Hockeyers verlost van frustratie

ATLANTA - Het kostte bloed, zweet, tranen en de liefhebbers ook nog bijna een hartstilstand toen Spanje in de tweede helft scoorde. Maar het Nederlandse mannen hockeyelftal heeft dan toch een levensgrote frustratie van zich af geschud: het kan een groot internationaal toernooi winnen. Na twee keer zilver (1928 en '52) en driemaal brons (1936, '48 en '88) op Olympische Spelen, maar vooral complex-verhogende tweede plaatsen op EK en WK de laatste jaren, mocht het eindelijk eens een ereronde maken.

IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch was het vergund de historische gouden medailles uit te reiken, al zal de Spanjaard zich met de kroonprins en een half Nederlands kabinet in de ereloge hebben genesteld om zijn landgenoten een nauwelijks voor mogelijk gehouden stunt te zien uithalen. Die hing ook lang in de lucht. Hoe slecht en onsamenhangend Oranje ook speelde, doelman Ronald Jansen deelde als enige niet in de malaise. Nadat Pujol de 'bevrijdende' tegentreffer had gefabriceerd, kwamen ineens de mysterieuze krachten in het elftal boven drijven. Als door een electrische schok getroffen, werd het wakker geschud en zette het met drie benutte strafcorners (een rendement van vijftig procent) de wedstrijd naar zijn hand. Bovelander sloeg zijn eerste hard in (al oordeelde hij later dat hij de bal in feite maar half raakte) en legde zoveel gram in de tweede, dat doelman Jufresa meteen door had gekund naar de Paralympics wanneer hij in de baan van het schot was gaan staan. Bram Lomans joeg nummer drie tegen het net; daarmee nogmaals onderstrepend dat de nakende absentie van 1298 interlands als routinefactor in het elftal, toekomstig succes niet in de weg hoeft te staan.

Met de olympische titel heeft Oranje voorkomen dat het nog twee jaar meewarig door de rest van de mondiale elite wordt bekeken. Goed hockeyen als het niet hoeft, en het laten afweten als het er op aankomt. Het WK-toernooi van 1994 was daarvan het meest significante voorbeeld. Nederland speelde in Sydney het allermooiste hockey van het toernooi. Toen vervolgens in de halve finale de gedoodverfde favoriet Australië werd verslagen, waanden de mannen van bondscoach Roelant Oltmans zich al kampioen. Pakistan, destijds getraind door Hans Jorritsma, gooide roet in het eten.

Een vergelijkbare situatie deed zich de vorige week op het prefab hockeycomplex van het Morris Brown College voor. Aan goed spel kwam Nederland weliswaar zelden toe, maar in de halve finale werd wel de laatste mede-favoriet voor de olympische titel, Duitsland, geëlimineerd. Spanje, op papier een relatief zwakke tegenstander die tien jaar geleden voor het laatst van het Nederlands elftal had gewonnen, kreeg bij het betreden van het speelveld ineens een hapklare brok voorgeschoteld. Door de voorgeschiedenis troffen Oltmans cs een opponent van een veel zwaarder kaliber: zichzelf. “Ik was blij dat de 1-0 voor Spanje viel,” sprak de bondscoach na afloop oprecht. “Er konden twee dingen gebeuren: of we gingen de brug op, of we gingen presteren naar wat we kunnen. Ik geloofde heilig in het laatste. Weer een zilveren medaille, dat mocht niet gebeuren. Dat zou enorm frustrerend zijn geweest voor ons allemaal.”

Ronald Jansen had als enige geen last van de spanning. “Ik heb zo'n sfeer net nodig”, blikte de doelman terug op een historische avond. “Daarom kan ik een elftal ook door een moeilijke periode heenslepen. Achteraf zei iedereen tegen mij: 'We zijn blij dat je die bal hebt doorgelaten, dan gaan we tenminste echt hockeyen'. Maar ik vond die finale wel erg veel op die van Sydney lijken.”

Achteraf is een analyse niet moeilijk te maken. Dan klinkt het ook als het gelijk van de winnaar wanneer aanvoerder Marc Delissen zegt dat het team de ervaring van het WK van twee jaar geleden heeft “meegenomen” naar Atlanta. “Het is een unieke generatie die afscheid neemt,” stelt de HGC'er, die na 261 interlands zegt te stoppen. “Het had eigenlijk niet gekund dat dat met zilver was gebeurd.” Het was een lange weg, sinds die gedenkwaardige februari-dag in 1990 in Karachi, toen Nederland voor liefst 70 000 toeschouwers de wereldtitel binnenhaalde door gastland Pakistan te verslaan. Jorritsma was toen trainer. Die liet zich daarna aflossen door Rob Bianchi. De oud-voetballer lag zo slecht in de groep dat Delissen namens de selectie aanstuurde op ontslag. Jorritsma keerde voor een interim-periode terug, met slechts één doelstelling: een medaille op de Spelen van Barcelona. Enkele oud-gedienden vierden een kortstondige rentree. Achteraf was dat een misgreep. Het elftal was verre van een eenheid en liet zich als makke schapen wegdrijven van het erepodium. De vierde plaats werd als een afgang gezien. De trainer van het nog veel sterker falende vrouwenelftal (Oltmans) werd de nieuwe bondscoach.

De Oegstgeester heeft het imago van een wat saaie man, die niet de knoet over het elftal legt, een willig oor schijnt te hebben voor de adviezen van Delissen en bepaald niet het karakter van een avonturier bezit. Anderzijds wordt Oltmans een aantal specifieke kwaliteiten toegedicht die het elftal zeer ten goede kwamen: veel kennis van zaken, een scherp analyticus, in staat de vuile was aardig binnen te houden - al verdiende de manier waarop assistent-coach Bunnik (in Atlanta opgenomen in de staf van de Pakistani) werd ontslagen geen schoonheidsprijs - en een bindmiddel. Want net als in 1991 en '92 zat de selectie vol met lastige jongens. Maar nu gingen de heren voor elkaar door het vuur.

Brinkman legde zich uiteindelijk zonder al te veel morren neer bij de demotie in het elftal (van rechtsmidden naar rechtsachter) en Delissen laat alle kritiek dat hij in feite de bondscoach was, maar glimlachend over zich heen gaan: “Als die invloed er al zou zijn, is die er na heden in ieder geval niet meer.” De Haagse jurist vindt het huidige Nederlandse elftal veel beter in balans dan twee jaar geleden. “Eigenlijk was er nu geen houden aan. Ik zal niet zeggen dat dit het beste Nederlandse elftal is waarin ik ooit heb gespeeld. Het is wel het mooiste.”

Oltmans slaagde, waar Jorritsma vier jaar geleden in het stof beet: na een sabbatical year in hockey haalde hij twee oud-gedienden terug die wonderwel als stukjes in de puzzel vielen. Taco van den Honert zegt opgefrist te zijn door de adempauze. Floris-Jan Bovelander had veel meer twijfels over zijn rentree. In tegenstelling tot Van den Honert had de Bloemendaler in zijn studiejaar (in Chicago) een hele tijd niet gehockeyd. “Vorig jaar juni zei ik: het kan nog. Maar dat was natuurlijk nergens op gestoeld. Ik zat toen ergens in Amerika een beetje te softballen. In januari dacht ik nog steeds: het lukt. In maart, toen ik weer begonnen was, zat er maar heel weinig progressie in. Maar in mei, bij de play-offs, had ik het gevoel dat het ging komen.” Zijn rol in de finale bagatelliseert Bovelander: “Je krijgt in elke wedstrijd minstens vier strafcorners. Daar vliegen er altijd wel één of twee van in.”

De nummer 11 van Oranje stopt zeker. Klein Gebbink, Delissen, Van den Honert en Crucq zeggen hetzelfde te doen. Brinkman en Jansen, die enkele dagen geleden nog harde uitspraken in de richting deden, twijfelen ineens. “Internationaal gezien gebeurt er in 1997 weinig,” denkt Jacques Brinkman uit ervaring te spreken. “Al die jongens gaan bij hun club nog door. Het zou mij niet verbazen dat je ze voor het WK in eigen land, in 1998, weer terugziet. Bij Duitsland waren Fischer en Fried ook op hun standpunt terug gekomen.”

Dat weer zet Brinkman aan het denken. “In Barcelona wonnen ze goud, nu hebben ze niets. Als je hier stopt heb je een supergaaf afscheid. Ik denk vaak aan Frank Rijkaard. Die stopte op het mooiste moment dat je je voor kunt stellen. Zoiets een jaar van tevoren aankondigen en dan de Europa Cup winnen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden