Opinie

Hoe dom en blind is haat. Toen. En nu.

Waarom zouden die twee Palestijnse teenagers indertijd, in 1989, Menachem Stern (1925) met een mes hebben doodgestoken? Ze wachtten hem op op zijn vaste route, het dagelijks loopje van zijn huis naar de bibliotheek van zijn Jeruzalemse universiteit.

Een paar jaar voor zijn dood verscheen het laatste deel van Sterns ’Greek and Latin Authors on Jews and Judaism’. Wie wil weten wat de Grieken en Romeinen over Joden hebben geschreven, kan hier terecht. Stern heeft alles uitgezocht. Tot en met de kleinste snipper.

De nieuwtestamenticus Pieter van der Horst gebruikte Stern voor een selectie over Joden en judaïsme. Hij vertaalde en voegde verklarende noten toe. Meer hoeft niet. De teksten spreken voor zich. Ook na zo veel eeuwen.

Haat, zo blijkt, was er vanaf het moment dat Alexander de Grote in 332 v.C. het Midden-Oosten veroverde en de joden zich buiten Palestina gingen vestigen in zijn nieuwe metropool het Egyptische Alexandrië.

De haat betrof, toen al, hun anders zijn. Dat ze zich, tot en met de seksuele kontakten, beperkten tot het eigen volk. Vandaar die besnijdenis. Als ultieme verificatie. Dat ze op de zevende dag niet werkten als alle anderen. Dat ze geen varkens aten, maar verder ongeveer alles waar anderen wegens onheilig met een boog om heen liepen.

En dan hun afkomst. Een stelletje door melaatsheid en andere onreine ziektes aangevreten Egyptenaren die op zeker moment het land uitgezet waren. Kortom: een groep ongeregeld met om zich heen een zweem van onreinheid, onbetrouwbaarheid en groepsegoïsme. Toen al.

Maar bewondering was er ook. Vooral van filosofische kant. Om de ene God die aanbeden werd. Om het beeldverbod. Joden zouden een volk zijn van filosofen. Mozes zou een rechtvaardig en dapper leider geweest zijn. Maat houden blijkt moeilijk. Toen. En nu.

De teksten van Van der Horst documenteren de voorchristelijke wortels van het antisemitisme – en rekenen in één adem door af met de gedachte dat antisemitisme een christelijke uitvinding is.

Neem Cicero. Hij spreekt over de Joden als hij Flaccus verdedigt. Flaccus was een Romeins bestuurder uit Asia (nu: Turkije) die geld achtergehouden zou hebben dat was ingezameld voor de tempel in Jeruzalem.

Maar, stelt Cicero, ’van dat gehate joodse geld’ heeft Flaccus niets achterover gedrukt.

Hij voerde de wet uit en die verbiedt uitvoer van geld. Met zijn verbod verzette Flaccus zich tegen een barbaarse vorm van bijgeloof en toonde minachting jegens een razende meute joden. Wie zou hem om die strengheid en dat koele hoofd niet prijzen? Iedere staat heeft zijn eigen godsdienst, zo ook wij de onze.

Daar zit, in de notendop, alles in. Onze wetten die zij proberen te omzeilen. Onze godsdienst die het voor het zeggen heeft. Bij hen de razernij van de meute, bij ons koele strengheid.

Of neem Tacitus. Als Tacitus in zijn geschiedschrijving toe is aan de verovering van Jeruzalem, onderbreekt hij zichzelf om iets te vertellen over de oorsprong van de stad. Op zeker moment brak er in Egypte een afschuwelijke ziekte uit die het lichaam verminkte.

De koning kreeg opdracht zijn koninkrijk te reinigen en de zieken, die duidelijk door de goden gehaat werden, af te voeren. Ze werden gedumpt in de woestijn. Een van hen, Mozes, vertelde hun daar dat ze door goden en mensen in de steek gelaten waren en dat ze op eigen kracht moesten overleven. Om zijn greep te versterken ontwierp hij nieuwe riten. Net anders dan alle andere. Profaan werd wat bij ieder ander heilig is. Verboden wat overal is toegestaan.

Later stichtte hij Jeruzalem dat rijk geworden is door alle bekeerlingen, die hun goden moesten – en moeten – verloochenen, hun vaderland minachten en ouders en andere familie afzweren. Tacitus noemt ze het schuim der natie. Maar in Jeruzalem zijn ze meer dan welkom en met lege handen kwamen ze niet.

Meest opvallend in de door Van der Horst bijeengelezen teksten vond ik dat de niet-joodse meerderheid de joden altijd vanuit het eigen perspectief heeft bekeken en beoordeeld.

Die meerderheid heeft het niet op minderheden met een taaie identiteit. Hun afkeer wordt zo maar haat. Iets van vroeger? Welnee, de haat is springlevend. Menachem Stern werd er het slachtoffer van. Twee tieners die een hun onbekende, wijze, erudiete man doodsteken als een vlieg. Hoe dom en blind is haat. Toen. En nu.

Pieter W. van der Horst: Tussen haat en bewondering. Grieken en Romeinen over het jodendom. Een selectie van teksten vertaald en toegelicht.@ Uitgeverij Aspekt €19,95, ISBN 9789059118089

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden