Hoe bitter wraak zich wreekt

Carl Friedman is de dochter van een vader die zijn kampbeul doodde. 'Alle jaren na de oorlog was hij bang geweest voor het ogenblik waarop hij in de vlammen en de rook Willi tegenover zich zou vinden en hem zou moeten wurgen, wurgen tot in alle eeuwigheid.'

Folteraars op vrije voeten, zo heet de documentaire die de BRT op 16 januari vertoonde over de beulen die in het Chili van dictator Augusto Pinochet de martelkamers bemanden en die nooit zijn berecht voor de misdaden waaraan zij zich tussen september 1973 en maart 1978 hebben schuldig gemaakt. Vijf jaar na de staatsgreep werd door de Chileense junta een wet aangenomen bij besluit waarvan zowel de daders als hun medeplichtigen vrijuit gingen. Slechts een zeer zeldzame enkeling werd in de jaren negentig alsnog veroordeeld tot gevangenisstraf.

In de documentaire was te zien hoe de meeste beulen die destijds in dienst stonden van de DINA, de Chileense geheime politie, nu genieten van een rustige oude dag. Daar is bijvoorbeeld kolonel Marcello Moren Brito, die de leiding voerde over Villa Grimaldi, een belangrijk foltercentrum in het Santiago van de jaren zeventig. Hij gaf niet alleen opdracht tot folteringen, hij voerde die ook eigenhandig uit. Volgens een van zijn slachtoffers ging hij zich te buiten aan verbaal en lichamelijk geweld. Inmiddels is Moren Brito een 68-jarige gepensioneerde. De makers van de documentaire hebben hem gefilmd terwijl hij achter een winkelwagentje door de supermarkt drentelt. Is hij werkelijk medeplichtig aan de verdwijning van drieduizend politieke tegenstanders? Hij schreeuwt niet meer, hij is een tamme oude heer die zijn boodschappen aan de kassa afrekent en waarvan je zou zweren dat hij nooit een vlieg heeft kwaadgedaan.

Of neem dokter Zanghelini, indertijd lid van de DINA en de lijfarts van Pinochet. Van hem wordt onder meer beweerd dat hij een gevangene in Villa Grimaldi, een man die als een hond aan de ketting lag, heeft ingespoten met het virus dat hondsdolheid veroorzaakt. Het slachtoffer wordt tot op heden vermist. Zanghelini ontkent zijn betrokkenheid bij folteringen van welke aard dan ook. Nog altijd heeft hij een florerende medische praktijk, zoals vele vakbroeders die spandiensten hebben verleend aan het terreurbewind van Pinochet.

De enige in de film die zijn betrokkenheid toegeeft, is een zekere Osvaldo Romo. Hij werd bij hoge uitzondering voor zijn martelwerk veroordeeld. Wroeging voelt hij niet, integendeel. 'Ik heb alleen maar mijn plicht gedaan,' aldus Romo in de gevangenis waar hij zijn straf uitzit. De plicht in kwestie bestond uit het folteren van politieke tegenstanders met elektrische stroom. 'Een vrouw met stroom bewerken gaat zo,' vertelt Romo. 'Je zet elektroden op de tepels en in de vagina, en dan stuur je er stroom doorheen. Wanneer je stroom stuurt door het hoofd of het gezicht, laat dat sporen na. Maar als je een doek goed vochtig maakt en die stevig oprolt, kun je er zonder problemen op los gaan.' Een kind kan de was doen. Ook met de doden wisten Romo en zijn handlangers wel weg. 'Als er geen plaats is op het kerkhof, gooi je ze in zee als voer voor de vissen. Of beter nog, in de krater van een vulkaan. Je vliegt er met een helikopter over en je laat de lijken vallen.' Romo spreekt niet in de verleden maar in de tegenwoordige tijd, alsof hij popelt om weer aan de slag te gaan.

In de film worden beelden van beulen afgewisseld met getuigenissen van hun slachtoffers. Terwijl de beulen vrolijk hun voortuintje schoffelen of, zoals Moren Brito, uit winkelen gaan, hebben hun slachtoffers nog steeds slapeloze nachten van de doorstane martelingen. Maar ze blijven hieronder opvallend gelaten. Van woede of vergeldingsdrang is in de film zo goed als niets te merken. Een van de overlevenden, een vrouw die kennelijk nog steeds het marxistische gedachtengoed is toegedaan, vergeeft haar beulen omdat 'mijn folteraars niet de opleiding en de mogelijkheden hadden die ik heb gehad'. Haar rancune geldt niet de beulen zelf, maar degenen van wie zij het werktuig zijn geweest, de machtigen aan de top 'die niet verhinderd hebben wat er gebeurd is'. Geen der gefilmde gefolterden schijnt zich te willen wreken op de folteraars. In een en-kel geval bestaat hooguit de behoefte om eens rustig met zo'n beul te praten.

Ik ben niet de enige die zich over deze lijdzaamheid heeft verbaasd. In zijn column in NRC Handelsblad van 24 januari gaf ook Anil Ramdas uiting aan zijn verwondering. Evenals ik was hij onder de indruk van de kalmte van de in beeld gebrachte slachtoffers die, aldus Ramdas, zo fatsoenlijk bleven 'dat ze bijna heilig werden'. Ik kan de column van Ramdas hier niet in zijn geheel citeren, al zou ik dat graag doen. Mij trof vooral wat hij schreef over Osvaldo Romo in de gevangenis. Romo, aldus Ramdas, 'sprak met wellust over zijn wreedheden, hij raakte opnieuw in extase, en het verwarrende is dat ik werd zoals hij, terwijl ik hem zag spreken: ik zou hem willen fileren met een aardappelschilmesje.'

Het verwarrende is dat ik werd zoals hij, terwijl ik hem zag spreken. Mij verging het als Ramdas. Ook ik had bij het zien van Osvaldo Romo de aandrang hem te lijf te gaan, zij het niet met een dunschiller, maar met een fijngetand zaagje. Ik verlangde ernaar langzaam, tergend langzaam, zijn hals af te snijden. Ook bij mij werd dat primitieve gevoel wakker. Ook ik werd gelijk aan de folteraar. En dat, terwijl ik toch zou moeten weten dat wraak geen gerechtigheid brengt en geen voldoening geeft. Ik ben namelijk de dochter van een vader die, anders dan de Chileense slachtoffers in de documentaire, wraak heeft genomen op een van zijn beulen.

Dit gebeurde toen mijn vader gevangene was van het Derde Rijk. In een concentratiekamp, waar hij met tienduizenden anderen onderworpen was aan een regime van dwangarbeid, honger, mishandeling en vernedering, kwam hij onder het gezag van een opzichter die Willi Kammel heette. Willi Kammel had vele jaren doorgebracht in Duitse tuchthuizen, waar hij straffen uitzat voor ernstige zedenmisdrijven, een waslijst vol. In het kamp kon hij zich uitleven naar hartelust. Bij voorkeur verkrachtte hij jongens van een jaar of zestien, om die vervolgens te verwijzen naar de gaskamer. Ook hing hij graag rond in de ruimte waar zopas gearriveerde gevangenen werden kaalgeschoren en ontluisd. Soms hanteerde hij het scheermes hoogstpersoonlijk. Deze twijfelachtige eer viel mijn vader bij aankomst in het kamp ten deel. Terwijl Willi Kammel zijn schaamstreek schoor, gaf die hem met het mes opzettelijk een diepe jaap in een van zijn liezen. Mijn vader, nog niet aan het kampleven aangepast, slaakte een kreet van pijn en haalde met zijn vuist naar Kammel uit. Toen was zijn lot bezegeld.

Op zijn kampkleding werd met verf een teken aangebracht, waaruit bleek dat hij 'vogelvrij' was. In wezen was natuurlijk iedere gevangene vogelvrij want rechteloos. Maar voor mijn vader gold dit eens te meer. In zijn opvallende pak was hij een bewegende schietschijf. Menigmaal wanneer hij de latrine bezocht, doken er verveelde SS-ers op die bij wijze van verzetje kogels afvuurden vlak langs zijn hoofd en onder zijn benen door. Ook Kammel zelf liet zich niet onbetuigd. Dagelijks kreeg mijn vader van hem een Sonderbehandlung. Na het werk en het avondappèl werd hij door Kammel ongenadig afgeranseld. Daarbij mocht hij niet vallen, hij moest overeind blijven en tussen de vuistslagen door in de houding springen. Dat kostte hem almaar meer moeite, aangezien hij na verloop van tijd niet meer dan een kilo of 35 woog, zodat hij zelfs zonder slaag nauwelijks op zijn benen kon staan.

Ik vertel deze bijzonderheden niet uit sensatie, maar omdat ik wil duidelijk maken wat voor soort man Willi Kammel moet zijn geweest en aan hoeveel spanning mijn vader moet hebben blootgestaan voorafgaand aan zijn daad. Op een fatale middag brak er brand uit in het deel van het kamp waar mijn vader werkte. SS-bewakers en gevangenen sloegen voor de vlammen op de vlucht, ook hij. Maar terwijl hij wegrende, stond hij plotseling oog in oog met zijn folteraar. 'Iedereen was verdwenen, overal om ons heen was vuur en rook, het was of hij en ik alleen op de wereld waren,' vertelde mijn vader, 'en of het zo voorbestemd was.' Met zijn magere lichaam stortte hij zich als een roofdier op Kammel en wrong hem de keel dicht. Zo verblind door haat was hij, dat hij niet kon loslaten. 'Ik heb hem niet éénmaal maar wel tien keer gewurgd.' Later werd aangenomen dat Willi Kammel was omgekomen in de vlammen.

Mijn vader overleefde het kamp en de lange dodenmars onder SS-bewaking die erop volgde. Tijdens de dodenmars werd hij door soldaten van het Rode Leger bevrijd. Onmiddellijk na hun bevrijding gingen groepjes gevangenen op zoek naar voortvluchtige SS-ers, die zich in de bossen schuilhielden. Daarbij lieten heel wat SS-ers het leven. Mijn vader heeft niet aan zulke klopjachten willen deelnemen.

Een paar maanden later, inmiddels beland in een Brits doorgangskamp, hield hij zich opnieuw afzijdig. Engelse manschappen hadden een tiental SS-ers gegrepen, die in een loods werden opgesloten. Vervolgens riep de Britse bevelvoerder mijn vader en andere slachtoffers bijeen. 'Morgenvroeg,' zo zei hij, 'worden deze SS-ers per vliegtuig overgebracht naar een gevangenis. In de tussentijd mogen jullie met ze doen waar je zin in hebt. Het kan me niet schelen hoe verschrikkelijk je ze toetakelt, zolang ze morgen nog maar enigszins transportabel zijn. Moeten ze naar het vliegtuig kruipen? Des te beter. Maar sla ze niet dood, want dan krijg ik problemen.' Mijn vader vond dat voorstel verderfelijk. 'Veel gevangenen zijn die loods ingegaan om erop los te slaan. Dat duurde uren. Nooit zal ik de gezichten vergeten waarmee ze terugkwamen.'

Waarom was hij zo fel tegen vergeldingsacties? Kwam het doordat hij de consequenties kende? Werd hij in de zomer van 1945 al verteerd door wroeging over de moord op Willi Kammel? Besefte hij destijds al dat deze moord, zoals Anil Ramdas het zo treffend heeft gezegd, hem aan Kammel gelijk maakte? Tijdens zijn hele verdere leven, tot aan zijn eigen dood in 1993, was mijn vader door zijn daad getekend. Menigmaal ontwaakte hij 's nachts badend in het zweet en vechtend met zijn beddegoed. Dromend dat hij Kammel aan het wurgen was, wrong hij zijn hoofdkussen zowat aan flarden. Met buitenstaanders heeft hij naar mijn weten nooit over de moord gesproken. Met zijn gezin praatte hij er wel over, maar diep beschaamd. Veelbetekenend was daarbij, dat hij de door hem vermoorde Duitser bij diens voornaam noemde, alsof het een goede bekende of zelfs een vriend van hem was. 'Ze hebben in het kamp een beest van me gemaakt,' zei hij. 'Ik ben hun evenbeeld geworden, ik kan niet in de spiegel kijken zonder een moordenaar te zien. En het ergste is wel dat ik, als ik weer de kans zou krijgen, Willi opnieuw zou wurgen.' Enerzijds voelde hij wroeging, anderzijds besefte hij dat in dezelfde situatie dezelfde haat weer bezit van hem zou nemen. Deze tweeslachtigheid was het, die hem dag in dag uit bleef kwellen.

In zijn laatste levensuren zat ik bij zijn bed. Als gevolg van een gezwel in de alvleesklier was hij uitgeteerd. De huisarts had hem zo veel morfine toegediend, dat hij in een roes raakte. In zijn roes begon hij te sterven en in zijn roes waande hij zich terug in het kamp. Hij werd door het kamp omsloten, hij zat erin gevangen als nooit tevoren, want hij was bezig er voorgoed in te blijven. Hij sloeg om zich heen en hij fluisterde wartaal over vlammen en rook. Ik bracht mijn gezicht vlak bij het zijne. Heel even werd zijn blik helder. In de hoop dat hij me kon horen, zei ik langzaam en duidelijk: 'Je hoeft niet bang te zijn, je hoeft niet bang te zijn.' Maar het was vergeefs. Alle jaren na de oorlog was hij bang geweest voor dit uur, waarin hij opnieuw alleen zou zijn met Willi. Alle jaren na de oorlog was hij bang geweest voor het ogenblik waarop hij in de vlammen en de rook Willi tegenover zich zou vinden en hem zou moeten wurgen, wurgen tot in eeuwigheid.

Tijdens zijn leven heb ik weleens getracht hem te troosten. 'Oordeel je jezelf niet te hard?' zei ik dan. 'Ben je eigenlijk wel in staat om, met een gevulde maag en in een luie stoel, te oordelen over iets dat je hebt gedaan onder beestachtige omstandigheden, in een beestachtige tijd?' Dan sloeg hij zijn ogen neer en zuchtte vertwijfeld. Ook zei ik eens, toen ik zijn ellende niet meer kon aanzien: 'Die Willi was een schoft, een ziekelijke sadist, hij heeft zijn verdiende loon gekregen. Hoeveel mensen heeft hij niet vermoord? Waarom zou jij kapot gaan aan wroeging over de dood van iemand die zelf geen wroeging kende?' Het was allemaal umsonst. Voor mijn vader was het van generlei betekenis wie hij had gedood, voor hem telde slechts het feit dat hij had gedood. Sinds 1944 is hij moordenaar geweest en in 1993 is hij als moordenaar gestorven.

De slachtoffers van de Chileense terreur in de documentaire Folteraars op vrije voeten blijft het lot van mijn vader bespaard. Zij hebben zich erbij neergelegd dat ze in hetzelfde flatgebouw wonen als hun beulen en met hen in de supermarkt bij dezelfde kassa wachten. In stomme verbazing zien wij hun lijdzaamheid aan. Waarom wreken ze zich niet met het aardappelmes van Ramdas? Waarom, o waarom rukken ze niet uit met mijn zaag? We begrijpen er helemaal niets van. Onze verbijstering is een weelde waarvoor we niet anders dan dankbaar kunnen zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden