Hockeyselectie raakt gouden generatie kwijt

AMSTERDAM - De nationale hockeyselectie raakt in één klap bijna duizend interlands aan ervaring kwijt. Bijna de halve ploeg die begin augustus in Atlanta door een 3-1 overwinning op Spanje Olympisch kampioen werd, kapt ermee.

In een speciale wedstrijd tegen een wereldelftal, waarin vanavond in Amstelveen naast Fischer, Becker, Meinhardt en Shahbaz ook de oud-internationals Diepeveen, Van 't Hek en Leistra komen opdraven - nou ja, opdraven - worden Marc Delissen, Floris-Jan Bovelander, Taco van den Honert, Maurits Crucq en Leo Klein Gebbink feestelijk uitgeluid.

Een generatie stopt, of ook weer niet. De net-dertigers Delissen, Bovelander en Van den Honert riepen in Atlanta om het hardst dat het olympisch goud een bijzonder fraaie kroon op het jarenlange werk was, maar stroopten afgelopen zondag als vanouds weer de mouwen op in de hoofdklasse. Twee miljoen landgenoten aanschouwden in de Nederlandse nachtelijke uren de slopende eindstrijd tegen de Spanjaarden. De hockeygemeenschap is nog ondersteboven van zoveel (tijdelijke) impact. Voor welgeteld nul toeschouwers begon Delissen een paar weken geleden op een achteraf veldje in Den Bosch aan de voorbereiding op de nationale competitie. En ook daaraan ontleende de Haagse advocaat onmetelijk veel genoegen. Een jaartje uitbollen, heet het. Maar wat gebeurt er, als na dat halve sabbatical year de uitdaging van een wereldkampioenschap in eigen land (1998) aan de horizon gloort? In Atlanta voorspelde Jacques Brinkman al dat hij het nog moet zien of al die afscheidnemers dan als wandelende legendes de luwte van een tribuneplaatsje verkiezen.

En afscheid nemen deden met name Bovelander, Van den Honert en Crucq al vaker. De eerste, de man met een haast dodelijke strafcorner, wilde het milieu na de WK-finale in Australië, bijna twee jaar geleden, al een vaarwel toezwaaien. Het feit dat Pakistan na strafballen won, deed de Bloemendaler besluiten nog één keer een fraai kunststukje uit te halen: in Atlanta. Maar niet nadat hij er voor een studie in de VS ruim een kalenderjaar tussenuit kneep. Hij miste zodoende het EK in 1995.

In Pakistan kon hij de mensen die hem wilden aanraken, niet van zich af slaan. Van zijn kuiten kan een Pakistaan twee jaar eten, liet hij zich in het Algemeen Dagblad ontvallen. In Indiase restaurants zijn er gerechten naar hem en die twee andere hockeyende musketiers vernoemd. Op de universiteit in Chicago was Flop een nobody, een watje zelfs als zijn mede-studenten hadden geweten dat hij slechts fieldhockey player was. Een moederskindje, niet stoer genoeg om het echte hockey (dat op ijs) te spelen. In sportief opzicht doodde hij de tijd maar door, godbetert, te gaan softballen. Het trainen op de corner - normaal gesproken slaat hij er per week enkele duizenden in - ging moeilijk in zijn eentje. Geen keeper had trouwens trek in blijvende invaliditeit.

Bovelander is van top tot teen hockeyer. Met zijn ballonkuiten, deel van zijn kromme beentjes, ziet het er niet uit, maar in werkelijkheid is hij ongeveer de lenigste van zijn elftal. Aan etiquettes heeft hij lak. De kousen zijn immer afgezakt, het oranjeshirt (zowel in Bloemendaal als het Nederlands elftal) hangt onveranderd over het short. In Atlanta droeg hij als enige op het erepodium geen trainingsbroek. Flop had het kledingstuk in zijn appartement in het olympisch dorp laten liggen. Tussen de puinhopen waarschijnlijk, want de reputatie van sloddervos achtervolgt hem al zijn hele hockeyleven. Befaamd is ook de cooling down na behaalde kampioenschappen. Eén keer, zo liet hij zich eens ontvallen, had hij zoveel bier naar binnen gewerkt dat hij vanwege dronkenschap zijn mond niet meer kon vinden. Vervelend, vooral voor een biologiestudent.

Nonchalance is niet meer dan een handelsmerk. In zijn sport is hij razend fanatiek, zowel op trainingen als in wedstrijden. Hij heeft altijd meer kwaliteiten willen tonen dan het inslaan van corners. Hij noemt zich een kruising tussen de voetballers Johan Neeskens en Ronald Koeman. Waarbij de eerste staat voor agressief ballen afpakken en de tweede voor de lange slag. Wanneer Bovelander er daadwerkelijk mee stopt, heeft hij er sinds zijn debuut op 2 oktober 1985 241 interlands en 215 doelpunten opzitten. Op de eeuwige vaderlandse topscorerslijst is hij daarmee tweede achter Paul Litjens (267 wedstrijden).

Zijn maatje Taco van den Honert, bijgenaamd Taak, debuteerde twee jaar later en loopt statistisch gezien daarom wat achter bij Bovelander: 215 interlands en 118 doelpunten, maar een veelvoud aan wonderschone, onnavolgbare acties. Zonder overdrijving wordt de Amsterdammer de Mozart van het hockey genoemd. Vrouwencoach Tom van 't Hek voegde daar kort geleden nog de kwalificatie 'Stradivarius' aan toe. De sleeppush is zijn vondst, maar het liefst pielt en goochelt hij met de bal en dolt hij zijn tegenstanders helemaal suf. Als het aan hem ligt, viert hij dat soort feestjes in volstrekte stilte. Van den Honert werd vorig jaar op het EK in Dublin node gemist en gaat bij zijn club Amsterdam nog een jaar door, gewoon omdat hij er lol in heeft en zich op dat niveau wil revancheren voor een verloren seizoen.

Hij en Bovelander hebben dezelfde triomfen gevierd als Marc Delissen: Europees kampioen in 1987, wereldkampioen in 1990 en Olympisch kampioen in 1996. Daarnaast nog een paar keer tweede en derde in het kleine internationale krachtenveld. Delissen speelde op één na de meeste interlands ooit (261, 98 doelpunten) - hij moet op de Adelskalenderen van het vaderlandse hockey voor eeuwig Cees-Jan Diepeveen (286 caps) boven zich dulden - maar was regelmatig mikpunt van kritiek van messenslijpende vijfde colonnes. Hij was altijd te traag, zei men, vaak betrokken bij interne conflicten en machtiger dan de bondscoach. Werd hem tenminste nagedragen.

“Er zijn meer kenners buiten dan in Nederland”, sprak HGC'er Dellis op 15 augustus 1995 in Trouw. Het ging dan meestal om de plaats waarop de charismatische aanvoerder speelde: midden-midden of als hangende spits. Hij maakte er nooit een probleem van. Ook niet toen zijn clubtrainer Maurits Hendriks - tevens assistent van Roelant Oltmans bij de nationale selectie - bij de Gazellen Veen naar het middenveld haalde, Delissen naar de midvoorplaats dirigeerde en zijn baas in Oranje wist over te halen datzelfde te doen. Maar het was wel altijd een gespreksthema. Gezegd moet worden dat Delissen in het Nederlands elftal zelden of nooit faalde. Die gemiste strafbal in de EK-finale van vorig jaar tegen Duitsland - zijn derde in een bloedstollende serie van 22 - was het enige tastbare in dat opzicht.

Internationaal ademt het hockeyfront voorlopig rust. Ieder jaar is er uiteraard de Champions Trophy, maar het grote werk doemt pas in de voorzomer van 1998 in Utrecht op. Toen Delissen op 21 oktober 1984 debuteerde, had er ook net een leegloop plaatsgevonden. De hockeyselectie heeft - na kortere of langere tijd - meer generatiewisselingen overleefd, maar Oltmans beseft dat het in dit geval 'even' zal duren voordat de trein weer over de kunstgrasvelden dendert. Met het supertrio verdwijnt ook een drietal persoonlijkheden. De niet onbelangrijke vacature strafcorner is in de persoon van Bram Lomans inmiddels opgevuld. Voor het overige is het pijnlijk kort dag voor een WK waarop Nederland per se niet mag afgaan. Een mooie troostrijke gedachte is dat Delissen, Van den Honert en Bovelander over ruim anderhalf jaar ook nog maar beginnende dertigers zijn. En ze hockeyen nog steeds. En graag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden