Hoe de strip volwassen werd

Colleges over de finesse van Hergé, de vader van Kuifje

Een gelijkmatige lijnvoering, zonder verdikkingen of verdunningen. Geen schaduwen, arceringen en verlooptinten. Het tekenwerk van Hergé oogt bedrieglijk eenvoudig. Zijn hoofdfiguur Kuifje is misschien het beste voorbeeld. Het hoofd van de jonge reporter bestaat uit weinig meer dan een cirkelvorm met een kuif bovenop. Ogen, neus en mond zijn met minimale middelen weergegeven.

Het was de Nederlandse tekenaar Joost Swarte, die in 1977 de sindsdien internationaal gangbare aanduiding voor de stijl van de door hem bewonderde Hergé muntte: de klare lijn. Joost Pollmann haalt het aan in 'De stripprofessor. Vijftig colleges over tekenkunst'. Het gebeurde bij de tentoonstelling 'Kuifje in Rotterdam'. De Belgische stripauteur werd er neergezet als kunstenaar wars van effectbejag. Zijn werk had bijna iets zakelijks, iets nuchters.

Die koele, trefzekere tekenhand is deels schijn, stelt de Belgische schrijver/kunstcriticus Pierre Sterckx in 'Kuifje. Hergé's klassieker'. De eerste opzetten voor plaatjes en pagina's in potlood waren een stuk schetsmatiger. De definitieve keuzes maakte Hergé bij het overtrekken en inkten. Uit de wirwar aan lijnen wilde hij overhouden wat essentieel was voor helderheid en leesbaarheid. Kuifje's geestelijke vader wilde de beslissende lijnen overhouden. De beste waren volgens hem die waar de beweging in opgesloten lag.

Verwar Hergé's stijl daarom niet met een egale lijn, ontdaan van alle emotie, waarschuwt Sterckx. De tekenaar wist er altijd levendigheid in te leggen. Zijn werk was nooit bloedeloos. Sterckx heeft het daarom niet op de term 'klare lijn'. "Het is iets uit de tuinderij: een lijn met een koord getrokken", moppert hij. "De tekenstijl van Hergé staat daar mijlenver vanaf."

Die afstand is volgens Sterckx veel minder groot bij navolgers van Hergé zoals zijn studiomedewerker Bob de Moor en ook Joost Swarte. Hij vindt dat hun werk de vitaliteit van de meester mist. Hun lijnen zijn verstard.

Hergé groeide gestaag als kunstenaar in de jaren tussen 'Kuifje in het land van de Sovjets' (1930) en zijn door vroegtijdig overlijden in 1983 onvoltooid gebleven 'Kuifje en de alfa-kunst'. Van reeksen losjes aan elkaar geregen eendimensionale grappen (vol stereotypen) werden de albums gelaagde verhalen met schitterend, goed gecomponeerd en gedocumenteerd tekenwerk. Het leverde parels in het oeuvre op als het filmisch ogende Koude-Oorlogsverhaal 'De zaak Zonnebloem', het serene 'Kuifje in Tibet' (therapeutisch voor de destijds met depressies kampende Hergé) en het non-avontuur 'De juwelen van Bianca Castafiore'.

De vorig jaar overleden Sterckx kon vertellen uit eerste hand. Hij kende de tekenaar in de laatste twee decennia en maakte hem op verzoek wegwijs in de kunstgeschiedenis.

Zoals Hergé nieuwe richtingen insloeg, zo evolueerde ook de strip ('de negende kunst'). Sommige beeldverhalen borduren voort op dat wat vroeger in bladen als Pilote, Pep, Eppo, Robbedoes en Kuifje was te lezen. Maar er is zoveel meer: graphic novels die imponerend tekenwerk koppelen aan literaire kwaliteit, de tekenende verslaggever als vorm van slow journalism, verstripte letterkunde, stripbiografieën (Rembrandt, Van Gogh en Bosch kwamen al aan de beurt), autobiografisch werk.

Een fraai staaltje van dat laatste is 'Styx, of de Zesplankenkoorts', waarmee Pollmans broer Peter Pontiac (Polmann), die vorig jaar overleed, zijn eigen sterfbed in beeld bracht. Een serieuze exercitie met ruimte voor relativering en knipogen.

Joost Pollmann kent de stripwereld als organisator, curator en publicist met jarenlange ervaring van haver tot gort. Dat betaalt zich uit in 'De stripprofessor'. Niet elk van zijn vijftig colleges daarin is even sterk. De opdrachten aan de lezer waarmee hij elk betoog afsluit zijn soms wat flauw. Maar de meeste lessen combineren gedegen kennis en enthousiasme.

De stripkritiek kent in Nederland nauwelijks traditie. Het beeldverhaal wordt hier minder serieus genomen dan in landen als Frankrijk en België. Volgens Pollmann kan dat, net als het hier vrijwel ontbreken van politieke strips, een religieuze achtergrond hebben. Protestanten zijn gelovigen van het woord. Zij houden van satirici die vanaf hun kansel maatschappijkritiek en moralisme vermengen. Vandaar dat kleinkunstenaars in Nederland goed gedijen. Katholieken zijn aanbidders van het beeld.

Goed plaatjes kunnen kijken, een speciale manier van close reading, is essentieel bij strips, want het is de lezer die het werk van de tekenaar afmaakt. "De essentie van de strip ligt in de goot, dat wil zeggen in de witruimte tussen de tekeningen", constateert Pollmann in een van zijn beste passages.

"Daar verstrijkt de tijd, daar zit de rust tussen de twee acties, daar vindt de montage plaats die in films veel minder opvalt. Bij het consumeren van een verhaal moet de lezer slootjespringen van kader naar kader. Het beeldverhaal is een doe-het-zelfmedium dat van de lezer verlangt dat hij of zij stilstaande beelden leven inblaast door oorzakelijke verbanden te leggen tussen de plaatjes onderling. In zijn of haar fantasie moet dan een wereld vol beweging en emotie gaan draaien, die volledig doet vergeten dat de aanleiding een statische rij geïnkte rechthoeken was."

Wie beter leert kijken, gaat meer zien. 'Professor' Pollmann is daarbij een goede gids. Hij wijst de weg in een steeds grotere variëteit aan vormen en genres. Met groot gemak legt hij dwarsverbanden met andere artistieke uitingen. Zo komt Pollman met bekende en minder bekende linken tussen de strip en hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis: de Egyptische hiërogliefen, het tapijt van Bayeux en de gruwelijke oorlogsprenten van Goya.

Tegelijk ziet de auteur ook parallellen tussen de cartoons van de Nederlandse tekenaar Gummbah en de vlezige naakten van de Britse schilder Lucian Freud. Hun werk noemt hij eerder 'oogstompend' dan oogstrelend. "Allebei kiezen ze voor aspecten van het ecce homo die we proberen te vergeten, al bestaan ze miljoenvoudig om ons heen."

Met de eeuwige vraag of strips kunst kunnen zijn, is Pollmann ondertussen snel klaar. De veronderstelling die daarin zit, deugt niet, vindt hij. Alsof de discipline en niet het talent van een maker maatgevend is.

Pierre Sterckx levert met 'Kuifje. Hergé's klassieker' vooral een mooi kijkboek af. Door de grootte en de drukkwaliteit wordt de lezer met zijn neus op de finesses van de aanpak van de Belgische grootmeester geduwd. Inhoudelijk heeft de kunsthistoricus niet veel nieuws en belangwekkends toe te voegen aan de bibliotheek aan overzichtswerken, duiding en biografieën die inmiddels is volgeschreven over Kuifje en zijn bedenker.

Bij tijd en wijle legt ook Sterckx interessante dwarsverbanden, maar hij draaft nogal eens door zoals bij het veronderstellen van allerhande musicologische betekenislagen onder het personage Bianca Castafiore en bij beschouwingen over het heliotropisme (de neiging om zich op de zon te richten) van Kuifje en professor Zonnebloem.

Joost Pollmann: De stripprofessor. Vijftig colleges over tekenkunst. Podium; 234 blz. euro 22,50

Pierre Sterckx: Kuifje. Hergé's klassieker (L'art de Hergé. Hergé et l'art) Vert. Corrie van den Berg. Gallimard/Editions Moulinsart; 240 blz. euro 35

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden