Hitler ging op in een wagneriaanse ambiance

Adolf Hitler was gefascineerd door Richard Wagner. Dat was hij al toen hij er als jongeman van droomde kunstenaar te worden, maar ook als rijkskanselier, toen hij de partijdagen liet optuigen tot dramatische gebeurtenissen.

Marc Vermeeren: De jeugd van Adolf Hitler (1889-1907) en zijn familie en voorouders. Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789059116062 419 blz. euro 25,95

Thomas Leeflang: Spookfeesten. De rijkspartijdagen van de NSDAP in Neurenberg. Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789059115015 142 blz. euro 18,95

In het begin van zijn bekende ’Kanttekeningen bij Hitler’ (1987) oppert de Duitse schrijver Sebastian Haffner dat de kloof die er lijkt te bestaan tussen Hitlers verborgen levensjaren tot 1920 en zijn leven in de schijnwerpers daarna, meer schijn dan werkelijkheid is.

Hitler was niet, vermaant Haffner, een wereldvreemde mislukkeling tot het einde van de Eerste Wereldoorlog en vervolgens een politiek beest. Nee, de obscure bohémien van voor de oorlog was al net zo vervuld van het politieke gebeuren als een toppoliticus, en tegelijkertijd bleef Hitler in zijn hoedanigheid van Führer ook een bohémien. De breuk in Hitlers leven loopt volgens Haffner niet in de breedte, maar in de lengte.

Twee boeken die uitgeverij Aspekt uitbrengt, leveren onbedoeld munitie voor Haffners stelling. Het boek van de stamboomonderzoeker Vermeeren licht Hitlers jeugd uit, niet van 1889 tot 1907 zoals de titel schrijft, maar tot 1919; juist het jaar waarop Gefreiter (korporaal) Hitler uit de schaduw treedt en lid wordt van de ’Deutsche Arbeiterpartei’, die hij een jaar later omdoopt tot ’Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei’. Het boek concentreert zich op Hitlers verleden en dat van zijn voorvaderen en is een staaltje van genealogisch graafwerk.

De historicus Thomas Leeflang, die veel over filmgeschiedenis geschreven heeft, richt zijn aandacht op de gelegenheden waar Hitler bij uitstek de openbaarheid zocht, de jaarlijkse ’Reichsparteitage’ in Neurenberg van 1933 tot en met 1938.

„Adolf Hitler was reeds in zijn puberteit een nietsnut. Hij faalde overal, bezat geen morele zelfdiscipline, schuwde regelmatige arbeid en kon niet ononderbroken presteren of studeren.” Vermeerens introductie van zijn onderwerp verschilt niet veel van die van Haffner.

Die lanterfanterij had wel een ongebruikelijke keerzijde: Hitler trotseerde de opvattingen van zijn familie, leeftijdgenoten en leraren over wat een verstandige jongen paste. Hij was wild, spotte met de godsdienst, en wilde geen ambtenaar worden zoals zijn vader was. Hij hechtte een bijzondere waarde aan zijn voorbestemming als kunstenaar en verloor zich makkelijk in heroïsche fantasieën.

De ontdekking van Wagners muziek was hem daarbij behulpzaam, en Vermeeren laat een jeugdvriend vertellen hoe Hitler in vervoering raakte na een uitvoering van ’Rienzi’, de opera over een volkstribuun die het voor het Romeinse plebs opnam. Met overgave luisterde hij ook naar de Duits-nationalistische lessen van zijn geschiedenisleraar. In 1907 zakte Hitler voor een toelatingsexamen voor de kunstacademie, brak met zijn familie en dook onder in een marginaal kunstenaarsbestaan dat eindigde met zijn indiensttreding bij het Duitse leger in 1914.

Een autoritaire opvoeding in een incestueuze uithoek – Vermeerens genealogische naspeuringen doen vermoeden dat in die afgelegen Alpendalen bloedverwanten veelvuldig met elkaar trouwden – half Oostenrijk moet zo zijn opgegroeid. Als alle jongensdromen en ouderlijke angsten een voorspellend karakter hadden*., maar Hitlers land- en tijdgenoot Sigmund Freud liet nu juist zien dat het maatschappelijk gezag er meestal in slaagt om de geilheid en gewelddadigheid te temmen. Meestal. Maar na 1918 was er emplooi voor wie aan die dressuur van de zelfoverschatting te ontkomen wist. De Eerste Wereldoorlog maakte het verschil, zoals ook de opkomst van Mussolini bewijst: onder vernederde volken vonden boze geesten een politieke voedingsbodem.

Leeflangs boek over de Neurenberger partijdagen toont een jongen die zijn heroïsche fantasieën aan den volke verkondigt. De architectonische en dramatische setting waarin dat geschiedde was deels van zijn hand, en voor verdere verspreiding gebruikte hij de diensten van Leni Riefenstahl die hier in 1934 ’Trumph des Willens’ filmde. Tienduizenden mensen keken toe hoe tienduizenden SA- en SS-mannen langs marcheerden, hoe vlaggen en vaandels gewijd werden, zagen zich ’s nachts opgenomen in een tempel van lichtzuilen; en, bovenal, luisterden naar en respondeerden op hysterische toespraken. Een Wagneriaanse ambiance, die elke keer ook opgeluisterd werd met een uitvoering van de ’Meistersinger’.

Verschillende malen maakte Hitler van dit toneel gebruik om zijn plannen te ontvouwen. In 1935 openbaarde hij in Neurenberg zijn rassenwetten en in 1938 liet hij de wereld, Tsjecho-Slowakije voorop, weten dat hij de onderdrukking van de Sudeten-Duitsers niet langer zou dulden.

Een terugkerend onderwerp van Hitlers redevoeringen was, en dat was allesbehalve verwonderlijk in dit openluchttheater, kunst en cultuur. Steeds bracht hij die in verband met raszuiverheid, want ’voor de kunst moet men geboren zijn’. In ’Mein Kampf’ had hij geschreven dat er niets vuils of schaamteloos bestond in de cultuur, of er had wel een Jood aan meegewerkt. Of Hitler die antisemitische smetvrees nu in Wenen had opgedaan zoals hijzelf en Haffner schrijven, of in politieke scholingen na de oorlog,zoals Vermeeren wil, voor goed begrip van de man en zijn wilde politiek is de jongensachtige fascinatie met zwarte romantiek van groot belang.

Vanaf zijn lanceerterrein in Neurenberg, gesteund door een engelenschaar van eigen makelij, de SA en SS, nam de gemankeerde kunstenaar het op tegen de demonen die zíjn en Duitslands ondergang wensten. Iedere gamer speelt die ’final countdown’ vandaag thuis, maar de verhaallijn en attributen vertonen nog steeds een opvallende gelijkenis met de noodlotszwangere ensceneringen van de ’Reichsparteitage’.

De boeken zijn allebei het werk van bekwame amateurs. Beide auteurs vertonen van de gedreven liefhebber de voordelen: een overvloed aan gegevens – en de feilen: de moeite daarin te schiften. Vooral Vermeerens boek lijdt onder een teveel aan informatie over de achterooms en neefjes van Hitler.

Toch, dankzij die genealogische muggenzifterij is één theorie over het motief van zijn moorddadig antisemitisme naar de prullenmand verwezen: de Führer had geen Joodse grootvader te verbergen. Ik waag een eigen freudiaanse hypothese, op grond van Vermeerens verslag van de gespannen vader-zoonverhouding. Daar zou de splijtzwam hebben kunnen zitten die volgens Haffner een breuk vormde in een leven dat in het persoonlijke vlak zo onooglijk en leeg was, en tegelijkertijd zo van dromen vervuld. Niet alleen wenste Hitler geen douanebeambte te worden zoals zijn vader aan de Beierse grens was, hij wenste alle grenzen af te schaffen, om te beginnen die tussen Oostenrijk en Duitsland.

Wellicht vond in de opstand tegen een benauwend provincialisme de puberale grenzeloosheid van zijn doen en denken zijn oorsprong.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden