinetszaak is, dan krijgen zij én hun burgers de EU-downstream die zij verdienen'. Waarbij 'EU-downstream' staat voor de uitwerking van besluiten die in Brussel zijn genomen, met Nederland aan tafel.

Deze benodigde uitleg brengt ons op de grote makke van dit boek: het is eigenlijk onleesbaar, door het woud aan afkortingen, de informatiedichtheid (adempauzes zijn er niet) en de unieke woorden en begrippen die Van Schendelen rondstrooit. Hij is geen auteur die zijn lezers wil behagen, al belooft hij in het voorwoord 'heldere taal'.

Geheel onnodig is het afkorten van landnamen tot twee letters, zoals NL, DE en EL. Ministeries worden teruggebracht tot BZK, BZ of JZ. Dat oogt allemaal nogal lui. Soms lijken de hoofdstukken op ruwe aantekeningen voor een hoorcollege - een buitengewoon interessant hoorcollege, daar niet van, maar de uitgever heeft de uitgeverstaak verwaarloosd om de grove tekst om te zetten in een verzorgd boek voor een breed publiek.

Want dat brede publiek verdient het zeker. Iedereen die op welk niveau dan ook enige invloed wil uitoefenen op nationale of Europese besluitvormingsprocessen zal er iets van opsteken, van milieuactivist tot regeringsleider, van diplomaat tot bloemenexporteur.

Die lezer moet wel de mouwen opstropen en wennen aan de stijl. Jargon is het niet - daarvan bedienen zich de minder getalenteerde vakgenoten. Het is een eigen taal, of beter gezegd: het Cruijffiaanse dialect genaamd het 'Vanschendelens'. Wie zich dat eenmaal eigen heeft gemaakt, wordt soms verrast door een keur aan originele, trefzekere vondsten.

Zo breekt hij ergens een lans voor 'alert geduld', een mooi begrip dat allerlei associaties oproept. Dat zijn momenten die schreeuwen om wat extra uitlegzinnen of een smeuiige anekdote. Maar daarvoor acht Van Schendelen het leven te kort - meteen sleurt hij de lezer de volgende casus binnen.

Recht voor z'n raap niet altijd goed

De Nederlandse direct- dan wel botheid is inmiddels zo'n cliché geworden dat Nederlanders zelf er geen acht meer op slaan of het zelfs als geuzenterm zien. In zijn nieuwe boek noemt politicoloog Rinus van Schendelen 'gelijkhebberij, ongeduld en dwarsliggerij' als de stereotiepe Nederlands gedragskenmerken.

Sommige Haagse politici bevestigen dat cliché van tijd tot tijd, zoals oud-minister Jan Kees de Jager met zijn 'Ik ben Nederlander, dus kan ik bot zijn' (2011).

Van Schendelen: 'Hun geluid dat 'vrijheid' de kern is van 'democratie' en dat ieder dus kan 'zeggen wat je invalt', is in de Nederlandse historie exceptioneel en met andere EU-culturen weinig congruent.' Oftewel: vanuit je cultuur uitleggen waarom je bot bent, doet niets af aan de schade die deze botheid aanricht.

Wytze Russchen, lobbyist in ruste en auteur van 'Het Oliemannetje - Toplobbyist in Europa' (2014) heeft de nodige ervaringen met het Nederlandse gedrag in Brussel. "Wij zenden de hele tijd hè? We zijn de evangelisten van deze wereld. Luisteren is er niet bij. Een Vlaming draait eerst veertig rondjes om de kerk, wij willen direct naar het altaar."

Russchen herinnert zich een bezoek van een groep Amsterdamse handelaren aan Brussel, voor wie hij een stoet aan prominente sprekers had geregeld. "Het had een tweedaags bezoek moeten zijn, maar al na dag één zeiden die Amsterdammers: 'we gaan naar huis, wat een geouwehoer allemaal'. Nederlanders willen niet dat hun iets wordt verteld." Met de nodige gêne moest Russchen de genodigden afbellen.

Ook Friso Coppes, directeur van het Nederlandse public-affairskantoor Bureau Brussels en al bijna 25 jaar woonachtig in België, herkent het gedrag. "Taalgebruik is cruciaal. Als een Brit zegt: 'How interesting', bedoelt hij vaak: rot op. Dat soort dingen leren wij niet, alles moet recht voor z'n raap. Anderen vinden dat hufterig. Als je zaken wil doen, loont het om je op z'n minst in te leven in een ander. Dat doen wij niet."

Minister van financiën en eurogroepvoorzitter Jeroen Dijsselbloem joeg eerder dit jaar vooral Zuid-Europa de gordijnen in met zijn 'drank en vrouwen'-uitspraak in een Duitse krant. De affaire kwam te laat voor Van Schendelens boek.

Het was niet zozeer de uitspraak zelf (uitgelegd als kritiek op spilzucht in Zuid-Europa) die schade aanrichtte, als wel het verweer van Dijsselbloem naderhand. "Ik betreur het als iemand zich beledigd voelt door de uitspraak", aldus Dijsselbloem in maart. "Die was direct, en kan worden verklaard vanuit de strikt Nederlandse, calvinistische cultuur." Dat was alleen maar olie op het vuur. Alsof ze in Spanje, Portugal en Italië zouden zeggen: 'oh, maar dan is het goed'.

Van Schendelens tip: lees het ruim tweeduizend jaar oude 'Ars Amandi' (Verleidingskunst) van dichter Ovidius. 'Nog altijd begint iemand die wil beïnvloeden het beste op de wijze die Ovidius beschrijft: indirect, stil, informeel en aardig.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden