Hockey inspireerde hoogleraar recht

AMSTERDAM - Een groene speelweide van enkele vierkante meters nabij zijn ouderlijke woning in Eindhoven. Prof. dr. Heiko van Staveren zegt er zowat alles wat hij tot dusver in zijn leven bereikte aan te danken te hebben.

RUUT VERHOEVEN

Zijn imposante hockeycarriere bij HTCC, Kampong en Oranje, maar ook zijn recente benoeming tot bijzonder hoogleraar sport en recht aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Heiko van Staveren is ervan overtuigd dat de spelvreugde en de speldrift die hij op de Dommelwei opdeed, zijn sportieve en maatschappelijke loopbaan in gunstige zin hebben beinvloed. "Daar heb ik de fijnste tijd van m'n leven doorgebracht" , vertelt de Brabantse rechtsgeleerde. "Elke dag met m'n maatjes ravotten op dat veldje.

We hebben onszelf daar enorm ontwikkeld."

Aanvankelijk wilde de jonge sportfreak bij PSV gaan voetballen. Op de tribune van het Philips-stadion had hij zich in de beginjaren vijftig immers telkens weer vergaapt aan de kunsten van Coen Dillen, Toon Wouters, Piet Franssen en Liewe Steiger. Bovendien had zijn vader, die huisarts was, veel Philips-patienten in zijn praktijk. Dat Van Staveren junior zich echter nooit bij de club meldde, had alles te maken met zijn middelbare schoolopleiding. Op het Gemeentelijk lyceum werd zijn belangstelling voor de hockeysport gewekt. "Hockey was op school een heel populaire sport. Omdat ik er goed in was, ben ik er mee doorgegaan. M'n vriendjes speelden allemaal bij HTCC, dus werd ik ook lid van die club."

Vanaf die tijd benutte Van Staveren zowat elk vrij uurtje om zich verder te bekwamen als hockeyer. Bij de vereniging, maar veel meer nog op de Dommelwei. Van Staveren prijst zich gelukkig de tijd te hebben meegemaakt dat spelen op straat en op grasveldjes de gewoonste zaak van de wereld was.

Talent en fanatisme stuwden Heiko van Staveren in de richting van de absolute hockeytop. Onderwijl had hij het Gemeentelijk lyceum in Eindhoven verruild voor de academie lichamelijke opvoeding in Amsterdam. Tot verbijstering van zijn leraren. "Die meenden dat ik daarmee m'n diploma gymnasium-A verkwanselde. Vond ik toen al onzin en nog steeds. Ik wilde gewoon het onderwijs in. Ik vind het prachtig om te zien dat iemand telkens een stapje hoger komt. Als je je jeugd slijt in de sport en daarbij ook nog succesvol bent, laat je dat moeilijk los. Al heel vroeg had ik voor mezelf een carriereplanning gemaakt. De opleiding tot gymleraar was goed te combineren met mijn hockey-ambities. M'n ouders hebben mijn keuzes altijd gerespecteerd."

Niettemin werd zijn verblijf op de sportacademie geen onverdeeld succes. In het tweede jaar sloeg het noodlot toe. Bij een voetbalwedstrijdje tussen docenten en studenten beschadigde hij een meniscus en de kruisband van zijn rechterknie. Einde opleiding. Bovendien ontraadden specialisten hem zijn hockeyloopbaan voort te zetten. Met het eerste kon hij leven, met het laatste niet. Een paar weken na zijn operatie stond hij alweer met een stick op de Dommelwei. Hij haalde het Nederlands elftal, maakte de Olympische Spelen van Mexico (1968) mee en speelde vijf keer in de Europa Cup met Kampong, de club uit Utrecht waarnaar hij in 1965 verhuisd was.

Duffe studie

Aan de Rijksuniversiteit in de Domstad was hij inmiddels rechten gaan studeren. "Rechten heette een duffe studie te zijn. Dat vormde een uitdaging voor me. Ook al om mijn docenten van het Gemeentelijk lyceum een poeper te laten ruiken. Ik had me voorgenomen een zo hoog mogelijk tempo te draaien. Dat ging perfect. Binnen anderhalf jaar had ik m'n kandidaats al te pakken. Ik dreigde zelfs te snel af te studeren." Zijn hockeybesognes brachten uitkomst als handrem op zijn studieactiviteiten.

In 1970 werd Van Staveren studentassistent bij professor Sauveplanne. "Op die manier kon ik m'n studie en m'n hockeycarriere bekostigen." Hij deed zijn werk zo goed dat hij gevraagd werd wetenschappelijk medewerker te worden. "Dat was het begin van m'n rechtencarriere. Ik doceerde inleiding privaatrecht. Mocht ook scripties begeleiden. En wat kreeg ik? Scripties over sport. In die tijd beschouwden de meeste rechtswetenschappers sport en recht als twee totaal uit elkaar liggende gebieden. Dus waren ze blij dat zo'n sportfreak als ik bereid was die scripties te doen. Zo leerde ik veel over het transfersysteem in de voetballerij."

Dankzij die kennis mocht hij in 1972 mr. W. E. Haak assisteren bij diens opdracht voor de Nederlandse vereniging van rechtsvergelijking een advies uit te brengen over de rechtspositie van de beroepsvoetballer. "Haak wist heel veel van recht, maar had geen verstand van voetbal. Onze samenwerking liep perfect. Ik leerde ontzettend veel van hem. Hoe je onderzoek moet doen bijvoorbeeld. Hij vroeg me of ik voor hem een artikel over het transfersysteem wilde schrijven. Daartoe heb ik bij de KNVB aangeklopt. Of ik de voetbalreglementen mocht napluizen om die op hun merites te beoordelen."

Van Staverens bevindingen bleven niet onopgemerkt. Plotseling gold hij als een insider op het gebied van het transfersysteem. "Dat benauwde me wel een beetje, moet ik eerlijk zeggen. Ik kreeg zoveel vragen op me afgevuurd die ik nog niet kon beantwoorden." Mr. Haak adviseerde hem er een proefschrift over te schrijven: 'Het voetbalcontract, op de grens van sportregel en rechtsregel'. "Alleen al met archiefonderzoek ben ik meer dan twee jaar beziggeweest. Maar het is wel heel belangrijk geweest voor wat ik nu doe op het gebied van sport en recht. Hoe is een sportregel ontstaan? Wat zijn de achtergronden? Die sportregels voelde ik emotioneel heel goed aan. 'Sport ontwikkelt zich altijd bij het jongensgedoe', schreef Miermans in zijn dissertatie van 1950. Daar heeft hij gelijk in. Mijn onderzoek naar de spelregels kleurde ik ook in met m'n eigen 'jongensgedoe'. Soms vergat ik in m'n enthousiasme dat ik bezig was met naakte juridische feiten. Ik heb veel meer gelezen dan strikt nodig was voor m'n onderzoek. Dat heeft me veel extra tijd gekost."

In 1981 promoveerde Van Staveren. Hij werd een veel gevraagd man in de sportwereld. Hij bekleedde en bekleedt tal van functies bij de voetbalbond. Ook de wielrenunie klopte bij hem aan. "Ik werd gevraagd naar de regeling voor licenties aan beroepswielrenners te kijken. Ik moest het peloton schonen van de zogenaamde broek- en truirenners. Die betekenden een gevaar voor het peloton. Daarnaast moest ik een regeling bedenken om renners een volwaardig contract te geven, zodat ze voortaan verzekerd zouden rondrijden." Van Staveren verkaste in 1985 van Utrecht naar de Vrije Universiteit in Amsterdam. "Omdat me daar de mogelijkheid geboden werd om, naast m'n docentschap sociaal recht, onderzoek te ontwikkelen op het gebied van sport en recht." Zo verricht hij in opdracht van het ministerie van WVC diverse onderzoeken naar de rechtspositie van topsporters in Nederland dat uiteindelijk moet leiden tot een statuut voor de topsporter. De wielrenunie beloonde hem voor zijn talloze inspanningen door bij de VU een verzoek neer te leggen een leerstoel sport en recht te creeren voor Van Staveren. "Dat beschouw ik als mijn psychisch inkomen. Waardering uit de sport zelf voor wat ik doe. Ik ben blij dat de KNWU het in de breedte heeft gezocht. Alle sporten hebben immers gelijke wortels. Problemen op juridisch gebied in de sport komen aan die wortels."

In zijn inaugurele rede - die hij vanwege de overvolle sportkalender pas op 4 december zal houden - wil Van Staveren zich bewegen op de grenzen van de sportregel en de rechtsregel. "In de sport wil men niet dat sportbeoefenaren, clubs en bonden zich tot de rechter wenden in geval van conflictsituaties, omdat de sport zijn eigen regels heeft. Aan de andere kant willen rechters zich nog wel eens laten verleiden tot inmenging in zaken van de sport zelf. In Duitsland is er ooit een rechter geweest die een doelpunt goedgekeurd heeft. In eigen land besliste de president van de Utrechtse rechtbank vorig jaar in eerste instantie dat de tweede helft van de bekerfinale tussen Feyenoord en BVV Den Bosch overgespeeld moest worden."

Belangrijk in dit verband is ook het natrap-arrest van 1991, waarbij iemand veroordeeld werd schadevergoeding te betalen aan een ander die hij tijdens een voetbalwedstrijd verwond had. "In hoeverre accepteert de maatschappij dat je binnen het spel dingen doet, die daarbuiten niet mogen? Als er schade ontstaat doordat ik iemand op straat een correcte schouderduw geef, ben ik daarvoor in beginsel aansprakelijk. Doe ik dat op een voetbalveld dan ga ik vrijuit, omdat de maatschappij het voetbalspel onder die regel geaccepteerd heeft. Maar wat te doen met zaken die al dan niet net buiten de spelregels vallen? Zit ik dan in de rechtssfeer of niet? Met die vragen houd ik me vooral bezig."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden