Hoe deugdelijk is het politieverhoor? De belangrijkste technieken ontleed

Een arrestant in de boeien op een politiebureau. Beeld ANP XTRA

De huidige Nederlandse politieverhoorder staat mijlenver van de bullebakstijl uit de oude Arnhemse villamoord, zeggen docenten van de Politieacademie. Maar ook met een op het oog neutralere stijl is er volgens de verhoorwetenschapper gevaar op valse bekentenissen.

Urenlang iemand verhoren. Schreeuwen en met de vuist op tafel slaan. Een verdachte woorden in de mond leggen en voorliegen (‘je maatje heeft al bekend’). Allemaal verhoor-tactieken die de kans groot maken dat twee verdachten in de zogeheten Arnhemse villamoord twintig jaar geleden een valse bekentenis hebben afgelegd. Vorige maand werd geadviseerd de zaak, waarin negen verdachten voor een roofmoord werden veroordeeld opnieuw te bekijken. Met celstraffen van destijds vijf tot twaalf jaar is het oordeel ‘mogelijk grootste justitiële dwaling ooit’ al geveld. En dat terwijl er wel meer dwalingen bekend zijn, waaronder de Gooise villamoord en de Schiedammer parkmoord. In die twee ­zaken is al vastgesteld dat de bekentenis niet klopte.

Hoe is het gesteld met de kwaliteit van het politieverhoor in Nederland? Een beschrijving op basis van drie type verhoorders.

1 De bullebak

Het idee achter de aanpak tijdens de villamoord lijkt duidelijk. Er moet snel een bekentenis komen, en met een stevige aanpak trek je verdachten over de streep. Eigenlijk is het jammer dat het inzicht dat bijna tien jaar daarvoor al ontstond, de Arnhemse verhoorkamer nog niet had bereikt. Op de Politieacademie ­besloten docenten in 1989 eens goed te kijken naar de aanpak van rechercheurs die bekendstonden als ­succesvol. Dat bleken juist niet de verhoorders te zijn die grote druk zetten.

Imke Rispens en Jos Hoekendijk, als veertigers ervaren recherchepsychologen en docenten verhoortechnieken aan de Politieacademie, vermoeden dat de bullebak twintig jaar geleden al niet dominant was. “Je hoort vooral over de incidenten, dat wil niet zeggen dat het altijd zo gaat”, zegt Rispens.

De verhoordocenten spreken overigens niet van de bullebakstrategie, maar van het model van interrogation, een confronterende aanpak ­waarbij de verhoorder vooral toewerkt naar het scenario waarin de verdachte het heeft gedaan. “Vaak gaat het over grote zaken waarin dat opvallend misging, maar het kan ook een stuk subtieler”, zegt Rispens. Neem de man die in de verhoorkamer zit na het verdachte overlijden van zijn vrouw, en uit wiens verhaal blijkt hoe zij hem jarenlang heeft ­geterroriseerd. “De neiging zou kunnen zijn dat je als verhoorder zegt ‘ik begrijp eigenlijk wel waarom je haar hebt gedood’”, memoreert Rispens, die ook auteur is van de handleiding verhoren die de academie gebruikt. “Dat zou niet professioneel zijn. Maar bovendien maak je met zo’n opmerking ook duidelijk dat je denkt dat hij de dader is.” Dat kan leiden tot de gevreesde tunnelvisie, het vergeten van andere scenario’s.

Rispens is verantwoordelijk voor de opleiding van verhoorders voor zogeheten kwetsbare verdachten. Dat is een brede groep, van mensen met een psychiatrische stoornis tot verdachten met een laag IQ. Verspreid over Nederland heeft de ­politie inmiddels zo’n 200 van deze specialisten. Ze moeten onder meer letten op het grote gevaar dat deze verdachten iets bekennen terwijl ze het eigenlijk niet begrijpen.

Waarom dan toch de bullebak spelen als ook in 1998 al bekend was dat het niet werkt? Het duurt even voordat zo’n inzicht gemeengoed is, zegt Hoekendijk. “De grootste verandering kwam na 2000, na zaken als de Schiedammer parkmoord. Als ik twintig jaar geleden een groep studenten vroeg ‘wie denkt er dat iemand­­ een moord bekent die hij niet heeft gepleegd’, stak bijna niemand zijn hand op. Ik kon het ook zelf maar moeilijk geloven. Maar we weten nu dat, wanneer je maar genoeg druk zet, veel verdachten van alles zullen bekennen, ook al is dat vals.”

Is het soms niet gewoon nodig, de vuist op tafel? “We weten inmiddels dat een verdachte daar doorgaans van dichtslaat. Die verhoorstijl is niet effectief”, zegt Hoekendijk.

Exit de bullebak dus. Of toch niet helemaal: er zijn situaties te bedenken waarin extra druk wel wordt ­ingezet. Extreem voorbeeld is de ­geweldvolle arrestatie vorig jaar van Michael P., op een moment dat de politie zijn slachtoffer Anne Faber nog levend hoopte te vinden. Extra informatie leverde dat overigens niet op.

De verhoortrainingen voor de nieuwe lichtingen duren maandenlang, waarbij de aankomend verhoorders in een nagebouwde verhoorkamer trainingsacteurs als ‘verdachten’ tegenover zich vinden. De enkeling die daarbij volhoudt aan de agressievere interrogation-stijl, zal de opleiding niet halen, of niet afmaken.

Op de vraag of zo’n verhoor als bij de villamoord heden ten dage nog kan plaatsvinden, zegt Hoekendijk ronduit ‘nee’. “De inzichten zijn niet alleen anders, er zit nu ook een advocaat bij.” Rispens is wat voorzichtiger. “De kans op die fouten is in ­elk geval een stuk kleiner geworden.” Ze noteert wel dat niet iedere regionale eenheid tussen het groeiende aantal verhoren ruim tijd kan vrijmaken voor bijscholing. “Dat kan op sommige plekken beter.” Het is extra van belang omdat onder het relatief groot aantal oudere politiemensen dat vertrekt, veel getrainde verhoorders zitten. Hun vervangers moeten allen tijdig opgeleid.

2 De gesprekspartner

De interrogation-stijl is zeker de laatste tien jaar vervangen door een ander model, zeggen de docenten: de investigative interviewer. Een van de grondgedachten hierin is dat alle scenario’s­­ nog mogelijk zijn en dat de aanwijzingen – sporen, beelden, getuigenissen – in het verhoor moeten worden besproken. En dan niet in het wilde weg, er moet eerst een verhoorplan komen. “Neem een beroving waarbij een getuige een mogelijke dader in een auto heeft zien stappen”, zegt Hoekendijk. “Van beveiligingscamera’s heb je het kenteken. Je kunt de eigenaar van die auto direct confronteren met alles wat je weet. Met als risico dat hij direct roept dat hij de auto heeft uitgeleend. Wat moet je dan geloven? Het werkt vaak beter als je eerst samen vaststelt dat die auto van hem is, en bijvoorbeeld vraagt of hij hem weleens uitleent. Pas daarna geef je de informatie die je hebt. Zo houd je meerdere mogelijkheden open. En als hij verklaart dat de auto is uitgeleend zonder te weten van de beelden, is de kans groter dat het klopt.”

De informatie die verhoorders krijgen moet volgens Hoekendijk het ‘cement’ vormen tussen alle ­andere aanwijzingen. Bij een complexere zaak zal zo’n verhoorplan ook meer tijd kosten. “Voorbereiding is alles”, zegt Rispens. De docenten zijn niet betrokken bij de zaak-Verstappen, waarin verdachte Jos B. rond deze tijd wordt gehoord na de vondst van zijn DNA bij de dode jongen, maar stellen in het algemeen dat de verhoorders uitdrukkelijk het scenario moeten openhouden dat iemand­­ niet betrokken is bij de misdaad, ook als de hele samenleving al heeft geoordeeld dat hij de dader is. Rispens: “Dat is juist extra reden om waakzaam te zijn, zou ik zeggen”.

De onderzoekende interviewer probeert allereerst een goede werkrelatie met de verdachte op te bouwen. “Het geheim van een goede verhoorder is oprechte interesse”, zegt Hoekendijk. En dan niet het praatje vooraf over het weer. “Interesse in wat er is gebeurd, in wat een verdachte heeft meegemaakt en mogelijk­­ gedaan.”

Emoties en opwinding moeten zoveel mogelijk buiten het verhoor gehouden worden. “Als je met iemand praat die verdacht is van mishandeling van zijn kind, en noteert dat hij stelselmatig liegt en kwaad wordt, kun je het best even de verhoorkamer verlaten”, zegt Hoekendijk.

Het klinkt misschien soft, geven de docenten toe. Rispens: “Hoewel je ook op deze manier iemand heel stevig kunt verhoren. Dat doe je dan met de informatie die jij hebt, waarmee je een verdachte confronteert. En je houdt ook afstand. Je probeert de gedachten van iemand te begrijpen, maar je gaat die niet goedkeuren. Dat is alleen maar een valkuil.”

Het is de meest effectieve methode om informatie te krijgen, zeggen de docenten en ook criminoloog Willem-Jan Verhoeven van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Hij bestudeerde verhoren in zware zaken, zoals moord. “Druk zetten levert weinig op. Op iemands schuldgevoel inspelen, suggestieve vragen stellen of hypothetische situaties voorleggen trouwens doorgaans ook niet. Met een open gesprek over de aanwijzingen die er al zijn krijg je de meeste informatie.”

Verhoeven: “Ik heb de indruk dat de opleiding tot verhoorder de laatste tien jaar flink is geprofessionaliseerd. Dat verkleint de kans op ­onder grote druk afgedwongen valse bekentenissen.”

Verhoeven tekent wel aan dat die valse verklaringen er ook kunnen komen als verhoorders niet met de vuist op tafel slaan. “Het kan subtieler; door bij een ogenschijnlijk open gesprek te werken op iemands schuldgevoel kan ook druk worden opgebouwd zodat hij uiteindelijk iets bekent wat hij niet heeft gedaan. Als iemand bekent, moet je net zo hard doorgaan met de andere aanwijzingen naast zijn verhaal te houden als wanneer iemand ontkent.” En de criminoloog relativeert: ook bij een effectievere verhoorstijl is succes niet gegarandeerd. “In Nederland ­bekennen de meeste verdachten al vrij snel. Anderen ontkennen en een kleine groep zwijgt. Tijdens het ­onderzoek en de verhoren wisselen weinig verdachten van strategie. Als iemand dus niet bekent, heeft het doorgaan met verhoren soms minder zin dan de politie aanneemt.”

3 De allesweter

Bij criminologen als Verhoeven ­bestaat hernieuwde belangstelling voor het werk van Hanns Joachim Scharff, de Duitser die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel informatie uit gevangengenomen geallieerde piloten wist te halen door uiterst vriendelijk te blijven en vooral de ­indruk te wekken dat hij eigenlijk ­alles al wist. “Er zijn onderzoeken die laten zien dat mensen bij zo’n verhoorder meer informatie geven dan bij anderen”, zegt Verhoeven. “Of het in de verhoorpraktijk werkelijk zo gaat, moeten we nog uitzoeken. Er zit een gevaar bij, bijvoorbeeld dat je daderinformatie prijsgeeft aan een verdachte, terwijl je ­eigenlijk wilt uitzoeken of hij iets weet wat alleen een dader kan ­weten.”

In Engeland en Zweden ontstaan enigszins verwante stromingen ­onder namen als strategic use of evidence. Bij de Politieacademie onderzoekt Martijn van Beek, collega van de verhoordocenten in dit verhaal, in een promotieonderzoek op welk moment aanwijzingen het best aan verdachten kunnen worden voorgelegd om zo de meeste en betrouwbaarste informatie te krijgen.

Lees ook: Politieverhoren: een jacht naar de bekentenis?

De druk op de politie om ernstige misdrijven op te lossen, is groot. Zetten ze daarom verdachten soms te veel onder druk om te bekennen?

De nieuwe bril van de rechter

Zijn de rechterlijke dwalingen definitief de wereld uit? Een wetswijziging leverde in zes jaar tijd een paar spectaculaire revisies op. ‘Je moet er ook niet te veel van verwachten. Rechters blijven mensen, en mensen maken fouten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden